Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:2

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
C/16/407632 / HA ZA 16-40
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst payment platform. Koppeling licentie en onderhoudsverplichting? Bewijsopdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/370

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

Vonnis in gevoegde zaken van 4 januari 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/16/407632 / HA ZA 16-40 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ACHMEA B.V.,

gevestigd te Zeist,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.J. Kuipers te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde X] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh te Rotterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/16/412221 / HA ZA 16-235 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ACHMEA B.V.,

gevestigd te Zeist,

eiseres,

advocaat mr. J.J. Kuipers te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde Y] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Achmea, [gedaagde X] en [gedaagde Y] genoemd worden.

1 De procedure in de zaak 16-40

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie tevens akte vermindering eis in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie tevens akte vermindering eis in conventie

  • -

    de akte vermeerdering eis in reconventie

  • -

    de akte vermeerdering eis in conventie tevens antwoordakte in reconventie

  • -

    de herstelakte van [gedaagde X]

  • -

    de op 27 oktober 2016 gehouden pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken, waarbij Achmea haar eis in conventie heeft verminderd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de zaak 16-235

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    het vonnis in het voegingsincident

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de op 27 oktober 2016 gehouden comparitie van partijen en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken, waarbij Achmea haar eis heeft verminderd.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

Achmea is een verzekeraar. [gedaagde X] is een IT-dienstverlener en aanbieder van het [gedaagde X] Payment Platform (hierna: het Platform). [gedaagde Y] is een aan [gedaagde X] gelieerde vennootschap. Het concern waartoe Achmea behoort (hierna: de Achmea Groep) maakt voor het voeren van haar financiële administratie gebruik van het Platform. In dat verband hebben partijen een “overeenkomst inzake licentie en onderhoud [gedaagde X] Payment Platform” gesloten op 29 juni 2012 (hierna: de overeenkomst).

3.2.

De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 36 maanden, met de mogelijkheid voor Achmea om de termijn van de overeenkomst met één jaar te verlengen. Op 18 mei 2015 heeft Achmea gebruik gemaakt van dit contractuele recht. Vervolgens zijn partijen in onderhandeling getreden over voortzetting van de overeenkomst. Dit overleg heeft niet geresulteerd in overeenstemming over voortzetting. De overeenkomst is geëindigd per 17 juli 2016.

3.3.

Op 3 december 2015 heeft [gedaagde X] aan Achmea een factuur gestuurd voor de onderhoudsvergoeding voor het derde en vierde kwartaal van 2015 en het eerste kwartaal van 2016 voor een totaal bedrag van € 457.380,- (incl BTW). Achmea heeft dit bedrag op 3 december 2015 betaald op het rekeningnummer van [gedaagde Y] (conform instructie van [gedaagde X] ). Partijen zijn het erover eens dat deze betaling onverschuldigd heeft plaatsgevonden en dat daarmee verrekend dient te worden het bedrag dat Achmea daadwerkelijk verschuldigd is aan onderhoudsvergoedingen van het derde kwartaal van 2015 tot 17 juli 2016:
€ 177.577,29 (incl BTW).

3.4.

Achmea heeft [gedaagde X] bij brief van 11 december 2015 gesommeerd om het bedrag van € 457.380,- (eventueel onder verrekening met daadwerkelijk verschuldigde onderhoudsvergoedingen) uiterlijk 18 december 2015 aan haar te betalen. Achmea heeft [gedaagde Y] bij brief van 3 februari 2016 gesommeerd om het bedrag van € 457.380,- uiterlijk 9 februari 2016 aan haar te betalen.

4 Het geschil

in de zaak 16-40 in conventie

4.1.

Achmea vordert, samengevat en na achtereenvolgens vermindering, vermeerdering en vermindering van eis:

  1. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde X] tot betaling van € 279.802,71, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 18 december 2015;

  2. betaling van de wettelijke handelsrente over € 177.577,29 vanaf 18 december 2015 tot 25 mei 2016;

  3. [gedaagde X] te veroordelen in de redelijke en evenredige gerechtskosten van Achmea, thans begroot op € 30.027,55, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis;

  4. [gedaagde X] te veroordelen in de kosten van het geding, beslagkosten daaronder begrepen, inclusief de nakosten.

4.2.

[gedaagde X] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 16-235

4.4.

Achmea vordert samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagde Y] tot betaling van € 279.802,71, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 18 december 2015 en betaling van de wettelijke handelsrente over € 177.577,29 vanaf 18 december 2015 tot 25 mei 2016, en veroordeling in de kosten van het geding waaronder de nakosten.

4.5.

De rechtbank begrijpt de vermindering van eis ter gelegenheid van de comparitie van partijen zodanig dat Achmea heeft beoogd om ten aanzien van het onverschuldigd betaalde bedrag jegens [gedaagde Y] dezelfde vordering in te stellen als jegens [gedaagde X] .

4.6.

[gedaagde Y] voert verweer.

4.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 16-40 in reconventie

4.8.

[gedaagde X] vordert, samengevat en na achtereenvolgens vermindering, vermeerdering en herstel van vermeerdering van eis:

Primair

I. Achmea te veroordelen tot betaling van
a. € 12.904.650,- terzake additionele entiteiten;
b. € 177.577,29 terzake onderhoudsvergoeding;
van welke bedragen na verrekening met de door Achmea gedane betaling van
€ 457.380,- resteert een bedrag van € 12.624.847,29, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 december 2015;

Subsidiair

II. Achmea te veroordelen tot betaling van
a. € 6.316.200,- terzake ongeoorloofd gebruik door niet-Achmea entiteiten;
b. € 177.577,29 terzake onderhoudsvergoeding;
van welke bedragen na verrekening met de door Achmea gedane betaling van
€ 457.380,- resteert een bedrag van € 6.036.397,29;

Zowel primair als subsidiair

III. Voor recht te verklaren dat Achmea en alle met haar in één groep verbonden entiteiten per direct stopt / stoppen met het gebruikmaken van de licentie op verbeurte van een dwangsom;

IV. Te bepalen dat [gedaagde X] het door Achmea aan haar betaalde bedrag per 1 december 2015 mag verrekenen met de hiervoor genoemde vorderingen van [gedaagde X] ;

V. Opheffing van alle door Achmea gelegde conservatoire beslagen onmiddellijk na betaling aan Achmea uit hoofde van het in deze door de rechtbank te wijzen vonnis;

VI. Achmea te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de beslagkosten en nakosten.

4.9.

Achmea voert verweer.

4.10.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in de zaak 16-40 in conventie en in de zaak 16-235

De vordering tot betaling van € 279.802,71

5.1.

Tussen partijen staat vast dat Achmea het bedrag van € 457.380,- op 3 december 2015 onverschuldigd heeft betaald. Ook zijn partijen het erover eens dat met dit bedrag mag worden verrekend de onderhoudsvergoeding die Achmea nog verschuldigd is aan [gedaagde X] tot het einde van het contract, te weten € 177.577,29. Dit betekent dat de vordering van Achmea tot betaling van € 279.802,71 jegens [gedaagde X] toewijsbaar is. [gedaagde Y] heeft erkend dat zij hoofdelijk aansprakelijk is voor deze schuld. Ook jegens [gedaagde Y] is de vordering tot betaling van dat bedrag dus (hoofdelijk) toewijsbaar. [gedaagde X] heeft gesteld dat zij een aantal vorderingen op Achmea heeft die verrekend kunnen worden met de vordering van Achmea. De rechtbank zal die hierna bespreken.

in de zaak 16-40 in conventie en reconventie

Naheffing additionele participanten

5.2.

[gedaagde X] stelt dat het aantal daadwerkelijke participanten in het Platform per september 2015 2733 bedraagt, terwijl dat aantal in de overeenkomst is gemaximeerd op 600. Per additionele participant moet volgens de overeenkomst € 5.000 (excl BTW) worden betaald, zodat Achmea een bedrag van € 12.904.650,- (2133 additionele participanten x
€ 5.000,- + BTW) is verschuldigd, aldus [gedaagde X] .

Achmea stelt dat het in de overeenkomst gemaximeerde aantal participanten ziet op zogenaamde P-entiteiten en niet op alle participanten/entiteiten (P- en A-entiteiten). Het aantal P-entiteiten blijft ruim binnen het gestelde maximum van 600 zodat zij geen additionele vergoeding is verschuldigd aan [gedaagde X] .

5.3.

Beide partijen gaan ervan uit dat het begrip participanten is onder te verdelen in P-entiteiten en A-entiteiten. Achmea en [gedaagde X] geven een verschillende uitleg aan het begrip P-entiteit en A-entiteit. Achmea stelt dat een P-entiteit moet worden beschouwd als een verzameling van gebruikers van het Platform, die geautoriseerd zijn om voor een organisatieonderdeel van de Achmea Groep betalingen te verrichten. Een A-entiteit is volgens Achmea gekoppeld aan een gebruiker van het Platform die alleen geautoriseerd is om de dagafschriften van een organisatieonderdeel van de Achmea Groep in te zien. Voor elke gebruiker met een dergelijke autorisatie is volgens Achmea een afzonderlijke A-entiteit nodig. [gedaagde X] stelt daar tegenover dat een P-entiteit ziet op een organisatieonderdeel van de Achmea Groep dat via het Platform betalingen verricht. Vervolgens kunnen gebruikers van het Platform (Achmea-medewerkers) worden geautoriseerd om bijvoorbeeld betalingen te verrichten ten behoeve van deze P-entiteit. Voor elk bankrekeningnummer van alle organisatieonderdelen van de Achmea Groep is volgens [gedaagde X] een A-entiteit gemaakt zodat de gelden die voor al die onderdelen centraal binnenkomen op één rekeningnummer administratief herverdeeld kunnen worden naar het bankrekeningnummer van het organisatieonderdeel waarvoor het bedoeld is.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven welke uitleg als juist moet worden aanvaard. Ook als de uitleg van [gedaagde X] moet worden gevolgd, leidt dat namelijk tot het oordeel dat de vordering van [gedaagde X] wordt afgewezen. Dat wordt als volgt toegelicht.

5.4.

Onderdeel van de overeenkomst vormt onder andere bijlage 1 (Support Voorwaarden) met daarin, voor zover in dit kader relevant, de volgende bepalingen:

[…]

[…]

Verder staat in bijlage 3 (Dossier Financiële Afspraken) die behoort bij de overeenkomst de volgende bepaling:

[…]

[…]

[…]

5.5.

Achmea en [gedaagde X] verschillen van mening over de uitleg van het maximum van 600 dat is verbonden aan “Entities (participanten)” dat in de overeenkomst als inbegrepen geldt in het licentiebedrag. De rechtbank constateert met partijen dat de overeenkomst geen onderscheid maakt tussen P- en A-entiteiten en alleen een algemene definitie van participants inhoudt. De stelling van [gedaagde X] dat met entiteiten of participanten daarom bedoeld is alle entiteiten, zowel P- als A-entiteiten, kan echter niet zonder meer gevolgd worden. Ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen — zoals tot uitgangspunt kan worden genomen als het om een commerciële overeenkomst gaat, gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen — kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 5 april 2013, NJ 2013/214). Dit geldt temeer nu het taalgebruik in de overeenkomst in dit geval niet aansluit bij de onderverdeling in P- en A-entiteiten. Achmea heeft daarbij expliciet gewezen op de wijze waarop het afgesproken maximum van 600 entiteiten tot stand is gekomen. Zij heeft een mailwisseling van 27 en 28 maart 2012 overgelegd waarin tussen beide partijen overleg wordt gevoerd over de inhoud van de overeenkomst. Daarin wordt door [gedaagde X] geschreven:

“2. Beperking maximum entities.

a. Hoewel het een inrichtingsvraagstuk betreft geven we er de voorkeur aan toch de impact vooraf te bepalen en te maximeren.

[…]”

Waarop Achmea antwoordt:

“Om hier uit te komen stel ik voor het aantal entiteiten (P-entiteiten) die betalingsverkeer autoriseren te maximeren op 600.”

Waarna het antwoord van [gedaagde X] is: “Akkoord”

5.6.

Uit deze mailwisseling lijkt te volgen dat het maximum van 600 entiteiten dat uiteindelijk in de overeenkomst terecht is gekomen, alleen betrekking heeft op P-entiteiten. Ter zitting heeft de heer [A] , bestuurder van [gedaagde X] , verklaard dat deze mailwisseling inderdaad verklaart hoe partijen zijn gekomen tot het maximum van 600 entiteiten. Ook heeft hij verklaard dat als partijen in de aanloop naar de overeenkomst spraken over entiteiten, zij alleen spraken over P-entiteiten. Pas nadat de overeenkomst was gesloten en [gedaagde X] een start had gemaakt met de inrichting van het Platform, bleek dat het nodig was om -naast P-entiteiten- ook A-entiteiten aan te maken, aldus [A] . Die noodzaak vloeide voort uit de omstandigheid (die pas na het sluiten van de overeenkomst bekend werd aan [gedaagde X] ) dat alle betalingen ten gunste van de verschillende onderdelen van de Achmea Groep binnenkwamen op één rekeningnummer. Het was dus noodzakelijk om de betalingen via aan te maken A-entiteiten te geleiden naar het organisatieonderdeel waarvoor de betaling bedoeld is, zo begrijpt de rechtbank. Gelet op de mailwisseling en de verklaring van [A] staat vast dat toen partijen aangaande de inrichting van het Platform spraken over entiteiten, zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst daarmee alleen het oog hebben gehad op P-entiteiten. Achmea heeft dan ook, gegeven die omstandigheden, redelijkerwijs mogen begrijpen dat het in de overeenkomst vastgestelde maximum van 600 entiteiten alleen betrekking had op de P-entiteiten. Het argument van [gedaagde X] dat zij voor het aanmaken van A-entiteiten in het Platform, net als bij P-entiteiten, kosten moet maken zodat een redelijke uitleg meebrengt dat A-entiteiten op één lijn worden gesteld met P-entiteiten, gaat niet op. Indien zich, zoals zij (onbetwist) heeft gesteld, na het sluiten van de overeenkomst onvoorziene omstandigheden voordoen waardoor zij (veel) meer kosten moet maken voor de uitvoering van de overeenkomst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht, brengt dat niet met zich dat een begrip in de overeenkomst met terugwerkende kracht op een andere wijze moet worden uitgelegd dan partijen over en weer hebben mogen begrijpen. Die situatie kan er wel toe leiden dat [gedaagde X] een gerechtvaardigd beroep kan doen op (gedeeltelijke) vernietiging dan wel wijziging van de overeenkomst in verband met (wederzijdse) dwaling of onvoorziene omstandigheden. In dat geval had het echter op de weg van [gedaagde X] gelegen om kort nadat zij bekend werd met deze door haar onvoorziene omstandigheid, een en ander voor te leggen aan Achmea en in overleg te treden over een adequate voorziening. Dat heeft zij echter nagelaten. Vaststaat immers dat [gedaagde X] in 2012 al op de hoogte is geraakt van het feit dat het nodig was om een substantieel aantal A-entiteiten aan te maken en zij pas in 2015 voor het eerst deze kwestie aan de orde heeft gesteld.

5.7.

Dit betekent dat het maximum van 600 dat is verbonden aan “Entities (participanten)” in de overeenkomst ziet op P-entiteiten. [gedaagde X] kan haar vordering tot betaling van additionele participanten niet baseren op het feit dat Achmea dit maximum overschrijdt. Vaststaat dat het aantal P-entiteiten blijft binnen het afgesproken maximum. [gedaagde X] heeft geen andere grond voor haar vordering aangevoerd, zodat de vordering tot naheffing in verband met additionele participanten moet worden afgewezen en er in dit verband geen grond voor verrekening bestaat.

Ongeoorloofd gebruik licentie niet-Achmea entiteiten

5.8.

[gedaagde X] stelt dat Achmea het Platform gebruikt in strijd met de licentievoorwaarden die in de overeenkomst zijn afgesproken. Zij beroept zich op artikel 24.1 van de overeenkomst waarin staat dat de aan Achmea verleende licenties niet-sublicentieerbaar en niet-overdraagbaar zijn aan derden die niet tot de Achmea Groep behoren. Syntrus Achmea, een organisatieonderdeel van de Achmea Groep, verzorgt in strijd met deze bepaling via het Platform het betalingsverkeer voor pensioenfondsen die niet tot de Achmea Groep behoren, aldus [gedaagde X] . Achmea erkent dat Syntrus Achmea het Platform gebruikt om betalingen te verrichten en te ontvangen ten behoeve van pensioenfondsen die niet tot de Achmea Groep behoren, maar stelt dat dit tot de normale bedrijfsdoeleinden van Syntrus Achmea behoort. Dergelijk gebruik is volgens Achmea op grond van artikel 24.1 van de overeenkomst toegestaan.

5.9.

Artikel 24.1 van de overeenkomst waarop beide contractspartijen een beroep doen luidt als volgt:

Vaststaat dat de pensioenfondsen in kwestie niet tot de Achmea Groep behoren. Ook over de aard en omvang van het gestelde ongeoorloofde gebruik twisten partijen niet: het betreft betalingen die Syntrus Achmea via het Platform verricht en ontvangt ten behoeve van verschillende pensioenfondsen. Het enige dat partijen verdeeld houdt is de vraag of dit gebruik onder de overeenkomst als geoorloofd dan wel ongeoorloofd heeft te gelden. Met het gebruik van het Platform beogen partijen de Achmea Groep in staat te stellen om betalingen te verrichten en te ontvangen en op die manier het betalingsverkeer en de financiële administratie van de Achmea Groep te faciliteren. Syntrus Achmea is pensioenuitvoerder en [gedaagde X] heeft niet betwist dat de normale bedrijfsvoering van Syntrus Achmea eruit bestaat om de administratie en het betalingsverkeer van pensioenfondsen te verzorgen. Deze gebruikelijke bedrijfsactiviteiten bestonden al ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Gelet op het bepaalde in artikel 24.1 van de overeenkomst moet het gebruik van het Platform door Syntrus Achmea worden beschouwd als geoorloofd gebruik van de licentie. Partijen hebben immers met het sluiten van de overeenkomst expliciet beoogd om de normale bedrijfsuitoefening van de Achmea-onderdelen mogelijk te maken. Dat de gebruikelijke bedrijfsvoering van één van de organisatie-onderdelen van de Achmea Groep eruit bestaat dat zij het Platform gebruikt voor betalingen ten behoeve van organisaties die niet tot de Achmea Groep behoorden, doet daar niet aan af. In tegenstelling tot [gedaagde X] leest de rechtbank niet in artikel 24.1 in combinatie met artikel 1.9 en 1.10 (waarin de begrippen ‘Achmea Entiteit’ en ‘Achmea Groep’ zijn gedefinieerd) dat het Platform alleen gebruikt mag worden ten behoeve van tot de Achmea Groep behorende entiteiten. Uit de bepalingen volgt wel dat het Platform alleen gebruikt mag worden door onderdelen van de Achmea Groep, maar voor zover de normale bedrijfsdoeleinden bestaan uit het faciliteren van betalingsverkeer voor derden, is dat gebruik geoorloofd onder de overeenkomst. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [gedaagde X] dat zij bij het aangaan van de overeenkomst niet op de hoogte was (gesteld) van dit gebruik van het Platform door Syntrus Achmea. Achmea heeft in dat kader terecht gewezen op artikel 23.1 van de overeenkomst waarin [gedaagde X] verklaart zich in voldoende mate op de hoogte te hebben gesteld van de doelstellingen van Achmea met betrekking tot de overeenkomst.

De rechtbank concludeert dan ook dat aan [gedaagde X] geen vordering toekomt uit hoofde van ongeoorloofd gebruik van de licentie door niet-Achmea entiteiten. Het beroep op verrekening op die grond wordt afgewezen.

Verbod gebruik licentie na einde overeenkomst

5.10.

De overeenkomst tussen partijen is geëindigd per 17 juli 2016. [gedaagde X] stelt dat het Achmea alleen is toegestaan de licenties voor het Platform te blijven gebruiken zolang zij een onderhoudsovereenkomst heeft met [gedaagde X] . Nu de overeenkomst, waarin ook de onderhoudsverplichtingen zijn begrepen, is geëindigd moet Achmea het gebruik van het Platform per direct staken, aldus [gedaagde X] . Achmea stelt daar tegenover dat zij op basis van artikelen 2.1 en 3.3 van de overeenkomst een eeuwigdurende licentie voor het Platform heeft, die losstaat van een eventuele onderhoudsovereenkomst met [gedaagde X] .

5.11.

De bepalingen van de overeenkomst waarop partijen zich voor wat betreft deze kwestie beroepen, luiden als volgt:

[…]

[…]

[…]

5.12.

De rechtbank stelt vast dat de redactie van artikel 3.3 van de overeenkomst duidelijk is. Daaruit vloeit voort dat Achmea, ook na het einde van de overeenkomst, gebruik mag blijven maken van het Platform. De taalkundige uitleg van artikel 2.1 is echter een stuk minder duidelijk. Volgens [gedaagde X] volgt daaruit dat de licentie alleen mag worden gebruikt als er ook een onderhoudsovereenkomst met haar geldt. Achmea stelt dat artikel 2.1 zo moet worden begrepen dat de licentie niet alleen betrekking heeft op het initiële software programma, maar zich ook uitstrekt over de versies van het Platform na updates. De uitleg van artikel 2.1 zoals [gedaagde X] die voorstaat, legt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewicht in de schaal ten opzichte van de heldere bewoordingen en strekking van artikel 3.3. [gedaagde X] heeft echter, naast de door haar gestelde uitleg van artikel 2.1, ook aangevoerd dat deze kwestie een onderwerp van onderhandeling is geweest en dat partijen expliciet tot overeenstemming zijn gekomen over koppeling van de licentie aan de onderhoudsovereenkomst. In dat kader heeft zij een eerdere versie van artikel 3.3 van de overeenkomst overgelegd waarin staat:

“Indien de Overeenkomst op grond van dit Artikel wordt beëindigd of ontbonden, is Achmea gerechtigd de Programmatuur verder te blijven gebruiken, alleen indien er een onderhoudsovereenkomst afgesloten is met [gedaagde X] .”

Volgens [gedaagde X] stond Achmea erop dat artikel 3.3 zou worden gewijzigd naar haar huidige vorm, waarbij de waarborg dat het gebruik van de licentie gekoppeld zou zijn aan de onderhoudsverplichting werd opgenomen in artikel 2.1. [gedaagde X] heeft ter verdere onderbouwing van haar stelling een mail van Achmea van 23 maart 2012 overgelegd waarin Achmea het volgende schrijft:

“Hij was, net als ik, een verrast dat er geen perpetual licenties worden verleend, dit hadden wij eerder niet zo begrepen. Het lijkt me duidelijk dat Achmea niet zonder onderhoudsovereenkomst een zo’n cruciaal pakket zal laten draaien, dus daar hoeft [gedaagde X] niet bang voor te zijn. Wij willen wel graag vasthouden aan perpetual rechten.”

Ter zitting heeft de heer [A] van [gedaagde X] daarover verklaard dat [gedaagde X] de door haar gewenste koppeling tussen licentie en onderhoudsovereenkomst eerder, namelijk bij een contract met een ander bedrijf, niet goed had vastgelegd waardoor zij bij deze onderhandelingen erop gebrand was om een en ander sluitend af te spreken.

5.13.

Achmea heeft deze stellingen van [gedaagde X] gemotiveerd betwist. Zij betoogt dat zij zich niet kon vinden in een koppeling tussen de licentie en een onderhoudsverplichting en dat die koppeling (die in de eerdere versie van artikel 3.3 was opgenomen) daarom is losgelaten. Gelet op de gemotiveerde stellingen over en weer zal de rechtbank [gedaagde X] opdragen haar stelling te bewijzen, conform het bewijsaanbod dat zij in dit verband heeft gedaan. Op [gedaagde X] rust de bewijslast van haar stelling. Zij stelt immers dat Achmea tekort schiet in de nakoming van de verplichtingen die voor haar (ook nog na het einde van de overeenkomst) uit de overeenkomst voortvloeien en beroept zich op de rechtsgevolgen daarvan.

5.14.

Indien [gedaagde X] het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dient zij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Indien [gedaagde X] het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dient zij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De rechtbank zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen. Partijen moeten bij de getuigenverhoren rechtsgeldig vertegenwoordigd aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben. De rechtbank verwacht dat het verhoor per getuige 60 minuten zal duren. Als [gedaagde X] verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.

5.15.

Indien [gedaagde X] slaagt in het aan haar opgedragen bewijs, dan komt vast te staan dat Achmea de licentie alleen mag blijven gebruiken als er een onderhoudsovereenkomst is gesloten met [gedaagde X] . Omdat zo’n onderhoudsovereenkomst niet (meer) bestaat, is het gevorderde verbod tot het gebruik maken van de licentie dan ook toewijsbaar. Indien [gedaagde X] niet slaagt in het aan haar opgedragen bewijs, is de door haar voorgestane uitleg van de overeenkomst niet komen vast te staan en is daarmee de grond aan haar vordering komen te ontvallen.

Overige vorderingen in reconventie

5.16.

[gedaagde X] heeft gevorderd dat de rechtbank bepaalt dat het door Achmea betaalde bedrag van € 457.380,- mag worden verrekend per 1 december 2015 met de vorderingen van [gedaagde X] . Deze vordering zal bij eindvonnis worden afgewezen. Voor zover deze vordering ziet op de door Achmea verschuldigde onderhoudsvergoedingen over de tweede helft van 2015 en de periode tot 11 juli 2016 (€ 177.577,29), heeft [gedaagde X] geen belang daarbij. Partijen zijn het er immers over eens dat die verrekening kan plaatsvinden en in conventie zal die verrekening ook worden toegepast. Voor het overige moet de vordering worden afgewezen omdat niet is gebleken dat [gedaagde X] nog enige geldvordering op Achmea heeft.

5.17.

[gedaagde X] heeft ten slotte gevorderd om de door Achmea gevorderde conservatoire beslagen op te heffen. [gedaagde X] heeft ter onderbouwing van deze vordering aangevoerd dat de vorderingen van Achmea in conventie moeten worden afgewezen, de conservatoire beslagen ten onrechte zijn gelegd en daarom moeten worden opgeheven. Uit de overwegingen in conventie blijkt dat de vorderingen van Achmea (grotendeels) worden toegewezen. Er is dus niet gebleken dat Achmea de conservatoire beslagen ten onrechte heeft gelegd. De vordering wordt dan ook afgewezen.

5.18.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

in de zaak 16-235

5.19.

Gelet op de voorgaande overwegingen komt de rechtbank in de zaak tussen Achmea en [gedaagde Y] tot een eindbeslissing en veroordeelt zij [gedaagde Y] hoofdelijk tot betaling van
€ 279.802,71.

Wettelijke handelsrente

5.20.

Achmea vordert dat het bedrag van € 279.802,71 zal worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 18 december 2015. Zij heeft echter niet onderbouwd wat de grondslag is voor betaling van de wettelijke handelsrente. Er was destijds tussen Achmea en [gedaagde X] weliswaar sprake van een handelsovereenkomst, maar de betaling in kwestie betreft niet de betaling van een factuur of een gelijkwaardig verzoek tot betaling (zie HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:339), maar een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling. De rechtbank zal dan ook de vordering tot betaling van de wettelijke handelsrente afwijzen en in plaats daarvan de daarin begrepen vordering tot betaling van wettelijke rente ex artikel 6:119 BW toewijzen vanaf het moment van verzuim van [gedaagde X] . De verplichting tot betaling van [gedaagde Y] betreft immers een hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld van [gedaagde X] jegens Achmea. Gelet op de sommatie bij brief van 11 december 2015 betreft de datum van verzuim 19 december 2015. Daarnaast vordert Achmea betaling van de wettelijke handelsrente over € 177.577,29 vanaf 18 december 2015 tot 25 mei 2016, de datum waarop volgens Achmea [gedaagde X] zich (in de conclusie van dupliek in conventie) op verrekening heeft beroepen. De rechtbank zal betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW toewijzen over € 177.577,29 vanaf 19 december 2015 op dezelfde gronden als hiervoor beschreven. De wettelijke rente over dat bedrag zal worden toegewezen tot 9 maart 2016, de datum van de conclusie van antwoord in conventie in de zaak 16-40, nu [gedaagde X] zich daarin ondubbelzinnig op verrekening heeft beroepen.

5.21.

[gedaagde Y] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld. Voor het tarief van salaris advocaat gaat de rechtbank uit van de vordering na vermindering, tevens het toegewezen bedrag. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op:

- dagvaarding € 83,96

- betaald griffierecht € 3.903,00

- salaris advocaat € 4.000,00 (2,0 punt × tarief € 2.000,00)

Totaal € 7.986,96

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 16-40

6.1.

draagt [gedaagde X] op om te bewijzen dat partijen zijn overeengekomen dat, als de overeenkomst eindigt, Achmea de licentie voor het Platform alleen mag blijven gebruiken als er een onderhoudsovereenkomst is afgesloten met [gedaagde X] ,

6.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 januari 2017 voor uitlating door [gedaagde X] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

6.3.

bepaalt dat [gedaagde X] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

6.4.

bepaalt dat [gedaagde X] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met maart 2017 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. H.A. Brouwer in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1,

6.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

6.7.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in de zaak 16-235

6.8.

veroordeelt [gedaagde Y] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Achmea te betalen een bedrag van € 279.802,71 (tweehonderdnegenenzeventig duizendachthonderdtwee euro en éénenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 19 december 2015 tot de dag van volledige betaling,

6.9.

veroordeelt [gedaagde Y] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Achmea te betalen de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van € 177.577,29 (honderdzevenenzeventig duizend vijfhonderdzevenenzeventig euro en negenentwintig eurocent) met ingang van 19 december 2015 tot 9 maart 2016,

6.10.

veroordeelt [gedaagde Y] in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 7.986,96,

6.11.

veroordeelt [gedaagde Y] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.12.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de onder 6.8 tot en met 6.11 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, mr. R.A. Steenbergen en mr. G. van de Beek en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2017.1

1 type: HAB (4727) coll: