Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1935

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
11-05-2017
Zaaknummer
C/16/415885 / HA ZA 16-382
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering uit onrechtmatige daad. COV met 1 beherenden vennoot kent een afgescheidenn vermogen. De vordering behoort tot het vermogen van de vennootschap. Eiser heeft niet aangetoond dat hij de vordering voor zichzelf kan instellen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2017-0162
AR 2017/2443

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/415885 / HA ZA 16-382

Vonnis van 22 februari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. S. Maachi te Almere,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST UTRECHT-GOOI,

zetelend te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Belastingontvanger genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek met productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De commanditaire vennootschap [bedrijfsnaam] C.V. (hierna: [bedrijfsnaam]) is opgericht op 27 september 2011. Het handelsregister van de Kamer van Koophandel vermeldt:

als handelsnaam: [bedrijfsnaam];

als activiteit van de onderneming: Handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s (geen import van nieuwe);

als vennoot: [bedrijfsnaam], gevestigd in [vestigingsplaats], Verenigd Koninkrijk;

als gevolmachtigde: [eiser].

Volgens het handelsregister is er één commanditaire vennoot en bedraagt de inbreng een geldbedrag van € 500,00.

2.2.

[eiser] heeft als gevolmachtigde van de commanditaire vennootschap eind 2011 een Audi Q5 met het kenteken [kenteken] (hierna: de Audi) in Duitsland gekocht.

2.3.

Met ingang van 16 juli 2012 is de onderneming opgeheven.

2.4.

Op 4 september 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam

de Belastingontvanger verlof verleend voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van [bedrijfsnaam] op de Audi en de termijn voor het instellen van de hoofdzaak bepaald op vier weken. De Belastingontvanger heeft in het verzoekschrift vermeld dat [bedrijfsnaam] te weinig loonheffing en omzetbelasting heeft betaald en dat de Inspecteur het voornemen heeft een naheffing op te leggen van in totaal ongeveer € 20.000,00. Voorts vermeldt het verzoekschrift onder meer dat de Audi behoort tot het vermogen van [bedrijfsnaam].

2.5.

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd van in totaal € 14.465,00 in verband met loonheffingen over de periode 1 oktober 2011 tot en met 30 juni 2012, vermeerderd met heffingsrente (aanslagnummer 20121821000002), hierna de naheffingsaanslag.

2.6.

Op 18 september 2012 is een bestuurder van de Audi, de heer [A], door de politie aangehouden omdat het kenteken niet te naam was gesteld. De politie heeft de auto in beslag genomen. De Belastingontvanger is van deze in beslagname op de hoogte gesteld. De Audi is overgedragen aan de Belastingdienst. De Belastingontvanger heeft evenwel niet op de Audi het conservatoir beslag gelegd waarvoor het verlof was verleend.

2.7.

Bij beschikking van 20 februari 2013 heeft de Belastingontvanger aan [bedrijfsnaam] uitstel van betaling verleend voor de naheffingsaanslag van € 14.465,00. Deze beschikking vermeldt: “U heeft op 11/8/2012 uitstel van betaling gevraagd.”

2.8.

Op 7 november 2013 heeft de Belastingontvanger executoriaal beslag laten leggen op de Audi. Het proces-verbaal van beslaglegging vermeldt een verschuldigd bedrag van in totaal € 6.238,00 en de nummers van de dwangbevelen waarop het executoriaal beslag betrekking heeft. Dit betrof een andere belastingschuld van [bedrijfsnaam] dan de hiervoor onder 2.7 genoemde belastingschuld waarvoor uitstel van betaling was verleend.

2.9.

Op 14 december 2013 heeft [eiser] namens [bedrijfsnaam] bezwaar gemaakt tegen de in het proces-verbaal van beslaglegging genoemde aanslagen.

2.10.

Op 21 februari 2014 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de Belastingontvanger en [eiser]. In een brief van 4 maart 2014 heeft de Inspecteur een onderbouwing gegeven van de naheffingsaanslag. Bij brief van 27 maart 2014 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Op 9 oktober 2014 heeft de Belastinginspecteur een rapport opgemaakt van het verrichte boekenonderzoek. Bij besluit van 16 oktober 2014 heeft de Inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 2.972,00.

2.11.

Nadat een bedrag van € 7.500,00 aan de Belastingdienst is voldaan, heeft de Belastingdienst de Audi op 7 november 2013 vrijgegeven.

2.12.

Bij besluit van 13 juli 2015 heeft de Staatssecretaris van Financiën een verzoek van [eiser] tot schadevergoeding afgewezen. Bij besluit van 26 januari 2016 heeft de Staatssecretaris van Financiën meegedeeld dat er geen aanleiding is het besluit tot afwijzing te herzien.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, voor recht verklaart dat de Belastingontvanger onrechtmatig ten opzichte van hem heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door [eiser] geleden en nog te lijden schade en de Belastingontvanger bij wijze van schadevergoeding veroordeelt tot betaling van € 37.844,70, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, vermeerderd met wettelijke rente op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat hij daarmee in gebreke bijft, met veroordeling van de Belastingontvanger in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Belastingontvanger ten onrechte beslag heeft gelegd op de Audi en daarmee onrechtmatig ten opzichte van hem heeft gehandeld. [eiser] stelt daartoe dat de hoogte van de te verhalen vordering van de Belastingontvanger uiteindelijk slechts € 2.972,00 bedroeg, terwijl de Audi een waarde van € 53.188,00 vertegenwoordigde. Volgens [eiser] is hij door het gelegde beslag onevenredig in zijn belang gtroffen. Voorts stelt [eiser] dat de Belastingontvanger het beslag lichtvaardig heeft gelegd of onnodig heeft gehandhaafd. Hij stelt daartoe dat ten tijde van de beslaglegging nog niet was beslist op zijn verzoek om uitstel van betaling en dat de belastingdienst heeft verzuimd in het beslagrekest te vermelden dat er uitstel van betaling was verleend. Verder stelt [eiser] dat de Belastingontvanger in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, omdat hij hem pas op 4 maart 2014 in kennis heeft gesteld van de onderbouwing van de aanslag die reeds op 10 september 2012 was opgelegd en vervolgens pas op 16 oktober 2014 een beslissing op bezwaar heeft genomen. Indien de Belastingontvanger op tijd adequaat en inhoudelijk duidelijkheid had gegeven, dan had [eiser] veel eerder bezwaar kunnen maken en de aanslagen (gedeeltelijk) kunnen laten vernietigen. Volgens [eiser] had hij in dat geval de restant aanslag van € 2.972,00 meteen voldaan. Het schadebedrag van € 37.844,70 + pm heeft [eiser] als volgt gespecificeerd:

- proces- en advocaatkosten € 9.464,70 + pm

- kosten rijklaar maken van de auto € 400,00

- waarde vermindering van de auto gedurende het beslag € 37.844,70 + pm

3.3.

De Belastingontvanger voert verweer. De Belastingontvanger betoogt primair dat geen sprake is van een onrechtmatige daad ten opzichte van [eiser], omdat de Audi niet aan hem toebehoorde maar aan [bedrijfsnaam]. Het verlof betrof conservatoir beslag ten laste van [bedrijfsnaam] en het gelegde executoriaal beslag betrof de belastingschuld van [bedrijfsnaam]. [eiser] was slechts de gevolmachtigde van [bedrijfsnaam]. Subsidiair betwist de Belastingontvanger dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. De enige fout die hij heeft gemaakt is dat is verzuimd conservatoir beslag te leggen op de auto na in beslagname door de politie op 18 september 2012. De naheffingsaanslag van 10 september 2012 bedroeg € 14.465,00. Zonder de gemaakte fout zou dan ook op of kort na 19 september 2012 conservatoir beslag zijn gelegd op de auto. De Belastingontvanger heeft de hoogte van de gestelde schade gemotiveerd betwist.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het meest verstrekkende verweer van de Belastingontvanger is dat [eiser] de vordering niet op eigen naam heeft kunnen instellen, omdat het een vordering van [bedrijfsnaam] betreft. Dit betoog slaagt op grond van de hierna volgende overwegingen.

4.2.

Uit het handelsregister (zie hiervoor in 2.1) blijkt dat [bedrijfsnaam] de beherende (‘gewone’) vennoot is en dat er één commanditaire vennoot is. De geldelijke inbreng van de commanditaire vennoot bedraagt € 500,00. [eiser] wordt genoemd als de gevolmachtigde van de vennootschap.

4.3.

In de conclusie van repliek heeft [eiser] naar voren gebracht dat hij als commanditaire vennoot en als gevolmachtigde verbonden is geweest aan [bedrijfsnaam] en dat hij de Audi heeft bekostigd uit zijn privévermogen, in zijn hoedanigheid van aandeelhouder c.q. stille vennoot van [bedrijfsnaam], zodat hij uiteindelijk in zijn privévermogen is geschaad door de beslaglegging.

4.4.

Uit het arrest van 14 maart 2003, ECLI:NLHR:2003:AF4593 blijkt dat ook een commanditaire vennootschap met één beherende vennoot een van het privévermogen van de vennoten afgescheiden vermogen kent. Dat betekent dat de beherend vennoot niet voor zichzelf op eigen naam een vordering te gelde kan maken die tot het vermogen van de vennootschap behoort. Hieruit volgt dat zolang de commanditaire vennootschap bestaat, de vordering namens haar moet worden ingesteld door de beherend vennoot (als zodanig) en dat na de ontbinding van de vennootschap de vordering moet worden ingesteld door de vereffenaar. Slechts indien zou blijken dat de vordering in het kader van de vereffening en verdeling is geleverd aan de beherend vennoot, kan deze een vordering voor zichzelf instellen. Dit laatste is gesteld noch gebleken.

4.5.

Niet in geschil is dat de Audi tot het vermogen van [bedrijfsnaam] behoorde en dat het beslag is gelegd vanwege de belastingschuld van [bedrijfsnaam]. Als uitgangspunt heeft daarom te gelden dat het gaat om een vordering van de commanditaire vennootschap die door of namens de vennootschap moet worden ingesteld. Op [eiser] rust de last te stellen en zo nodig te bewijzen op welke gronden hij onder deze omstandigheden een zelfstandig vorderingsrecht heeft. Het enkele feit dat [eiser] de Audi heeft bekostigd uit zijn privévermogen, daargelaten de betwisting daarvan door de belastingontvanger, is daarvoor onvoldoende. Bovendien is zijn stelling dat hij deze auto heeft ingebracht in de commanditaire vennootschap niet in overeenstemming met de vermelding in het handelsregister dat de inbreng van de commanditaire vennoot bestaat uit een geldbedrag van € 500,00. Maar zelfs indien vast zou komen te staan dat [eiser] de Audi heeft ingebracht in de vennootschap, maakt deze inbreng deel uit van het afgescheiden vermogen van de commanditaire vennootschap.

4.6.

De suggestie van [eiser] dat er feitelijk geen sprake is van een commanditaire vennootschap, maar van een vennootschap onder firma, moet worden gepasseerd. Daargelaten de vraag of dit mogelijk is, zou hem dit niet baten nu ook een vennootschap onder firma een afgescheiden vermogen heeft.

4.7.

Gelet op het voorgaande heeft [eiser] onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat aan het vermeende onrechtmatige handelen door de Belastingontvanger een vordering uit onrechtmatige daad voor hemzelf kan worden ontleend. Het bewijsaanbod van [eiser] dat hij als stille vennoot was verbonden aan [bedrijfsnaam] en dat hij de Audi heeft bekostigd uit zijn privévermogen, passeert de rechtbank als niet ter zake dienend.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.

4.9.

Aan de vraag of de Belastingontvanger onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [bedrijfsnaam] komt de rechtbank niet toe.

4.10.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Belastingontvanger worden begroot op:

- griffierecht 1.929,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2 punt × tarief € 579,00)

Totaal € 3.087,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Belastingontvanger tot op heden begroot op € 3.087,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2017.1

1 type: SM 4183 coll: