Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:2041

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-04-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
C/16/434433 / KG ZA 17-153
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opzegging franchise- en huurovk. In kort geding ordemaatregel getroffen dat de franchisegever de opgezegde overeenkomsten in afwachting van het oordeel van de bodemrechter moet nakomen als waren zij niet opgezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/434433 / KG ZA 17-153

Vonnis in kort geding van 19 april 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.H. Kolenbrander te Leiden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRUNA B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. F.J.H. Mulder.

Partijen zullen hierna [eiser] en Bruna worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de producties 1 tot en met 32 van [eiser] ,

  • -

    de producties 1 en 2 en 4 tot en met 17 van Bruna,

  • -

    de mondelinge behandeling van 30 maart 2017,
    - de tijdens de mondelinge behandeling genomen akte wijziging van eis van [eiser] ,

  • -

    de pleitnota van [eiser] ,

  • -

    de pleitnota van Bruna.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bruna heeft een systeem ontwikkeld voor het drijven of doen drijven door zelfstandig ondernemers van detailhandelszaken in boeken, tijdschriften, dagbladen kantoorartikelen, papier- en schrijfwaren, wenskaarten, multimedia enzovoort.
Bruna stelt ondernemers in staat om als zelfstandig ondernemer dit door haar ontwikkelde systeem te gebruiken en een “Bruna” winkel te exploiteren. Bruna sluit daartoe een franchiseovereenkomst met de zelfstandig ondernemer. Daarnaast komt het voor dat zij
met de zelfstandig ondernemer ook nog een huurovereenkomst sluit met betrekking tot het pand waarin de Bruna winkel zal worden geëxploiteerd.

2.2.

[eiser] exploiteert al ruim vijfentwintig jaar op basis van daartoe met
Bruna gesloten franchiseovereenkomsten een “Bruna” winkel in het bedrijfspand gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] , welk pand is gelegen in Winkelcentrum […] (hierna: het bedrijfspand). Bruna is hoofdhuurder van dit bedrijfspand en heeft dit bedrijfspand op basis van daartoe gesloten huurovereenkomsten (onder)verhuurd aan [eiser] .

2.3.

De laatstelijk tussen partijen gesloten franchiseovereenkomst betreft de door
[eiser] als productie 4 overgelegde overeenkomst (hierna aan te duiden als:
de franchiseovereenkomst).
Deze franchiseovereenkomst is aangegaan voor vijf jaren, ingaande 31 januari 2013 en eindigende 30 januari 2018. Het door [eiser] als productie 5 overgelegde stuk genaamd “addendum feeverlaging” maakt deel uit van deze franchiseovereenkomst.

2.4.

De laatstelijk tussen partijen gesloten huurovereenkomst betreft de door
[eiser] als productie 6 overgelegde (onder)huurovereenkomst (hierna te noemen:
de huurovereenkomst).
Deze huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van vijf jaren, ingaande op
1 mei 2003 en eindigende op 31 januari 2008, met daarbij de mogelijkheid van verlenging met nog eens vijf jaren. De huurovereenkomst is hierna twee keer verlengd.
De huidige termijn loopt af op 31 januari 2018.

In artikel 10 lid 1 van de huurovereenkomst is bepaald dat het gehuurde uitsluitend bestemd is om te worden gebruikt als detailhandel in de vorm van de exploitatie van de
Bruna-formule met beperkte Postkantoor-baliefunctie en dat het huurder niet vrijstaat om zonder schriftelijke toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven.

2.5.

In de franchiseovereenkomst is onder meer het volgende vermeld over de looptijd, verlenging, opzegging en tussentijdse beëindiging van de franchiseovereenkomst.

Artikel 10. Looptijd
1. Deze overeenkomst is aangegaan met ingang van 31 januari 2013 voor vijf jaren
en zal mitsdien eindigen op 30 januari 2018.

2. Deze overeenkomst zal telkens met vijf jaren worden verlengd, tenzij één der
partijen met een opzegtermijn van tenminste twaalf kalendermaanden en derhalve
voor de eerste keer vóór 30 januari 2017, te kennen heeft gegeven van dit recht
geen gebruik te maken. (…).
3. Opzegging van de overeenkomst dient te geschieden bij aangetekend schrijven met
bericht van ontvangst of bij deurwaardersexploot.

Artikel 11. Tussentijdse beëindiging
1. In afwijking van het bij artikel 10 bepaalde zal FRANCHISEGEVER, mits hij een
opzegtermijn van tenminste negen maanden in acht neemt, de overeenkomst
schriftelijk kunnen beëindigen met ingang van de eerstvolgende 31 december,
indien de omzet van FRANCHISENEMER bij FRANCHISEGEVER in het jaar
voorafgaande aan dat, waarin werd opgezegd, beneden een nader door partijen vast
te stellen en in de handleiding geregeld geldbedrag of index is komen te liggen.

2. De in het vorige lid bedoelde opzegging zal slechts dan tot beëindiging kunnen leiden,
indien FRANCHISEGEVER daarbij een verklaring overlegt, waaruit blijkt dat de in het
vorige lid bedoelde omzetindex van FRANCHISENEMER meer dan het blijkens het vorige
lid maximaal toegelaten aantal punten bij die van het totaalgemiddelde is achtergebleven.

(…)

In artikel 7 lid 11 en 12 van de franchiseovereenkomst is verder nog het volgende bepaald:

11. Partijen komen hierbij expliciet overeen dat deze franchise-overeenkomst middels
enkele schriftelijke kennisgeving van de zijde van FRANCHISEGEVER met onmiddelijke
ingang rechtsgeldig geëindigd kan worden indien en zodra de huurovereenkomst tussen
partijen rechtsgeldig geëindigd is onafhankelijk van de oorzaak van laatstgenoemd einde.
Evenzo zal ook de huurovereenkomst middels enkele schriftelijke kennisgeving van de
zijde van FRANCHISEGEVER met onmiddellijke ingang rechtsgeldig geëindigd kunnen
worden indien en zodra de tussen partijen gesloten franchise-overeenkomst rechtsgeldig
geëindigd is onafhankelijk van de oorzaak van laatstgenoemde einde.
12. Indien FRANCHISEGEVER verhuurder is en (onder)verhuurt aan FRANCHISENEMER
(…) zal FRANCHISENEMER medewerking verlenen aan het verzoek dat
FRANCHISEGEVER zal richten aan de kantonrechter tot verkrijging van goedkeuring ter
zake de afwijking van de wettelijke huurtermijnen alsmede de afwijkende mogelijkheid tot
beëindiging voor onroerend goed bedrijfsruimte ex. artikel 7.290 e.v. BW zoals bedoeld in
het voorgaande lid 11 van dit artikel. FRANCHISENEMER machtigt
FRANCHISEGEVER hierbij om mede namens FRANCHISENEMER de daartoe
strekkende procedures aanhangig te maken en de daartoe benodigde stukken in te dienen.
Indien deze goedkeuring onverhoopt door de kantonrechter geheel dan wel gedeeltelijk
mocht worden geweigerd, is FRANCHISENEMER gehouden alle medewerking te
verlenen aan FRANCHISEGEVER om alsnog te komen tot het in het vorige en het

onderhavige lid beoogde doel.

2.6.

In de huurovereenkomst is verder het volgende vermeld over de looptijd, verlenging en beëindiging daarvan.


Artikel 2. HUURPERIODE

1. Deze overeenkomst is aangegaan voor de periode ingaande op 1 mei 2003 en alzo
eindigende op 31 januari 2008

2. Na het verstrijken van de in lid 1 genoemde huurperiode wordt de overeenkomst telkens
verlengd met een periode van 5 jaar, tenzij huurder aan verhuurder (of vice versa)
tenminste 14 maanden voor het verstrijken van de betreffende huurperiode, derhalve voor
30 november 2006, en zo vervolgens, per aangetekend schrijven kennis heeft gegeven dat
hij verlenging niet wenst. Huurbeëindiging kan plaatsvinden per telefax, mits zulks wordt
bevestigd per aangetekende brief of deurwaardersexploit binnen een week nadat de
desbetreffende telefax is verzonden.

Artikel 21 EINDE VAN DE HUUR
(…)
5. Partijen komen hierbij expliciet overeen dat deze huurovereenkomst door middel
van enkele schriftelijke kennisgeving van de zijde van Bruna met onmiddellijke
ingang geëindigd kan worden indien en zodra de franchise-overeenkomst tussen
partijen geëindigd is onafhankelijk van de oorzaak van laatstgenoemd einde. Evenzo zal
ook de franchiseovereenkomst middels enkele schriftelijke kennisgeving van de zijde van
Bruna met onmiddellijke ingang geëindigd kunnen worden indien en zodra de tussen
partijen gesloten huurovereenkomst geëindigd is onafhankelijk van de oorzaak van
laatstgenoemd einde.

6. Huurder zal medewerking verlenen aan het verzoek dat verhuurder zal richten aan de
kantonrechter tot verkrijging van goedkeuring terzake de afwijking van de wettelijke
huurtermijnen voor onroerend goed bedrijfsruimte ex. artikel 1624 e.v. BW zoals bedoeld
in het voorgaande lid 5 van dit artikel. Huurder machtigt verhuurder hierbij om mede
namens huurder de daartoe strekkende procedures aanhangig te maken en de daartoe
benodigde stukken in te dienen.

2.7.

De kantonrechter te ’s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 23 mei 2003,

op verzoek van Bruna en [eiser] goedgekeurd:
- de in de tussen partijen op 2 mei 2003 gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de
onroerende zaak aan de [adres] te [vestigingsplaats] in de artikelen 2 en 21 lid 5 en 6
opgenomen afwijkende bedingen,
- de in de tussen partijen op 2 mei 2003 gesloten franchiseovereenkomst met betrekking tot
de onroerende zaak aan de [adres] te [vestigingsplaats] in artikel 7 lid 11 en 12 opgenomen
afwijkende bedingen.

De in artikel 7 lid 11 en 12 in de franchiseovereenkomst opgenomen bedingen luidde daarbij, blijkens de beschikking, als volgt:

11. Partijen komen hierbij expliciet overeen dat deze franchise-overeenkomst middels enkele
schriftelijke kennisgeving van de zijde van franchisegever met onmiddellijke ingang
geëindigd kan worden indien en zodra de huurovereenkomst tussen partijen geëindigd is
onafhankelijk van de oorzaak van laatstgenoemd einde. Evenzo zal ook de
huurovereenkomst middels enkele schriftelijke kennisgeving van de zijde van
franchisegever met onmiddellijke ingang geëindigd kunnen worden indien en zodra de
tussen partijen gesloten franchise-overeenkomst rechtsgeldig geëindigd is onafhankelijk
van de oorzaak van laatstgenoemd einde.

12. Indien franchisegever verhuurder is en (onder)verhuurt aan franchisenemer en
franchisenemer (onder)huurt van franchisegever zal franchisenemer medewerking verlenen
aan het verzoek dat franchisegever zal richten aan de kantonrechter tot verkrijging van
goedkeuring ter zake de afwijking van de wettelijke huurtermijnen voor onroerend goed
bedrijfsruimte ex artikel 1624 e.v.. BW. zoals bedoeld in het voorgaande lid 11 van dit
artikel. Franchisenemer machtigt franchisegever hierbij om mede namens franchisenemer
de daartoe strekkende procedures aanhangig te maken en de daartoe benodigde stukken in
te dienen.
2.8. Bij brief van 23 december 2016 heeft de advocaat van Bruna onder meer het volgende aan [eiser] geschreven:

(…)
Uit hoofde van geleverde zaken en/of verrichte diensten bent u aan cliënte met als peildatum
“21 december 2016” verschuldigd een bedrag ad € 80.738,66 in hoofdsom volgens bijgevoegde specificatie.

Voornoemd bedrag dient vermeerderd te worden met een vertragingsrente, te berekenen over de hoofdsom gelijk aan 1,5% per maand, alsmede een vergoeding voor administratiekosten, gelijk aan 1% per maand, onmiddellijk opeisbaar indien en zodra de betreffende vordering ontstaat, alles ingevolge artikel 5.2 en 5.3 in de franchiseovereenkomst.

Namens cliënte nodig ik u uit, en voor zover nodig sommeer ik u daartoe, voornoemd bedrag ad
€ 80.738,66 binnen 30 dagen na heden op het aan u bekende rekeningnummer van cliënte betaald te hebben.

Bij gebreke van voldoening aan het voorgaande stel ik u namens cliënte aansprakelijk voor alle door haar geleden en nog te lijden schade en behoud ik mij het recht voor zonder nadere aankondiging over te gaan tot het nemen van rechtsmaatregelen en is in ieder geval een onmiddellijke leveringsstop aan de orde. (…).

2.9.

Op verzoek van Bruna heeft de deurwaarder bij exploot van 27 januari 2017 aan [eiser] betekend een brief van 27 januari 2017 van de advocaat van Bruna waarin het volgende is vermeld:

“Namens cliënte, (…) BRUNA (…), bericht ik u als volgt:

Namens cliënte zeg ik hierbij de franchiseovereenkomst en dientengevolge ook de onderhuurovereenkomst op met ingang van 31 januari 2018 en 1 februari 2018, althans tegen de eerst mogelijke datum. (…).”

Een reden voor beëindiging wordt in deze brief niet genoemd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis ter zitting en samengevat – dat
Bruna bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt:
a) verboden om zich te beroepen op de effecten van haar opzeggingen van 27 januari 2017
ter zake van de franchise- en (onder)huurovereenkomst, op straffe van een dwangsom,
b) geboden over te gaan tot integrale en deugdelijke nakoming van de franchise- en
(onder)huurovereenkomst, ook na 30 januari 2018 en tot aan het moment dat deze
overeenkomsten alsnog rechtsgeldig zijn geëindigd, op straffe van een dwangsom,
c) verboden om een leveringsstop jegens [eiser] door te voeren dan wel anderszins
een beroep op artikel 12.3 FO te doen dat daarmee feitelijk gelijk staat, op straffe van
een dwangsom,
d) geboden om tot deugdelijke en tijdige nakoming van artikelen 3.1. en 3.2. FO over te
gaan, inhoudende dat zij verplicht is bestellingen van [eiser] te accepteren en
deze zo snel als mogelijk uit te leveren, op straffe van een dwangsom,
e) verboden een beroep te doen op het beëindigen van de bestaande kredietfaciliteit en
terstond betaling van de faciliteit bij [eiser] op te eisen, op straffe van een
dwangsom,
f) geboden de bestaande kredietfaciliteit tussen van [eiser] en Bruna deugdelijk en
integraal na te komen door [eiser] in ieder geval een krediet van € 75.000,--
(inclusief btw) dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen krediet, te blijven
geven totdat de franchise- en (onder)huurovereenkomst alsnog rechtsgeldig zijn
geëindigd, op straffe van een dwangsom,
g) veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten te vermeerderen met wettelijke
rente.

3.2.

Bruna voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De vorderingen zoals weergegeven in 3.1. onder a en b
4.1. Vaststaat dat Bruna de franchiseovereenkomst met ingang van 31 januari 2018
en de huurovereenkomst met ingang van 1 februari 2018 heeft opgezegd.

4.2.

De voorzieningenrechter begrijpt op basis van de door [eiser] gegeven toelichting dat de vorderingen zoals weergegeven in 3.1. a en b in feite ertoe strekken dat Bruna wordt veroordeeld om deze overeenkomsten ook na de datum waartegen deze zijn opgezegd na dient te komen.

4.3.

[eiser] legt hieraan – kort gezegd – het volgende ten grondslag.

4.3.1.

De opzegging van de franchiseovereenkomst door Bruna heeft in de gegeven omstandigheden niet de beëindiging van deze overeenkomst tot gevolg, zodat de overeenkomst ook na de datum waartegen deze is opgezegd dient te worden nagekomen.
Er dient gelet op de gegeven omstandigheden een redelijke grond voor opzegging van de franchiseovereenkomst te zijn.


Het gaat daarbij onder meer om de volgende omstandigheden:
- er sprake van een langdurig en onafgebroken samenwerkingsverband tussen partijen van
vijfentwintig jaar,

- [eiser] is voor zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin afhankelijk van het
voortbestaan van de franchiseovereenkomst met Bruna en Bruna zal zijn winkel nagenoeg

gratis kunnen overnemen,
- [eiser] is 48 jaar oud en zal gelet op deze leeftijd en in combinatie met zijn ziekte
moeilijk ander werk kunnen vinden,

- uit de franchiseovereenkomst vloeit een zorgplicht voort die tot een zeer terughoudende

opstelling noopt als het gaat om de beëindiging van die overeenkomst. Een reële aanleiding

of noodzaak voor opzegging ontbreekt echter en opzegging staat haaks op de verplichting

van Bruna voortdurend bijstand te verlenen gericht op voortzetting van de exploitatie van

de onderneming van [eiser] ,
- [eiser] is al die jaren en nog steeds meer dan een voortreffelijke franchisenemer.
De vereiste redelijke grond is niet door Bruna gesteld en ook niet gebleken.
In de opzeggingsbrief wordt in het geheel geen reden voor opzegging van de franchiseovereenkomst gegeven.

4.3.2.

Ook de (onder)huurovereenkomst is niet rechtsgeldig opgezegd.
Dit om dezelfde reden als hiervoor ten aanzien van de franchiseovereenkomst is vermeld.
Daarnaast geldt dat de opzegging van de huurovereenkomst te laat is gedaan; op grond van het bepaald in artikel 2 van de huurovereenkomst had deze uiterlijk op 30 november 2016 moeten worden opgezegd, terwijl de opzegging pas op 27 januari 2017 is gedaan.
Verder had de huurovereenkomst op grond van artikel 2 van de huurovereenkomst per aangetekend schrijven moeten geschieden, en niet zoals in dit geval is gebeurd per deurwaardersexploot.
Ook is het nog zo dat Bruna in strijd met (semi) dwingend huurrecht heeft opgezegd, zodat de opzegging ook om die reden geen doel treft. Bruna heeft onder meer verzuimd om in haar opzeggingsbrief de wettelijk voorgeschreven opzeggingsgronden te benoemen, zodat haar opzegging op grond van artikel 7:294 BW nietig is.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende.

4.5.

Vooropgesteld wordt dat het aannemelijk is dat – zoals Bruna aanvoert – sprake is van een rechtsgeldige koppeling tussen de beëindiging van de franchiseovereenkomst en de huurovereenkomst.

In artikel 7 lid 11 en 12 van de franchiseovereenkomst (zie 2.5.) en artikel 21 lid 5 en 6 van de huurovereenkomst (zie 2.6.) is een koppeling tussen de beide overeenkomsten opgenomen, die er onder meer op neerkomt dat wanneer de franchiseovereenkomst eindigt ook de huurovereenkomst eindigt, ook indien dit in strijd zou zijn met de wettelijke bepalingen inzake de beëindiging van de huurovereenkomst.
Vaststaat dat de kantonrechter ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 23 mei 2003 goedkeuring heeft verleend aan de in artikel 21 lid 5 en 6 van de huurovereenkomst vermelde bedingen. Ook heeft hij zijn goedkeuring verleend aan de bedingen die in een tussen partijen in 2003 gesloten franchiseovereenkomst waren vermeld. De bedingen in de in de tussen partijen in 2003 gesloten franchiseovereenkomst (zoals weergegeven in 2.7. ) hebben dezelfde strekking als de bedingen zoals opgenomen in artikel 7 lid 11 en 12 van de franchiseovereenkomst (zie 2.5.). Het is daarom - mede gelet op de bestaande goedkeuring van het bepaalde in artikel 21 leden 5 en 6 van de huurovereenkomst - aannemelijk dat de kantonrechter desverzocht ook laatstgenoemde bedingen zal goedkeuren.

4.6.

Het is gezien het voorgaande aannemelijk dat wanneer de franchiseovereenkomst rechtsgeldig wordt beëindigd dit ook de beëindiging van de huurovereenkomst tot gevolg heeft. De (semi)dwingende bepalingen met betrekking tot het huurrecht staan daaraan niet in de weg. Evenmin de bepaling in de huurovereenkomst omtrent de in acht te nemen opzegtermijn.

Het is verder niet aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de huurovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd omdat deze opzegging gelet op het bepaalde in artikel 2 van de huurovereenkomst per aangetekend schrijven had moeten geschieden, en niet zoals in dit geval is gebeurd per deurwaardersexploot. De strekking van die bepaling is om te waarborgen dat de opzegging [eiser] bereikt.

4.7.

De franchiseovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaren, ingaande
31 januari 2013 en eindigende op 30 januari 2018. Bruna heeft met inachtneming van het bepaalde in artikel 10 lid 2 en 3 de franchiseovereenkomst opgezegd per 31 januari 2018.

4.8.

Het is aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat Bruna gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder de duur van de samenwerking tussen partijen
(25 jaar), een redelijke grond voor deze opzegging moet hebben en dat de opzegging geen effect zal hebben wanneer deze redelijke grond ontbreekt.

4.9.

Bruna heeft ter zitting duidelijk gemaakt dat de opzegging van de franchiseovereenkomst niet is ingegeven door de betalingsachterstand van [eiser] . De betalingsachterstand is met andere woorden geen grond voor de opzegging.

4.10.

Bruna heeft tijdens de mondelinge behandeling als grond voor de opzegging van
de franchiseovereenkomst aangevoerd dat zij grote twijfels heeft of [eiser] in staat zal zijn om de Bruna-winkel nog rendabel te kunnen exploiteren. [eiser] staat (vanwege zijn gezondheid) slechts één á twee dagen zelf in de winkel. Daardoor zijn de personeelskosten hoog. Andere franchisenemers staan fulltime in de winkel, waardoor hun kosten lager zijn en zij meer rendement uit de winkel kunnen halen, aldus het standpunt van Bruna.

4.11.

[eiser] betwist dat hij de Bruna-winkel niet rendabel kan exploiteren.

4.12.

Het is aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat het niet rendabel meer kunnen exploiteren van de Bruna-winkel een redelijke grond voor opzegging van de franchiseovereenkomst zal kunnen zijn. Het is in het kader van dit kort geding echter vooralsnog onduidelijk of daarvan sprake is.
Om dit te kunnen beoordelen is een nader onderzoek naar de feiten en mogelijk bewijslevering nodig. Daarvoor is in het kader van dit kort geding echter geen ruimte.
De bodemprocedure zal, wanneer deze voortvarend wordt opgestart (binnen vier weken) naar alle waarschijnlijkheid niet vóór 30 januari 2018 zijn afgerond.

Het belang van [eiser] om te voorkomen dat een onomkeerbare situatie ontstaat vóórdat de rechter in de bodemprocedure heeft geoordeeld, is voldoende onderbouwd. Met het oog op de te starten bodemprocedure is ook het spoedeisend belang voldoende gegeven. Daartegenover staat het vooralsnog onvoldoende zwaarwegende belang van Bruna dat tegen het treffen van een ordemaatregel pleit. De te treffen voorziening heeft immers niet het gevolg dat de overeenkomst geacht moet worden stilzwijgend te zijn aangegaan voor een nieuwe periode van vijf jaar. In het geval de bodemrechter aan de opzegging het door Bruna gewenste rechtsgevolg zal verbinden, treden derhalve geen onomkeerbare gevolgen voor Bruna in. Bruna heeft ter zitting nog wel aangevoerd dat zij verwacht dat [eiser] per december 2017 een verdere en ten opzichte van de courante voorraad en inventaris ontoelaatbare achterstand in zijn betalingsverplichtingen jegens Bruna zal laten ontstaan (genoemd werd een bedrag van € 100.000,-), maar dit is gemotiveerd betwist door [eiser] . De voorzieningenrechter wijst er op dat nieuwe feiten of omstandigheden waarmee in dit geding nog geen rekening kon worden gehouden later zo nodig tot een aanpassing van de voorziening aanleiding kunnen geven. Naar de huidige stand van zaken gemeten is er derhalve geen reden om af te zien van het treffen van een ordemaatregel, zodat de voorzieningenrechter daartoe zal overgaan. Bruna zal worden veroordeeld om ook na 30 januari 2018 de franchiseovereenkomst en de huurovereenkomst na te komen als ware deze nog tussen van partijen van kracht dit totdat de bodemrechter in eerste aanleg een eindbeslissing heeft genomen omtrent de rechtsgeldigheid van de opzegging door Bruna van de franchiseovereenkomst en de huurovereenkomst dan wel partijen daarover overeenstemming hebben bereikt. Hieraan zal dan nog de voorwaarde worden verbonden dat [eiser] binnen vier weken na de datum van dit vonnis de bodemprocedure aanhangig maakt. Ter vermijding van misverstanden bij partijen merkt de voorzieningenrechter nog op dat de ordemaatregel uiteraard slechts geldt tot de eindbeslissing van de bodemrechter in eerste aanleg, ongeacht of die beslissing kracht van gewijsde heeft gekregen.

Deze ordemaatregel zal niet worden verstrekt met een door Bruna te verbeuren dwangsom, aangezien Bruna tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard vonnissen van de rechter na te komen.

De vorderingen zoals weergegeven in 3.1. onder c en d
4.13. [eiser] baseert zijn vordering zoals weergegeven in 3.1. onder c en d – kort gezegd – op het volgende.
Bruna is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 en 2 van de franchiseovereenkomst belast met de inkoop van het assortiment die de franchisenemer bij haar bestelt en draagt ervoor zorg dat van alle assortimentsartikelen een door haar bepaalde standaard startvoorraad direct na binnenkomst aan franchisenemer wordt geleverd.

Bruna heeft in haar sommatiebrief van 23 december 2016 (zie 2.8.) aangekondigd dat wanneer [eiser] de daarin genoemde betalingsachterstand van € 80.738,66 niet binnen de in deze brief genoemde termijn van 30 dagen voldoet een onmiddellijke leveringsstop aan de orde is.

Bruna is daartoe evenwel niet bevoegd, omdat zij gelet op het bepaalde in artikel 12 lid 3 van de franchiseovereenkomst daartoe slechts bevoegd is indien sprake is van een toerekenbare tekortkoming van de franchisenemer, welke bestaat uit het geheel of gedeeltelijk onbetaald laten van aan franchisenemer geleverde goederen.
Er is echter geen sprake van een dergelijke toerekenbare tekortkoming van [eiser] . De betalingsachterstand betreft een aan [eiser] door Bruna verleend krediet, althans is niet (volledig) opeisbaar.

4.14.

Hierover wordt het volgende overwogen.
Vaststaat dat Bruna vooralsnog niet tot een leveringstop, als door haar was aangekondigd, is overgegaan en er zijn geen concrete aanknopingspunten door [eiser] aangevoerd op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat Bruna zijn bestellingen niet in behandeling neemt en niet zal uitleveren.
Bruna heeft verder tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij niet
tot een leveringstop zal overgaan, zolang de waarde van de courante voorraad van
voldoende dekking biedt voor zijn betalingsachterstand. Dit is op dit moment nog het geval. Er is geen aanleiding om eraan te twijfelen dat Bruna overeenkomstig deze verklaring zal handelen.

De vorderingen zoals weergegeven in 3.1. onder c en d zullen gezien het voorgaande worden afgewezen. Er is op dit moment immers onvoldoende concrete aanleiding daarvoor.


De vorderingen zoals weergegeven in 3.1. onder e en f
4.15. [eiser] legt aan zijn vorderingen zoals weergegeven in 3.1. onder e en f de stelling ten grondslag dat Bruna een kredietfaciliteit aan hem heeft verleend.
Bruna heeft dit gemotiveerd betwist. Er zijn onvoldoende concrete aanknopingspunten om in het kader van dit kort geding te kunnen concluderen dat het aannemelijk is dat Bruna aan [eiser] een kredietfaciliteit heeft verleend. De omstandigheid dat Bruna het toestaat dat [eiser] zijn betalingen niet op het overeengekomen tijdstip betaalt, maar op een later tijdstip en dat zij in verband met de vertraging van deze betaling aanspraak maakt op vertragingsrente waarvan de omvang contractueel is bedongen, is ontoereikend voor de conclusie dat Bruna een krediet aan [eiser] heeft verleend. Dat laat onverlet de vraag of Bruna tot onmiddellijke opeising van de achterstallige betalingen kan overgaan. Voor de beoordeling van de in dit geding geformuleerde vorderingen behoeft die vraag echter geen bespreking, teminder nu Bruna ter zitting heeft verklaard aan haar sommatie geen gevolg te hebben gegeven en op dit moment ook nog niet van plan te zijn daaraan gevolg te geven. De vorderingen zoals weergegeven in 3.1. onder en f zullen gezien het voorgaande worden afgewezen.

De proceskosten en nakosten

4.16.

Bruna zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,21

- griffierecht 287,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.188,21

4.17.

De verzochte nakosten zullen op de in de beslissing te noemen manier worden begroot.

4.18.

De over de proceskosten en nakosten gevorderde wettelijke rente zal op de in de beslissing te noemen manier worden toegewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Bruna bij wijze van ordemaatregel om ook na 30 januari 2018 de franchiseovereenkomst en de huurovereenkomst na te komen als ware deze nog tussen van partijen van kracht dit totdat de bodemrechter in eerste aanleg een eindbeslissing heeft genomen omtrent de rechtsgeldigheid van de opzegging door Bruna van de franchiseovereenkomst en de huurovereenkomst, dan wel partijen daarover overeenstemming hebben bereikt, en onder de voorwaarde dat [eiser] binnen vier weken na de datum van dit vonnis de bodemprocedure aanhangig maakt,

5.2.

veroordeelt Bruna in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.188,21, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Bruna, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel

6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag

van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de

vijftiende dag na betekening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg en in het openbaar uitgesproken op
19 april 2017.1

1 type: BvdG (4374) coll: