Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1919

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-04-2017
Datum publicatie
11-05-2017
Zaaknummer
4969748 UC EXPL 16-5714
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pensioenrecht; artikel 16 en artikel 57 Pensioenwet in samenhang met toepasselijke pensioenreglement; toekenning bijzonder partnerpensioen ongehuwd samenwonenden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/93
AR 2017/2449
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4969748 UC EXPL 16-5714 FFCC/14562

Vonnis van 12 april 2017

inzake

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [eiser 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [eiser 2] ,

eisende partijen,

hierna tezamen ook te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,

gemachtigde: mr. C.P.R.M. Dekker,

tegen:

de stichting

Stichting Pensioenfonds Achmea,

gevestigd te Apeldoorn en kantoorhoudende te Zeist,

verder ook te noemen: het Pensioenfonds,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A.W. Rutten,

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 25 mei 2016;

  • -

    de comparitie van 10 oktober 2016, waarvan aantekeningen zijn gemaakt door de griffier.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het Pensioenfonds is op 1 juni 2009 ontstaan uit een fusie van de Stichting Pensioenfonds Achmea Personeel en de Stichting Pensioenfonds Interpolis. Op 1 januari 2009 is het Pensioenfonds economisch gestart. Achmea Interne Diensten B.V. (hierna: Achmea) heeft de uitvoering van haar pensioenregeling ondergebracht bij het Pensioenfonds.

2.2.

Met ingang van 1 januari 2009 is het Achmea pensioenreglement 1 (hierna: het pensioenreglement) van het Pensioenfonds in werking getreden (artikel 37 van het pensioenreglement). Het pensioenreglement bevat, voor zover voor deze procedure van belang, de volgende bepalingen:

Artikel 7 Levenslang partnerpensioen

(…)

Wat gebeurt er als je na een scheiding een nieuwe partner krijgt?

Ga je na een scheiding een nieuwe relatie aan, dan wordt het partnerpensioen voor de nieuwe partner verminderd met het bijzondere levenslang partnerpensioen waar jouw ex-partner na de scheiding recht op heeft.

(…)

Artikel 14 (Echt)scheiding

Wie wordt in dit artikel bedoeld met jouw partner?

In dit artikel wordt met jouw partner bedoeld:

(…)

- De man of vrouw met wie je een duurzame gezamenlijke huishouding bent aangegaan waarbij voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

- Jij en jouw partner zijn geen bloed- of aanverwanten in de rechte linie of in de tweede graad van de zijlinie;

- Jij en jouw partner zijn beiden ongehuwd of ongeregistreerd;

- Jij en jouw partner voeren alleen met elkaar en eventueel met jullie kinderen een gemeenschappelijke huishouding;

- De gemeenschappelijke huishouding is begonnen vóór de pensioendatum;

- Jij en jouw partner hebben zich wegens de tussen jullie bestaande affectieve relatie verbonden om in voor en tegenspoed voor elkaar te zorgen en er aantoonbaar is dat zorgplicht tussen jullie bestaat;

- Jij en jouw partner hebben een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst gesloten. Aan het vereiste van een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst hoef je niet te voldoen indien de gemeenschappelijke huishouding aantoonbaar reeds vijf jaar of langer bestaat.

- Jij en jouw partner wonen op hetzelfde adres en staan als zodanig ingeschreven in het Bevolkingsregister.

(…)

Behoudt jouw ex-partner na de scheiding aanspraak op levenslang partnerpensioen?

Jouw ex-partner heeft na jouw overlijden recht op een levenslang partnerpensioen, ook wel bijzonder levenslang partnerpensioen genoemd. Dit bijzonder levenslang partnerpensioen is even hoog als het partnerpensioen dat je zou hebben gekregen indien je op de scheidingsdatum uit dienst zou zijn getreden. (…)

Het bovenstaande is niet mogelijk als je samen met jouw partner een andere verdeling van het partnerpensioen hebt afgesproken. Deze verdeling moet dan wel vastgelegd zijn in (…) een schriftelijk gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding. (…)”.

2.3.

[eiser 1] is op 1 augustus 2009 in dienst getreden van Achmea. Op die datum is [eiser 1] opgenomen in de pensioenregeling van Achmea.

2.4.

Op het moment van indiensttreding bij Achmea woonde [eiser 1] ongehuwd niet geregistreerd samen met mevrouw [A] (hierna: [A] ). Het op 1 augustus 1994 tot stand gekomen notariële samenlevingscontract tussen [eiser 1] en [A] (hierna: de samenlevingsovereenkomst) bevat een bepaling over het pensioen:

“1. De comparanten verklaarden met uitsluiting van eerder begunstigden elkaar over en weer aan te wijzen als partnerpensioengerechtigde om in aanmerking te komen voor partnerpensioen ingeval de pensioenregelingen(en) waaraan de comparanten deelnemen een partnerpensioen kent (kennen).

2. De comparanten verklaarden ermee bekend te zijn dat zij, om in aanmerking te komen voor een partnerpensioen, aan alle door het respectievelijk pensioenreglement gestelde eisen moeten voldoen.

De comparanten accepteerden deze wederzijdse aanwijzingen.

3. Indien een der comparanten niet langer wenst de andere comparant in aanmerking te laten komen voor partnerpensioen op grond van de pensioenregeling waaraan hij/zij deelneemt, zal hij/zij dit, hetzij bij notariele akte hetzij middels aangetekend schrijven aan de notaris, bewaarder van deze akte, mededelen (…).”.

2.5.

De relatie tussen [eiser 1] en [A] is op 1 februari 2010 beëindigd.

2.6.

Tijdens zijn samenleving met [A] heeft [eiser 1] [A] niet aangemeld bij het Pensioenfonds.

2.7.

Op 11 april 2012 heeft [B] (hierna: [B] ), medewerker Pensioenbureau bij het Pensioenfonds, een e-mail gezonden aan [A] , met, voor zover voor deze procedure van belang, de volgende inhoud:

“Om te beginnen willen wij meewerken om jou als partner op te voeren in de verzekeringsadministratie. En van daaruit kunnen wij verdere vervolgstappen tav de verdeling van het Nabestaandenpensioen en eventueel Ouderdomspensioen regelen.

(…)

Wel zullen wij je ex-partner, dhr [eiser 1] , op de hoogte stellen dat wij je als partner tbv partnerpensioen gaan registreren obv het samenlevingscontract.”.

2.8.

Bij vonnis van 20 juni 2012 tussen [A] en [eiser 1] van de Rechtbank Utrecht (hierna: vonnis van 20 juni 2012) is geoordeeld over de financiële afwikkeling van hun samenlevingsovereenkomst. In dat vonnis van 20 juni 2012 is onder meer geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [A] en [eiser 1] over en weer afstand hebben gedaan van het opgebouwde partnerpensioen (rechtsoverweging 4.25. van het vonnis van 20 juni 2012).

2.9.

Op 12 juli 2012 heeft [B] [A] een e-mail gezonden met daarin, onder meer, het volgende:

“Hierbij bevestiging van ons telefoongesprek:

- op 22-6-2012 heeft de rechtbank jullie ‘einde samenwoning’ per 1-5-2010 formeel bevestigd in een vonnis.

- de rechtbank is voorbij gegaan aan het bepaalde in het Samenlevingscontract, nl. dat je ex-partner je niet heeft aangemeld als partner bij de pensioenregeling, terwijl dat wel zo staat in het Samenlevingscontract.

- dat er in het verleden Partnerpensioen van de ene verzekeraar naar de andere is overgedragen, zegt nog niets over de burgerlijke staat van iemand.

Om jouw recht op Partnerpensioen te kunnen regelen hebben, dient je ex-partner het formulier Partnerpensioen - tesamen met jou - in te vullen en naar ons op te sturen. (…)

Afgesproken, dat jij eerst eea gaat overleggen. (…)”.

2.10.

Op 25 september 2012 heeft [B] aan [eiser 1] een e-mail gestuurd met, voor zover van belang, de volgende tekst:

“Mevrouw [A] heeft ons een brief gestuurd, waarin zij te kennen geeft, dat een gedeelte van je Partnerpensioen (Nabestaandenpensioen) specifiek aan haar toevalt bij je overlijden (Bijzonder Partnerpensioen). Dit naar aanleiding van jullie beëindigde samenwoning in 2010.

Mevrouw [A] is als derde partij tussen ons (Stichting Pensioenfonds Achmea) en jou tav het regelen van Bijzonder Nabestaandenpensioen.

Vanmiddag heb ik je daarom gebeld met de vraag in hoeverre er sprake zou kunnen zijn van Bijzonder nabestaandenpensioen.

Jij gaf aan, dat je burgerlijke staat van ‘alleenstaande’ binnen de pensioenadministratie correct is en dat er geen sprake behoeft te zijn van Bijzonder partnerpensioen.

Zonder jouw schriftelijke melding kunnen wij geen Bijzonder partnerpensioen regelen. (…)”.

2.11.

Bij brief, gedateerd 7 mei 2013, heeft [C] , Manager Verzekeringsadministratie, namens het Pensioenfonds aan [eiser 1] , onder meer, geschreven:

“Via het Bestuursbureau van Stichting Pensioenfonds Achmea ontvingen wij bericht dat uw samenleving met mevrouw [A] per 1 februari 2010 is beëindigd. In deze brief leggen we uit wat dit voor uw pensioenaanspraken betekent.

Verwerking einde samenleving

Mevrouw [A] heeft volgens de Pensioenwet recht op het, tot datum van einde van de samenlevingsovereenkomst, opgebouwde partnerpensioen. Wij hebben het einde van de samenleving verwerkt in onze administratie.”.

2.12.

[D] heeft namens het Pensioenfonds op 11 juni 2013 aan [eiser 1] een e-mail gezonden met, voor zover van belang, de volgende tekst:

“Bij de gegevens die jouw ex-partner heeft gezonden is een samenlevingscontract waarin jullie beiden aangegeven elkaar over en weer aan te wijzen als partnerpensioengerechtigde. Op basis hiervan is terecht een bijzonder partnerpensioen afgesplitst ten behoeve van jouw ex-partner. (…)”.

2.13.

Bij e-mail van 12 juli 2013 heeft [E] , senior-beleidsmedewerker bij het Pensioenfonds, aan [eiser 1] , voor zover in deze procedure van belang, het volgende geschreven:

“Vraagstelling

De kern van de vraag is wat ons betreft. Is aanmelding van de partner noodzakelijk voor het toekennen van een (bijzonder) partnerpensioen? (…)

Antwoord

Op grond van het huidige pensioenreglement (dat is ingegaan per 1-1-2009) is aanmelding NIET noodzakelijk voor de verkrijging van een partnerpensioen. In geval van overlijden gaat SPA [Stichting Pensioenfonds Achmea; kantonrechter] altijd over tot het uitkeren van het nabestaandenpensioen indien wordt voldaan aan de reglementaire voorwaarden (ook als er in eerste instantie geen partner bekend is bij SPA).

(…) Aangezien mevrouw [A] recht had op partnerpensioen, heeft zij ook recht op bijzonder partnerpensioen, er mag namelijk indien de pensioenregeling partnerpensioen mogelijk maakt voor samenwonende partners, geen onderscheid worden gemaakt tussen gehuwde of geregistreerde partners enerzijds en samenwonende partners anderzijds (zie artikel 16 van de pensioenwet).

Procesgang

Het informeren over de aanvraag voor bijzonder nabestaandenpensioen is iets wat ongelukkig verlopen. Wij hadden je in dit kader eerder op de hoogte moeten brengen van de aanvraag en het besluit van SPA hierover. (…) ”.

2.14.

[eiser 2] woont sinds februari 2013 ongehuwd niet geregistreerd samen met [eiser 1] en is omstreeks eind 2014 door het Pensioenfonds als partnerpensioengerechtigde erkend.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat het Pensioenfonds onrechtmatig jegens [eiser 1] en [eiser 2] heeft gehandeld door zonder instemming van [eiser 1] over te gaan tot toekenning van een bijzonder partnerpensioen aan [A] ;

2. het Pensioenfonds te verplichten om binnen 7 dagen na betekening van het vonnis de

beslissing tot toekenning van een bijzonder partnerpensioen aan [A]

terug te draaien per de datum waarop het oorspronkelijke besluit werd genomen ten

bewijze waarvan het Pensioenfonds binnen 7 dagen na betekening van het vonnis aan [eiser 1]

en [eiser 2] een correct uniform pensioenoverzicht dient te verstrekken, één en

ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat

het Pensioenfonds geen gehoor geeft aan het vonnis, zulks met een maximum van

€ 50.000,00;

3. het Pensioenfonds te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder mede begrepen

de nakosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stellen [eiser 1] en [eiser 2] dat het Pensioenfonds ten onrechte, ondanks het ontbreken van toestemming en medewerking van [eiser 1] , overgegaan is tot het toekennen van een bijzonder partnerpensioen aan [A] . Het Pensioenfonds handelt hiermee onrechtmatig tegenover [eiser 1] en [eiser 2] . [eiser 2] lijdt hierdoor schade, dat gelijk is te stellen aan het levenslange bijzondere partnerpensioen dat door het Pensioenfonds aan [A] is toegekend.

Allereerst stellen [eiser 1] en [eiser 2] zich op het standpunt dat in de samenlevingsovereenkomst is opgenomen dat [eiser 1] en [A] elkaar over en weer zouden aanwijzen als partnerpensioengerechtigde. Het Pensioenfonds heeft geen bevoegdheid om acties te ondernemen die met terugwerkende kracht leiden tot invulling van die samenlevingsovereenkomst. De samenlevingsovereenkomst heeft uitsluitend rechtskracht tussen [eiser 1] en [A] . Het Pensioenfonds kan niet naar eigen inzicht treden in de uitvoering daarvan. Het Pensioenfonds had aan [A] aangegeven dat zij over de registratie als partner diende te overleggen met [eiser 1] en daarbij het standpunt ingenomen dat het Pensioenfonds zonder instemming van [eiser 1] niet tot registratie van [A] als partner kon overgaan. Door toch zonder instemming van [eiser 1] over te gaan tot registratie van [A] als partner en vervolgens [A] een bijzonder partnerpensioen toe te kennen, heeft het Pensioenfonds niet alleen onzorgvuldig gehandeld maar is het Pensioenfonds ook toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen tegenover [eiser 1] en [eiser 2] .

Ten tweede stellen [eiser 1] en [eiser 2] zich op het standpunt dat het op grond van het, aldus [eiser 1] en [eiser 2] , toepasselijke Pensioenreglement 1 voor de deelnemers aan de pensioenregeling van Achmea Personeel B.V. schriftelijke aanmelding van een ongehuwd niet geregistreerd samenwonende partner nodig is om te bereiken dat de bepalingen inzake het partnerpensioen van toepassing zijn. [eiser 1] heeft [A] bewust niet aangemeld en mocht erop vertrouwen dat ook na beëindiging van de samenleving de bepalingen in het pensioenreglement onverkort zouden worden nageleefd. Het Pensioenfonds heeft tot haar brief van 7 mei 2013 de overeenkomst vanuit het pensioenreglement toegepast, maar heeft daarna aanleiding gezien, ondanks dat [eiser 1] [A] bewust niet als partner had aangemeld, aan [A] toch een bijzonder partnerpensioen toe te kennen. Het staat het Pensioenfonds niet vrij om in strijd met de wens van [eiser 1] te handelen.

Deze tekortkoming op grond van artikel 6:74 BW is toerekenbaar aan het Pensioenfonds. Op grond van artikel 6:162 BW is sprake van onrechtmatig handelen tegenover [eiser 1] en [eiser 2] . Het Pensioenfonds heeft de op haar rustende zorgplicht geschonden door zonder uitdrukkelijke toestemming van [eiser 1] over te gaan tot toekenning van een bijzonder partnerpensioen aan [A] .

3.3.

Het Pensioenfonds heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten.

3.4.

Het Pensioenfonds baseert haar verweer - kort weergegeven - op het volgende. Het Pensioenfonds stelt dat aanmelding van de partner op grond van het voor [eiser 1] geldende pensioenreglement, te weten het Achmea Pensioenreglement 1 dat in werking is getreden op 1 januari 2009, niet verplicht is om als samenlevingspartner in aanmerking te komen voor partnerpensioen. Het Pensioenfonds heeft het pensioenreglement waarin [eiser 1] deelnemer is dan ook correct toegepast bij de toekenning van een bijzonder partnerpensioen aan [A] . Door het ontbreken van een aanmeldplicht kan er ook achteraf, als aan alle voorwaarden is voldaan om als partner in de zin van het pensioenreglement te worden aangemerkt, aanspraak ontstaan op bijzonder partnerpensioen zonder dat het Pensioenfonds daarvan op de hoogte is en dient een bijzonder partnerpensioen te worden toegekend. Omdat het pensioenreglement partnerpensioen toekent aan de (mogelijk) onbekende partner, ontstaat er wettelijk bij beëindiging van de gezamenlijke huishouding een aanspraak op bijzonder partnerpensioen. Dit volgt ook uit de artikelen 16 en 57 van de Pensioenwet.

Dat de e-mail correspondentie tussen het Pensioenfonds en [A] in 2012 ongelukkig is verlopen, maakt dit niet anders. De eerste stellingname van het Pensioenfonds berustte op een onjuiste uitleg van het vonnis van 20 juni 2012 en de afspraken die [eiser 1] en [A] in de samenlevingsovereenkomst hebben gemaakt en die bij de beëindiging van hun relatie nog van kracht waren, maar dit is in mei 2013 gecorrigeerd.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Betekening exploot

4.1.

Het Pensioenfonds stelt dat de dagvaarding niet op het kantooradres van het Pensioenfonds is uitgebracht, maar bij Syntrus Pensioen Advocaten te Amsterdam. Deze laatste is weliswaar door het Pensioenfonds ingeschakeld voor de afhandeling van het dossier van [eiser 1] , maar dit betekent niet automatisch dat Syntrus Pensioen Advocaten dan ook in deze procedure als haar gemachtigde optreedt. Het Pensioenfonds beroept zich niet op de nietigheid van het exploot, maar geeft aan zich erbij neer te leggen indien de kantonrechter dat wel doet.

4.2.

De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 50 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) betekening van het exploot in het geval van rechtspersonen als het Pensioenfonds dient plaats te vinden aan hun kantoor of aan de persoon of de woonplaats van een van de bestuurders. Dit is niet gebeurd. Het exploot van dagvaarding dient op straffe van nietigheid aan verschillende vereisten te voldoen (zie artikel 111 Rv). Nu het Pensioenfonds in het geding is verschenen, inhoudelijk op de dagvaarding heeft gereageerd en zelf geen beroep op nietigheid van het exploot van dagvaarding heeft gedaan, gaat de kantonrechter aan die nietigheid voorbij (artikel 122 Rv). De kantonrechter overweegt ten overvloede dat het Pensioenfonds door dit gebrek ook niet onredelijk in haar belangen is geschaad.

Toekenning bijzonder partnerpensioen

4.3.

Kern van het geschil tussen partijen is het antwoord op de vraag of [eiser 1] moet instemmen met het toekennen van bijzonder partnerpensioen aan [A] . [eiser 1] is van mening dat dit het geval is. Het Pensioenfonds betwist dit. Voor het antwoord op deze vraag is allereerst van belang welk pensioenreglement van toepassing is.

4.4.

[eiser 1] is op 1 augustus 2009 in dienst getreden bij Achmea. Achmea heeft de uitvoering van haar pensioenregeling ondergebracht bij het Pensioenfonds. Het Pensioenfonds is op 1 januari 2009 economisch gestart. Vanaf de datum van indiensttreding is [eiser 1] deelnemer geworden in het door het Pensioenfonds uitgevoerde pensioenreglement. Van dit pensioenreglement moet dus worden uitgegaan. Dat [eiser 1] ten onrechte van een ander, oud, pensioenreglement uitging, maakt het bovenstaande niet anders.

4.5.

[eiser 1] stelt zich op het standpunt dat als voorwaarde voor toekenning van bijzonder partnerpensioen aan een partner geldt dat hij zijn partner (destijds [A] ) aanmeldt. Het Pensioenfonds betwist dit gemotiveerd.

4.6.

De kantonrechter stelt voorop dat, gelet op het van toepassing zijnde pensioenreglement, de pensioenovereenkomst tussen Achmea en [eiser 1] voorziet in een partnerpensioen voor ongehuwd samenwonenden (artikel 14 pensioenreglement). Op grond van het op 1 januari 2008 in werking getreden artikel 16 van de Pensioenwet gelden daardoor voor deze partner ten aanzien van de wijze van vaststelling van het partnerpensioen dezelfde rechten en plichten als voor een gehuwde of geregistreerde partner (artikel 16, eerste lid Pensioenwet).

4.7.

In het toepasselijke pensioenreglement is als (een van de) voorwaarde(n) voor het zijn van partner in de zin van het pensioenreglement niet opgenomen dat deze partner (vooraf) moet worden aangemeld. Hoewel dit door [eiser 1] en [eiser 2] wordt gesteld, blijkt uit de definitie van partner in het pensioenreglement niet dat aanmelding noodzakelijk is om rechthebbende in het bijzonder partnerpensioen te worden (zie artikel 14 van het pensioenreglement). Ook maakt het geen verschil dat [eiser 1] en [A] in het eerste lid van de pensioenbepaling in de samenlevingsovereenkomst met elkaar zijn overeengekomen dat zij elkaar over en weer aanwijzen als partnerpensioengerechtigde om in aanmerking te komen voor partnerpensioen (en dat [eiser 1] dit heeft nagelaten). De bepalingen in het pensioenreglement zijn, in samenhang met artikel 16 (en artikel 57) Pensioenwet, op dit punt leidend. De stelling van [eiser 1] en [eiser 2] dat het Pensioenfonds treedt in de uitvoering van de samenlevingsovereenkomst is dan ook onjuist.

4.8.

Door het Pensioenfonds wordt erkend dat de informatie aan [A] ongelukkig is verlopen. De kantonrechter overweegt in dat licht dat inderdaad uit de correspondentie in 2012 van het Pensioenfonds lijkt te volgen dat [eiser 1] zijn toestemming voor het bijzonder partnerpensioen dient te geven. Dit is onjuist gelet op de inhoud van het toepasselijke pensioenreglement en is ook bij brief van 7 mei 2013 aan [eiser 1] en latere e-mailcorrespondentie aan [eiser 1] uitgelegd (zie rechtsoverwegingen 2.11. tot en met 2.13.). De stelling van [eiser 1] en [eiser 2] dat het toekennen van bijzonder partnerpensioen aan [A] zou zijn gebeurd na persoonlijke bemoeienis van de voorzitter van de raad van bestuur van Achmea wordt, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door het Pensioenfonds, op grond van al het voorgaande en in het bijzonder de tekst van het pensioenreglement verworpen.

4.9.

Nu [A] in de periode van indiensttreding van [eiser 1] bij Achmea op 1 augustus 2009 en de beëindiging van de relatie tussen [eiser 1] en [A] op 1 februari 2010, aan de vereisten voor het partnerschap voldeed (wat overigens door [eiser 1] en [eiser 2] ook niet wordt betwist), is [A] voor deze periode de partner van [eiser 1] in de zin van het pensioenreglement met de daarbij horende rechten voor het bijzonder partnerpensioen. Dat [eiser 1] [A] bewust niet heeft aangemeld heeft hierop geen invloed, omdat uit hoofde van het pensioenreglement het recht op bijzonder partnerpensioen reeds volgt als aan alle daarin genoemde voorwaarden is voldaan. Aanmelding van de partner maakt hier geen onderdeel van uit. Het kan dan zo zijn dat, zoals in het geval van [A] het geval is, de partner pas na beëindiging van de relatie bij het Pensioenfonds bekend wordt. Gelet op het onderdeel van artikel 14 van het pensioenreglement “Behoudt jouw ex-partner na de scheiding aanspraak op levenslang partnerpensioen?” heeft [A] voor deze periode bijzonder levenslang partnerpensioen. Dit is slechts anders als [eiser 1] en [A] een andere verdeling van het partnerpensioen met betrekking tot de scheiding hebben afgesproken (zie artikel 14 van het pensioenreglement, laatste alinea van rechtsoverweging 2.2. en ook artikel 57 Pensioenwet). Uit het vonnis van 20 juni 2012 (rechtsoverweging 2.8.) en de samenlevingsovereenkomst (rechtsoverweging 2.4.) blijkt niet van andere afwijkende afspraken. Dat [eiser 1] en [A] op andere wijze andere afspraken zijn overeengekomen is verder ook niet gesteld of gebleken. [A] kan dan ook aanspraak maken op bijzonder partnerpensioen op de wijze zoals is bepaald in het pensioenreglement.

4.10.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de kantonrechter van oordeel is dat aan de kant van het Pensioenfonds geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de contractuele verplichtingen of van onrechtmatig handelen. Dat de communicatie in 2012 richting [eiser 1] en [A] niet juist of onduidelijk was, maakt dit niet anders. De vorderingen, inclusief de nevenvorderingen, van [eiser 1] en [eiser 2] zullen dan ook worden afgewezen.

4.11.

[eiser 1] en [eiser 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Pensioenfonds worden begroot op € 400,00 aan kosten gemachtigde (2 punten x tarief € 200,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van het Pensioenfonds, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.K. Fung Fen Chung, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 april 2017.