Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:175

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
419142/419145
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Vernietiging erkenning door moeder als wettelijk vertegenwoordiger

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2017/5041
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht

Locatie Lelystad

zaaknummer: C/16/419142 / FL RK 16-1393 (vernietiging erkenning [minderjarige 1] )

C/16/419145 / FL RK 16-1394 (eenhoofdig gezag [minderjarige 2] )

datum:

beschikking van de enkelvoudige familiekamer

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat V.G.J. van Veenendaal-Stolk,

hierna als de vrouw aangeduid,

verzoekster,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. L.D.M. Rubens-Snijders,

hierna als de man aangeduid,

en

Mr. NAGEL,

advocaat te Almere,

in de hoedanigheid van bijzondere curator,

hierna als de bijzondere curator aangeduid,

belanghebbenden.

Het procesverloop

De vrouw heeft op 7 juli 2016 een verzoekschrift met bijlagen ingediend, strekkende tot vernietiging van de erkenning door de man alsmede wijziging van het gezag.

Bij beschikking van deze rechtbank van 6 september 2016 is mr. Nagel te Almere tot bijzondere curator benoemd.

De man heeft een verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek tot vaststelling van een zorgregeling ingediend.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van:

  • -

    een brief van 10 augustus 2016 van de vrouw met bijlagen;

  • -

    een brief van 29 augustus 2016 van de vrouw met bijlagen;

  • -

    een brief van 3 oktober 2016 van de bijzondere curator;

  • -

    een brief van 17 oktober 2016 van de man;

  • -

    een F9-formulier van 18 oktober 2016 van de bijzondere curator;

  • -

    een brief van 1 november 2016 van de vrouw;

  • -

    een brief van 28 november 2016 van de bijzondere curator, en

  • -

    een brief van 1 december 2016 van de vrouw.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren op 20 december 2016.

Verschenen zijn:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Van Veenendaal,

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Rubens-Snijders,

  • -

    mr. Nagel, in de hoedanigheid van bijzondere curator,

  • -

    mevrouw. [A] , namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna als de Raad aangeduid.

Vaststaande feiten

De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad.

Uit de vrouw is op [2007] in de gemeente [geboorteplaats] geboren het minderjarige kind, genaamd [minderjarige 1], hierna als [minderjarige 1] aangeduid.

[minderjarige 1] is door de man erkend.

Uit de relatie van partijen is op [2008] in de gemeente [geboorteplaats] geboren het minderjarige kind, genaamd [minderjarige 2], hierna als [minderjarige 2] aangeduid.

[minderjarige 2] is door de man erkend. De man en de vrouw oefenen samen het gezag over [minderjarige 2] uit.

Beoordeling van de zaak

Vernietiging erkenning

De vrouw verzoekt de erkenning van [minderjarige 1] door de man te vernietigen. Zij legt hieraan ten grondslag dat de man niet de biologische vader van [minderjarige 1] is. [minderjarige 1] heeft verder sinds 2012 geen enkel contact meer met de man. De vrouw wenst evenmin dat [minderjarige 1] nog langer de achternaam van de man draagt.

De man heeft verweer gevoerd. De man erkent dat hij niet de biologische vader van [minderjarige 1] is. Hij stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning, dan wel dat het verzoek moet worden afgewezen. De man stelt dat de vrouw geen verzoek kan indienen ex artikel 1:205 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens de man dient in dergelijke gevallen het kind te worden vertegenwoordigd door een bijzondere curator. Het verzoek is niet ingediend door de bijzondere curator. Voor zover de vrouw het verzoek tot vernietiging van de erkenning namens haarzelf heeft willen indienen op grond van artikel 1:205 lid 1 onder c van het BW, dan is het verzoek niet binnen de in het derde lid gestelde termijn van één jaar ingediend. Bovendien is er volgens de man geen sprake van bedreiging, dwaling of bedrog. De man geeft voorts aan graag contact te willen met zijn beide kinderen.

De bijzondere curator heeft geadviseerd het verzoek van de vrouw af te wijzen. De bijzondere curator stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de vrouw is niet gedaan binnen de termijn van artikel 1:205 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek en dat er tevens geen sprake is van bedreiging of misbruik van omstandigheden op grond waarvan de vrouw gerechtigd is een dergelijk verzoek in te dienen. Voorts is de bijzondere curator van mening dat de vrouw een dergelijk verzoek niet namens [minderjarige 1] kan doen. De bijzondere curator is verder van mening dat niet is gebleken dat vernietiging van de erkenning daadwerkelijk de wens van [minderjarige 1] zou zijn en dat die vernietiging in het belang van [minderjarige 1] is. [minderjarige 1] heeft bij de bijzondere curator aangegeven dat zij het vreemd zou vinden om een andere achternaam te hebben als haar broertje. Ter zitting heeft de bijzondere curator dit standpunt gehandhaafd, tevens met het oog op het door de man aangekondigde verzoek tot vaststelling op een zorgregeling.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man niet de biologische vader van [minderjarige 1] is. De rechtbank heeft geen reden om hier aan te twijfelen, zodat zij geen nader onderzoek zal gelasten naar een eventuele biologisch vaderschap van de man.

Voorts is niet in geschil dat de vrouw het verzoek tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige 1] door de man niet kan worden toegewezen als verzoek van de vrouw zelf, nu de termijn van een jaar na erkenning is verstreken (artikel 1:205 lid 3 BW) en ook overigens geen sprake is van bedreiging, dwaling of bedrog (artikel 1:205 lid 1 sub c BW).

Voorts staat vast dat de door de rechtbank benoemde bijzondere curator geen verzoek om vernietiging van de erkenning heeft ingediend.

De vraag is vervolgens of de vrouw als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige 1] dit verzoek kan indienen. Hoewel in de regeling over vernietiging van erkenning niet expliciet is opgenomen dat een ouder als wettelijk vertegenwoordiger dat niet namens de minderjarige kan doen, geldt wel voor een ouder een specifieke regeling voor vernietiging die veel beperkter is dan de mogelijkheid voor een minderjarige om vernietiging te vragen. Zoals hiervoor is overwogen kan de moeder op eigen titel geen vernietiging verkrijgen. Daarnaast is in artikel 1:212 BW expliciet opgenomen dat in zaken van afstamming het minderjarige kind, optredend als verzoeker of belanghebbende, wordt vertegenwoordigd door een bijzondere curator. Mede gezien het feit dat een ouder vaak ook een eigen (emotioneel) belang zal hebben bij een vernietiging van de erkenning, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet kan worden ontvangen in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning namens [minderjarige 1] .

Dat betekent dat het verzoek van de vrouw tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige 1] zal worden afgewezen wegens het verstrijken van de termijn daarvoor en nu ook verder niet is voldaan aan de voorwaarden.

Gezag en zorgregeling

De vrouw heeft de rechtbank verzocht het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar voortaan alleen met het gezag over [minderjarige 2] te belasten. De vrouw stelt dat is voldaan aan het criterium dat [minderjarige 2] klem en verloren dreigt te raken. Er is geen communicatie mogelijk tussen partijen, waardoor het vrijwel onmogelijk is uitvoering te geven aan het ouderlijk gezag. [minderjarige 2] heeft astma en de vrouw wordt ermee geconfronteerd dat voor elke behandeling toestemming van de andere gezaghebbende ouder vereist is. Verder toont de man geen belangstelling voor [minderjarige 2] en heeft hij bewust afstand van hem gedaan.

De man heeft verweer gevoerd. De man heeft wel degelijk pogingen gedaan om in contact te komen met de kinderen via de toenmalige advocaat van de vrouw. De man wenst het gezag te behouden. Ter zitting heeft de man eveneens kenbaar gemaakt graag een zelfstandig verzoek in te willen dienen om een zorgregeling vast te stellen. Op 27 december 2016 heeft de man dit verzoek ingediend, inhoudende dat de man de rechtbank verzoekt te bepalen dat tussen de man en de kinderen, zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] , een zorgregeling zal gelden van één weekend per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de regeling zal worden opgebouwd.

Ter zitting is door de Raad het volgende naar voren gebracht. De situatie is complex, omdat veel verschillende factoren een rol spelen. De Raad biedt aan een onderzoek te doen naar zowel het gezag als de zorgregeling.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht zich onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen ter zake van het gezag alsmede de zorgregeling. Zoals ter zitting met partijen is besproken, zal de rechtbank de Raad verzoeken een onderzoek te doen naar de vraag wie het gezag over [minderjarige 2] dient uit te oefenen. Gezien de periode dat de man al geen contact heeft met beide kinderen en in het kader van een efficiënte inzet door de Raad van haar onderzoekscapaciteit, is het verder van belang dat de Raad in datzelfde onderzoek – zoals eveneens met partijen is besproken – gelijk onderzoekt of en zo ja welke zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] (het meest) in het belang van de kinderen is. Partijen krijgen uiteraard de gelegenheid om op het Raadsrapport te reageren, waarbij de vrouw ook de mogelijkheid heeft om te reageren op het verzoek van de man om vaststelling van een omgangsregeling met beide kinderen, De vrouw kan dat desgewenst ook bij wijze van verweerschrift doen in de procedure naar aanleiding van het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling. De rechtbank zal de beslissing op de verzoeken om eenhoofdig gezag en vaststelling van een zorgregeling in afwachting van het onderzoek door de Raad aanhouden voor de periode van drie maanden.

Beslissing

houdt aan de beslissingen ter zake van het gezag en de zorgregeling;

verzoekt de Raad om rapport en advies uit te brengen binnen drie maanden na datum van deze beschikking betreffende het verzoek van de vrouw met betrekking tot het gezag en het verzoek van de man met betrekking tot de zorgregeling;

wijst af het verzoek om vernietiging van de erkenning van [minderjarige 1] door de man.

Aldus gegeven door mr. A.A.T. van Rens, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F. de Kleijn, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

Hoger beroep

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de rechtbank kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de verschenen belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. De termijn is voor andere belanghebbenden drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden. Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een advocaat verplicht.