Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1990

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-04-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
16/652706-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs en het in bezit hebben van aanzienlijke hoeveelheden harddrugs. Toen hij ter zake van deze feiten werd aangehouden, heeft hij zich tegen die aanhouding verzet.

de rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling straf-, familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/652706-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 april 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1995] te [geboorteplaats]

wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] , [adres]

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting/terechtzittingen van 6 april 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie en van hetgeen verdachte en mr. D.N.A. Brouns, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 in de periode van 1 maart 2016 tot en met 20 september 2016 in Amersfoort samen met anderen in harddrugs heeft gehandeld;

feit 2 op 20 september 2016 in Amersfoort harddrugs in zijn bezit heeft gehad;

feit 3 zich op 20 september 2016 in Amersfoort heeft verzet tegen zijn aanhouding;

feit 4 in de periode van 7 december 2016 tot en met 8 december 2016 in Amersfoort een navigatiesysteem uit een auto heeft gestolen, dan wel (subsidiair) in de periode van 7 december 2016 tot en met 10 december 2016 dit navigatiesysteem heeft geheeld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op (ten aanzien van de feiten 1 en 2) de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2017, de diverse processen-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , de onder verdachte aangetroffen harddrugs, de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en de gegevens verkregen uit het onderzoek naar de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] . Dat verdachte onder de naam “ [bijnaam] ” samenwerkte met zijn medeverdachte onder de naam “ [bijnaam] ” volgt voorts uit de verklaringen van getuige [getuige 3] en een sms-bericht uit een onder de medeverdachte in beslag genomen telefoon (pagina 89). Ten aanzien van feit 3 baseert hij zich op het door de betreffende verbalisant opgemaakte proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting. Ten aanzien van feit 4 primair baseert hij zich op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en met name de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar ter terechtzitting overgelegde pleitnota ten aanzien van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde bepleit dat, op basis van het dossier en ter terechtzitting afgelegde van verdachte, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte gedurende enkele weken voor zijn aanhouding cocaïne en MDMA heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt en op 20 september 2016 aanwezig heeft gehad.

Het dossier bevat geen enkel steunbewijs voor de verdenking dat verdachte over een langere periode in cocaïne en MDMA heeft gehandeld en dat verdachte over de gehele periode ook zou hebben gehandeld in heroïne, crack en amfetamine. Daarbij blijft onduidelijk wat de vaste bijnaam van verdachte was, nu de getuigen daarover wisselend verklaren.

Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van de periode voor zover deze langer is dan enkele weken voor zijn aanhouding en van de handel in heroïne, crack en amfetamine.

De verdediging heeft voorts bepleit dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de onder 3, 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Verdachte dient te worden vrijgesproken van deze feiten. De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd:

ten aanzien van feit 3

Gelet op het dossier en de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, is er geen sprake van het zich opzettelijk verzetten tegen een aanhouding van een ambtenaar.

ten aanzien van feit 4

Het dossier bevat geen enkel steunbewijs waaruit blijkt dat verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij de diefstal van het navigatiesysteem. Voorts is de tijdspanne tussen de diefstal en het aantreffen van het navigatiesysteem bij verdachte niet dusdanig dat daaruit afgeleid mag worden dat verdachte de diefstal heeft gepleegd.

Subsidiair wist verdachte noch had hij redelijkerwijs moeten vermoeden dat het navigatiesysteem van diefstal afkomstig was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

vrijspraak feit 4 primair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het navigatiesysteem heeft gestolen. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt voor betrokkenheid van verdachte bij deze diefstal. Het argument van de officier van justitie, dat het niet anders kan dan dat verdachte het navigatiesysteem gestolen heeft, gelet op de korte tijdspanne tussen het moment van de diefstal en het moment dat verdachte het navigatiesysteem voorhanden had, wordt verworpen. Uit het dossier blijkt dat het navigatiesysteem is gestolen tussen 7 en 8 december 2016, terwijl het navigatiesysteem pas op 10 december 2016 onder verdachte is aangetroffen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 4 primair ten laste gelegde.

Bewijsmiddelen feiten 1, 2 en 3 1

feit 1 en feit 2

Verdachte heeft verklaard dat hij op 20 september 2016 bij de woning aan de [adres] in [woonplaats] was om drugs te verkopen. Hij had een telefoon met het nummer [telefoonnummer] bij zich. Via dit telefoonnummer is een afspraak gemaakt voor de verkoop van de drugs. Tijdens de achtervolging heeft hij zijn tasje weggegooid. In dit tasje zaten harddrugs.2

Aan de in het tasje aangetroffen en in beslag genomen goederen is door de politie en het Nederlands Forensisch Instituut onderzoek verricht, uit het onderzoek volgt dat :

  • -

    het goed onder SINnummer AAKA4276NL, bestaande uit 20 wikkels wit poeder, in totaal 9,50 gram, cocaïne bevat;

  • -

    het goed onder SINnummer AAKA4275NL, een gripzakje met witpoeder, in totaal 5,50 gram, amfetamine bevat.34

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hoorden dat [getuige 1] verklaarde dat hij vaker drugs had gekocht bij de dealer die op 20 september 2016 bij de woning aan de [adres] te [woonplaats] kwam. De dealer maakte gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer] . In zijn telefoon zag hij dat dat ieder geval op 10 september 2016 was geweest. Eerder had hij ook contact gehad met deze dealer.5

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hoorden dat [getuige 2] , de bewoonster van de woning [adres] te [woonplaats] , verklaarde dat zij al een week of twee/drie contact had met de dealer die op 20 september 2016 bij haar woning kwam. Zij kocht altijd heroïne bij hem, verpakt in bolletjes. Zij kon hem bereiken onder telefoonnummer [telefoonnummer] .6

Uit onderzoek aan historische gegevens telefoonnummer [telefoonnummer] volgt dat er op 20 september 2016 contact is geweest tussen [getuige 2] en het door haar genoemde telefoonnummer [telefoonnummer] . Het nummer was in gebruik sinds 15 augustus 2016. In totaal hebben er met het telefoonnummer tot en met 20 september 2016 4010 contacten plaatsgehad. Uit de historische gegevens blijkt dat er veelvuldig korte gesprekken hebben plaatsgevonden met tegennummers die in gebruik zijn bij bekende harddrugsgebruikers.7 Vanaf 15 augustus 2016 tot en met 20 september 2016 heeft [getuige 1] 39 keer contact gehad met het telefoonnummer en [getuige 2] 23 keer.8

Bewijsoverweging

Verdachte heeft verklaard dat hij voor een andere persoon drugs verkocht en afleverde en van deze persoon de telefoon en de drugs kreeg als hij iets moest verkopen en daarna de telefoon weer teruggaf. De rechtbank acht dit niet aannemelijk.

Verdachte zich tot aan de terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen en is hij pas ter terechtzitting met deze verklaring gekomen. Verdachte wil geen naam noemen van de persoon van wie hij de telefoon en drugs zou hebben gekregen. Verdachte heeft daarmee geen enkel aanknopingspunt gegeven om nader onderzoek te kunnen uitvoeren naar deze door hem genoemde persoon. Bovendien volgt uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] dat zij verdachte aanwijzen als degene van wie zij vaker drugs hebben gekocht.

De rechtbank acht gelet op voornoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 15 augustus 2016 tot en met 20 september 2016 heeft gehandeld in cocaïne, heroïne en amfetamine en dat verdachte op 20 september 2016 de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheden cocaïne en amfetamine in zijn bezit had.

partiële vrijspraak feit 1

Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gedeald over de tenlastegelegde periode voor zover deze is gelegen voor 15 augustus 2016. De enige die verdachte in verband brengt met een eerder tijdstip is getuige [getuige 3] . Hij heeft verklaard dat hij verdachte vanaf het voorjaar 2016 kende en dat hij meerdere keren drugs heeft gekocht van verdachte. Hij heeft echter ook verklaard dat hij niet meer weet of dat was vanaf het voorjaar van 2016 of vanaf een later moment.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de ten laste gelegde periode voor zover deze ziet op 1 maart 2016 tot en met 14 augustus 2016.

Het dossier bevat voorts onvoldoende aanknopingspunten voor het medeplegen van de handel in harddrugs. De rechtbank zal verdachte derhalve ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

feit 3

Verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie, hield op 20 september 2016 op de [adres] te [woonplaats] een man staande. Verbalisant deelde de man mede dat hij van de politie was. Hij zag dat de verdachte schichtig om zich heen keek. Bij verbalisant ontstond het gevoel dat verdachte een vluchtweg zocht. Hij pakte de man bij zijn arm en voelde dat de man zich losrukte en hem duwde. Hij pakte de man om zijn nek. De man begon zich daarop hevig begon te verzetten.9 Verbalisant zei tegen de man dat hij aangehouden was. Hij voelde dat de man uit man en macht probeerde los te komen uit zijn greep. Uiteindelijk lukte het de man om los te komen en weg te rennen.10

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 20 september 2016 op de [adres] in [woonplaats] was. Hij kwam daar om drugs te verkopen. Hij werd ineens vastgepakt en er werd keihard “Politie” in zijn oor geschreeuwd. Vervolgens is hij weggerend.11

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte zich na zijn staandehouding verzette en vervolgens werd aangehouden. Het verzetten tegen de staandehouding heeft geen sterkere verdenking opgeleverd ter zake overtreding van de Opiumwet. De verbalisant heeft daarom niet gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten de aanhouding.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verbalisant [verbalisant 1] observeerde de woning van de hem bekende harddrugsgebruiker [getuige 2] . Door collega’s waren eerder meerdere waarnemingen gedaan van personen die voor korte bezoekjes aan de deur van [getuige 2] woning kwam. Nadat [verbalisant 1] rond het middaguur had gezien dat [getuige 2] naar een pinautomaat fietste en weer terugkeerde naar haar woning, zag [verbalisant 1] kort na elkaar twee andere harddrugsgebruikers het pand betreden. Kort daarop hoorde en zag hij een scooter de straat in rijden. Toen hij de bestuurder van de scooter (de rechtbank begrijpt: verdachte) aansprak en meedeelde dat hij van de politie was, zag hij dat de persoon schichtig om zich heen keek. Bij verbalisant [verbalisant 1] ontstond het gevoel dat de persoon een vluchtweg zocht. Daarop pakte hij de man stevig bij zijn arm beet. Toen de man zich vervolgens hevig verzette, deelde de verbalisant hem mede dat hij werd aangehouden en dat hij zijn verzet moest staken. De rechtbank ziet in deze aanleiding en omstandigheden – en met name in de reactie van verdachte op en het verzet tegen zijn staande houding – voldoende verdenking en derhalve acht zij verdachtes aanhouding rechtmatig. Gelet op de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank verdachtes verklaring dat hij ten tijde van deze aanhouding niet wist dat de man die hem vastpakte een politieagent was, niet aannemelijk. Het verzet van verdachte dat op de aanhouding volgde, is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als wederspannigheid.

De rechtbank acht mitsdien wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 20 september 2016 met geweld heeft verzet tegen zijn aanhouding.

feit 4 12

[aangeefster] heeft op 10 december 2016 aangifte gedaan van de diefstal van een navigatiesysteem in de periode van 7 en 8 december 2016.13 Op 10 december 2016 zag zij dat er een soortgelijk navigatiesysteem op Marktplaats te koop stond. Haar vriend [getuige 4] maakte een afspraak met de verkoper om elkaar die dag te ontmoeten in Amersfoort. Tijdens ontmoeting startte zij het navigatiesysteem op en zag dat het navigatiesysteem op haar thuisadres stond. [getuige 4] zou voor het navigatiesysteem € 60,-- moeten betalen. Normaal kostte het apparaat € 200,--. [getuige 4] en [aangeefster] maakten met de verkoper een afspraak om later die dag over te gaan tot de koop. De verkoper liet weten dat hij zijn broertje zou sturen, die zou wachten voor de Burger King in Amersfoort. [getuige 4] en [aangeefster] hadden vervolgens contact met de politie opgenomen.14

[getuige 4] zag dat de jongen die bij de Burger King stond een andere jongen was dan de jongen die hij eerder die dag had gezien en gesproken. De jongen hield een navigatiesysteem in zijn handen en hij herkende direct het navigatiesysteem dat hij eerder die dag had gezien.15 De jongen werd daarop door de politie aangehouden.16

Verdachte heeft verklaard dat hij op 10 december 2016 op verzoek van [medeverdachte] een navigatiesysteem wilde verkopen. De verkoop zou plaats vinden voor de ingang van een Burger King in Amersfoort. Hij zou voor het navigatiesysteem € 60,00 ontvangen. Daarvan mocht hij van [medeverdachte] € 20,00 houden. Vervolgens werd hij daar aangehouden door de politie. 17

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het navigatiesysteem redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het van misdrijf afkomstig was.

De rechtbank overweegt daartoe dat het navigatiesysteem tegen een relatief laag bedrag op straat, zou worden verkocht. Verdachte zou voor zijn bemoeienis, die slechts enkele minuten tijd vergde, maar liefst een derde van de verkoopopbrengst mogen houden. Deze omstandigheden moesten voor verdachte voldoende aanleiding vormen om ten tijde van het voorhanden krijgen van het navigatiesysteem te vermoeden dat het niet in de haak was. Ook het feit dat, zoals verdachte heeft verklaard, hij op verzoek van [medeverdachte] de verkoop ging doen omdat [medeverdachte] geen tijd zou hebben, had bij verdachte vragen moeten oproepen. Volgens verdachte had [medeverdachte] hem immers kort voor het met de kopers afgesproken tijdstip afgezet vlakbij de plaats van de verkoop.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1

in de periode van 15 augustus 2016 tot en met 20 september 2016 te Amersfoort, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, gebruikershoeveelheden cocaïne en/of heroïne en/of amfetamine, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 2

op 20 september 2016 te Amersfoort opzettelijk aanwezig heeft gehad 20 gebruikershoeveelheden cocaïne (te weten in totaal ongeveer 9,5 gram cocaïne) en ongeveer 5,5 gram amfetamine, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 3

op 20 september 2016 te Amersfoort zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , brigadier van politie Midden-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, ter zake een op de Opiumwet gebaseerde verdenking, door zijn arm los te rukken/trekken en/of die [verbalisant 1] te duwen en (vervolgens) aan zijn aanhouding te ontvluchten;

feit 4 subsidiair

hij op 10 december 2016 te Amersfoort, een goed, te weten een navigatiesysteem, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2 opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3 wederspannigheid;

feit 4 subsidiair schuldheling.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met het reclasseringsadvies, het feit dat verdachte zijn leven een positieve wending heeft gegeven en zijn opleiding heeft afgerond. De verdediging heeft bepleit aan verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in combinatie met een taakstraf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een deels voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs en het in bezit hebben van aanzienlijke hoeveelheden harddrugs. Toen hij ter zake van deze feiten werd aangehouden, heeft hij zich tegen die aanhouding verzet. Door te handelen in harddrugs is verdachte mede verantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaken. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs een gevaar oplevert voor de volksgezondheid en dat de handel daarin wordt omgeven door (overige) criminaliteit. Daarnaast heeft verdachte zich tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis schuldig gemaakt aan heling van een navigatiesysteem. Vermogensdelicten als heling houden de diefstal van goederen in stand en zorgen voor overlast en financiële schade bij de benadeelden. Verdachte heeft zich bij zijn handelen enkel en alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt geboden. De rechtbank heeft daarbij gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die als vertrekpunt van denken bij het dealen in harddrugs gedurende een periode van 1 tot 3 maanden uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Hoewel de rechtbank het de verdachte ernstig aanrekent dat hij zich tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft schuldig gemaakt aan schuldheling kent zij bij het bepalen van de (totaal)straf aan dit relatief lichtere misdrijf gering gewicht toe.

De rechtbank houdt met betrekking tot de persoon van verdachte bij de straftoemeting rekening met het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. Wel is verdachte eerder veroordeeld voor heling, gepleegd in december 2013. Deze veroordeling is onherroepelijk. De rechtbank ziet hierin evenwel geen aanleiding om van voornoemde oriëntatiepunten af te wijken.

Voorts heeft de rechtbank gelet op een de verdachte betreffend advies van Reclassering Nederland van 4 april 2017. Verdachte lijkt na zijn aanhouding een ommekeer te hebben gemaakt. Zo zou verdachte afstand hebben genomen van verkeerde vrienden, zijn diploma hebben behaald, zijn schulden grotendeels hebben afbetaald en beter contact met zijn familie hebben. Het beeld dat verdachte zijn leven in positieve zin veranderd zou hebben wordt bevestigd door referenteninformatie. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en een werkstraf.

De rechtbank acht het niet wenselijk dat verdachte opnieuw komt vast te zitten. Detentie van verdachte zou de door hem, tijdens zijn schorsing van de voorlopige hechtenis, ingezette positieve lijn doorkruisen en teniet kunnen doen. Dit is niet in het belang van verdachte en ook niet in het belang van de maatschappij.

De rechtbank ziet hierin wel aanleiding om (ten gunste van verdachte) van voornoemde oriëntatiepunten af te wijken. Zij zal daarom een groot deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en verdachte daarnaast een forse taakstraf opleggen.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en nu de rechtbank ten aanzien van feit 1 een fors kortere periode bewezen acht, wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 90 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 69 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, in combinatie met een taakstraf van 160 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 dagen hechtenis, passend en geboden is.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 180 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    10 van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder feit 4 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2 opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3 wederspannigheid;

feit 4 subsidiair schuldheling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot:

- een gevangenisstrafvan 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 69 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- een taakstraf van 160 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 80 dagen hechtenis;

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Straalen, voorzitter, mrs. J. Spee en R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 april 2017.

Mr. J. Spee is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2016 tot en met 20 september 2016 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (telkens) (een) gebruikershoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of heroïne en/of crack en/of MDMA en/of Amfetamine, in elk geval (telkens) een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of crack en/of MDMA en/of Amfetamine, zijnde (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

2

hij op of omstreeks 20 september 2016 te Amersfoort opzettelijk aanwezig, althans voorhanden, heeft gehad 20 gebruikershoeveelheden cocaïne (te weten, althans, in totaal ongeveer 9,5 gram cocaïne), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of ongeveer 5,5 gram MDMA en/of amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

3.

hij op of omstreeks 20 september 2016 te Amersfoort zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , brigadier van politie Midden-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, ter zake een op de Opiumwet gebaseerde verdenking, door zijn arm los te rukken/trekken en/of die [verbalisant 1] te duwen en/of (vervolgens) aan zijn aanhouding te ontvluchten;

art 180 Wetboek van Strafrecht

4. Primair

hij in of omstreeks de periode van 7 december 2016 tot en met 8 december 2016 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een personenauto, te weten een Ford Focus met kenteken [kenteken] , een navigatiesysteem, althans enig goed, heeft weggenomen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 7 december 2016 tot en met 10 december 2016 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, een goed, te weten een navigatiesysteem, althans een goed, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer MD31016005, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 290. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2017.

3 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, pagina 35-37.

4 Een geschrift te weten een rapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 29 september 2016, pagina 39; een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 108 tot en met 112.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 31.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 32.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 41.

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 43.

9 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] , pagina 11.

10 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] , pagina 12.

11 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2017.

12 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 22 december 2016, genummerd PL0900-2016381785***[pv-nummer], opgemaakt door politie ***[Midden-Nederland], doorgenummerd pagina 1 tot en met 60. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

13 Proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , pagina 4.

14 Proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , pagina 4.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , pagina 11.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , pagina 12.

17 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2017.