Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1744

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
5317589 / MC EXPL 16-9215
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gevolgen na eerdere beëindiging arbeidsrelatie tussen eiser en gedaagde. Overtreding geheimhoudingsbeding. Bij beschikking van 8 juni 2016 heeft de kantonrechter aan gedaaagde een verbod opgelegd om tot 1 maart 2017 op enigerlei wijze werkzaamheden te verrichten voor de nieuwe “werkgever” onder verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag. Nadien is komen vast te staan dat gedaagde reeds vanaf 24 maart 2016 in dienst is getreden van de nieuwe werkgever. De arbeidsovereenkomst tussen gedaagde en de nieuwe werkgever is met ingang van 28 juni 2016 beëindigd. Dit betekent dat gedaagde in de periode van 9 juni 2016 tot en met 27 juni 2016 in strijd met de beschikking van de kantonrechter als bovenomschreven heeft gehandeld. De betekening van de beschikking van 8 juni 2016 heeft plaatsgevonden op 1 juli 2016, nadat de dienstbetrekking met [bedrijfsnaam 1] al was beëindigd. Krachtens 611a lid 3 Rv geen dwangsommen verbeurd. Wel tweemaal overtreding geheimhoudingsbeding met veroordeling tot betaling van de overeengekomen boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1839
AR-Updates.nl 2017-0445
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 1 maart 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 5317589 / MC EXPL 16-9215 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V. ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie, hierna ook te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde mr. H.P. Wellenberg,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. A.G.P. van der Baan.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie

  • -

    het tussenvonnis van 30 november 2016

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermeerdering van eis

  • -

    producties facturen aan de zijde van [gedaagde]

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 februari 2017

  • -

    de brief van 8 februari 2017 aan de zijde van [eiseres]

  • -

    de brief van 10 februari 2017 aan de zijde van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een groothandel voor professionele hygiëne— en reinigingssystemen,

papier en zeep.

2.2.

Op 1 augustus 2014 is [gedaagde] bij [eiseres] in dienst getreden voor bepaalde tijd in de functie van accountmanager voor 40 uur per week. De arbeidsovereenkomst is drie keer verlengd. De laatste keer is de arbeidsovereenkomst verlengd tot 1 juni 2016. Het

laatstverdiende salaris van [gedaagde] bedroeg € 2.500,00 exclusief emolumenten.

2.3.

In de arbeidsovereenkomst zijn onder meer een geheimhoudingsbeding en een non-concurrentiebeding en relatiebeding opgenomen. Het geheimhoudingsbeding luidt:

“De werknemer zal tegenover derden (..) tijdens en na de dienstbetrekking strikte geheimhouding betrachten omtrent alles wat bij de uitoefening van zijn functie te zijner kennis komt in verband met de zaken en belangen van de werkgever. Deze geheimhoudingsverplichting omvat eveneens alle gegevens, waarvan de werknemer uit hoofde van zijn functie van cliënten of andere relaties van de werkgever kennis neemt (..)”

Bij overtreding van dit beding is de werknemer op grond van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst een direct opeisbare boete verschuldigd van € 7.500,00.

2.4.

Op enig moment is [gedaagde] in contact gekomen met [bedrijfsnaam 1] BV. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ). [bedrijfsnaam 1] is een concurrent van [eiseres] . In januari 2016 heeft [gedaagde] bij [eiseres] aangegeven dat hij graag in dienst wilde treden bij [bedrijfsnaam 1] . [eiseres] heeft hem toen aanvankelijk laten weten dat zij hier niet mee kon instemmen. Partijen hebben nadien nogmaals overleg gevoerd over de wens van [gedaagde] om in dienst te treden bij [bedrijfsnaam 1] . Op 17 maart 2016 hebben partijen weer met elkaar gesproken met als resultaat een concept

vaststellingsovereenkomst door [eiseres] opgesteld, die indiensttreding van [gedaagde] bij [bedrijfsnaam 1] mogelijk maakte. Het was de bedoeling dat [bedrijfsnaam 1] die vaststellingsovereenkomst zou mee ondertekenen. In de concept overeenkomst was bepaald dat in de relatie tussen [gedaagde] en [eiseres] het relatie— en geheimhoudingsbeding onverkort van kracht zou blijven en dat [eiseres] gedurende een jaar niet dezelfde klanten mocht bedienen in het rayon waar [gedaagde] hij [eiseres] werkzaam was geweest (rayon [cijfer] ).

2.5.

Op 18 maart 2016 is [eiseres] een privé e-mail van [gedaagde] van 18 maart 2016 aan [bedrijfsnaam 1] onder ogen gekomen. In deze e-mail staat, voor zover hier van belang, het navolgende:

Denk dat dit wel redelijk is wat vind jij ? jullie moeten het natuurlijk ook goed vinden.

Dit was de eerste opzet , er komen wat wijzigingen in.

namelijk alle klanten die al bestaan die gezamenlijk geleverd worden blijven gewoon van [bedrijfsnaam 1] , en mochten wij benaderd worden door klanten in onderstaande postcode ( wat geleverd word door [eiseres] ) moet ik effe melding maken zodat die discussie niet kan ontstaan en we vervolgens de klanten wel kunnen aannemen.

feitelijk gezien gaat het alleen om dus niet actief benaderen van bestaande klanten van [eiseres] .

het gaat om de rayon waar ik in werkte , de rest van nederland vrij, en dat komt goed uit , dus alle klanten buiten rayon [cijfer] mee beginnen en afpakken ( lijsten heb ik.)

Ben benieuwd hoe jullie dit zien, mijn advocaat zegt dat het wel heel redelijk is kan misschien moeilijke termen zijn maar enige waar het omdraait is dat we niet zelf direct klanten van [eiseres] mogen benaderen met offerte

Overigens wel bezoeken en warm maken ……. haha

advocate vind dit een goed voorstel waarbij ik / wij zeker door kunnen gaan.

17 maart 2017 volledig geheel rayon [cijfer] pakken.

ben benieuwd ik hoor je graag vriend.

2.6.

Op 21 maart 2016 heeft [eiseres] [gedaagde] naar aanleiding van die mail op staande voet ontslagen.

2.7.

Bij beschikking van 8 juni 2016 heeft de kantonrechter het ontslag op staande voet in stand gelaten. De kantonrechter overweegt onder meer:

“Op grond van het vorenstaande, is begrijpelijk dat [eiseres] [gedaagde] op staande voet heeft ontslagen. Zijn handelwijze kan worden aangemerkt als een zodanig ernstige schending van de op hem rustende verplichting zich jegens [eiseres] als goed werknemer te gedragen, en daarmee als een dermate ernstige inbreuk op het vertrouwen dat [eiseres] in hem moest kunnen stellen, dat van haar redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De aard en ernst van hetgeen waarvan [eiseres] [gedaagde] beticht zijn zodanig dat de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] daartegen niet opwegen.

Geoordeeld wordt derhalve dat [eiseres] de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] op 21 maart 2016 onverwijld om een dringende reden heeft mogen opzeggen”.

Het concurrentiebeding en het relatiebeding wordt in de beschikking van de kantonrechter vernietigd. Het geheimhoudingsbeding blijft in stand.

2.8.

Op verzoek van [eiseres] wordt door de kantonrechter in dezelfde beschikking aan [gedaagde] een verbod opgelegd in dienst te treden bij [bedrijfsnaam 1] , welk verbod geldt tot 1 maart 2017. De kantonrechter overweegt onder meer het volgende:

“ [eiseres] heeft er belang bij dat geen vertrouwelijke bedrijfsinformatie bij haar concurrent [bedrijfsnaam 1] terecht komt. Er wordt voorts vanuit gegaan dat de lijsten waarover [gedaagde] in zijn bewuste e-mail aan [bedrijfsnaam 1] bericht te beschikken, lijsten met informatie over klanten van [eiseres] zijn en dat dit vertrouwelijke bedrijfsinformatie betreft. Gelet op het bezit van [gedaagde] van die lijsten en nu in de voormelde e-mail gesuggereerd wordt dat die lijsten door [gedaagde] aan [bedrijfsnaam 1] ter beschikking zullen worden gesteld, is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsplicht gaat schenden als hij bij [bedrijfsnaam 1] in dienst treedt. Derhalve moet de door [gedaagde] gewenste indiensttreding bij [bedrijfsnaam 1] als onrechtmatig jegens [eiseres] worden aangemerkt en is een preventieve maatregel op zijn plaats. Het door [eiseres] gevorderde verbod is dan ook gerechtvaardigd. [gedaagde] wordt het derhalve verboden om tot 1 maart 2017 op enigerlei wijze werkzaamheden te verrichten voor dan wel ten behoeve van [bedrijfsnaam 1] dan wel op enigerlei wijze betrokken te zijn bij [bedrijfsnaam 1] .”

De kantonrechter verbindt aan bedoeld verbod een dwangsom van 500,00 per dag.

2.9.

Na de beschikking van 8 juni 2016 is [eiseres] gebleken dat [gedaagde] werkzaamheden verrichtte voor [bedrijfsnaam 1] in ieder geval vanaf 21 juni 2016. [eiseres] heeft op 24 juni 2016 toen zowel [gedaagde] als [bedrijfsnaam 1] gesommeerd de werkzaamheden door [gedaagde] te staken.

2.10.

Bij e-mail van 27 juni 2016 heeft [bedrijfsnaam 1] medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] door haar met onmiddellijke ingang is beëindigd. Uit informatie van [bedrijfsnaam 1] is verder gebleken dat [gedaagde] al vanaf 24 maart 2016, kort na het ontslag op staande voet, in dienst was getreden van [bedrijfsnaam 1] .

2.11.

[eiseres] heeft de grosse van de beschikking van de kantonrechter van 8 juni 2016 op 1 juli 2016 aan [gedaagde] doen betekenen.

2.12.

Op verzoek van [eiseres] de vertrouwelijke bedrijfsgegevens van [eiseres] (de lijsten) die door [gedaagde] ter beschikking zijn gesteld te vernietigen antwoord [bedrijfsnaam 1] op 1 juli 2016:

“Hierbij bevestig ik u dat wij de lijsten zojuist hebben vernietigd.”

2.13.

[eiseres] voorziet de [naam accommodatie] van haar producten. Contactpersoon is de heer [A] , beleidsmedewerker huisvesting van de Gemeente […] . [gedaagde] is werkzaamheden gaan verrichten voor de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 2] B.V.. Ten behoeve van [bedrijfsnaam 2] B.V. heeft [gedaagde] een offerte uitgebracht aan de heer [A] , beleidsmedewerker huisvesting van de Gemeente […] . [A] verstrekt aan [eiseres] bij e-mail van 22 november 2016 de door [gedaagde] gedane offerte en deelt verder mede:

“Best [voornaam] ,

In de bijlage de aanbieding.

Er zat ook een folder bij met productinfo maar dat is denk ik niet relevant.

Ik heb er totaal niet op gereageerd omdat ik dit geen faire manier van zaken vind.

Het is puur zijn eigen initiatief geweest.”

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat na vermeerdering van eis -

- voor recht te verklaren dat [gedaagde] in de periode 9 juni tot en met 27 juni 2016 het door de rechtbank Midden Nederland opgelegde verbod tot indiensttreding bij [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft overtreden met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 9.500,00 aan verbeurde dwangsommen, vermeerderd met rente;

- voor recht te verklaren dat [gedaagde] het geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst heeft overtreden met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 15.000,00 aan contractuele boetes, vermeerderd met rente;

- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] voert daartoe het volgende aan. [gedaagde] is een bedrag van € 9.500,00 aan verbeurde dwangsommen verschuldigd op grond van de beschikking van de kantonrechter van 8 juni 2016. De kantonrechter heeft [gedaagde] op straffe van een dwangsom van € 500,00 een verbod opgelegd om in dienst te treden van [bedrijfsnaam 1] . Gebleken is dat [gedaagde] al vanaf 24 maart 2016 in dienst is getreden van [bedrijfsnaam 1] en dat die dienstbetrekking op 28 juni 2016 is beeindigd. [gedaagde] heeft aldus van 9 juni tot 27 juni 2016 gedurende 19 dagen het verbod overtreden.

3.3.

[gedaagde] heeft verder het geheimhoudingsbeding opgenomen in de arbeidsovereenkomst overtreden. Per overtreding is [gedaagde] op grond van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst een boete verchuldigd van € 7.500.00. [gedaagde] heeft immers lijsten met vertrouwelijke informatie van [eiseres] veiliggesteld en ter beschikking gesteld aan [bedrijfsnaam 1] . [eiseres] verwijst daaarvoor naar de bevestiging van [bedrijfsnaam 1] bij mail van 1 juli 2016. [gedaagde] heeft verder producten van [naam] (zeepdispensers en papierhouders) aangeboden aan bedrijven en instellingen, die hij via [bedrijfsnaam 1] heeft verkregen. [bedrijfsnaam 1] is immers een van de drie dealers van het bedrijf [bedrijfsnaam 3] , die de producten van [naam] levert. Daarmee heeft [gedaagde] het verbod van de kantonrechter wederom overtreden. [gedaagde] heeft namens [bedrijfsnaam 2] B.V. klanten van [eiseres] benaderd met aanbiedingen. Zo heeft hij een offerte uitgebracht aan de gemeente […] met daarop vermeld de gegevens van de oud leverancier, te weten [eiseres] . [gedaagde] is daarvoor een boete verschuldigd van € 7.500,00.

3.4.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat hij in de stellige overtuiging verkeerde dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven. Dat was voor hem aanleiding om bij [bedrijfsnaam 1] in dienst te treden. [gedaagde] heeft van de beschikking van de kantonrechter van 8 juni 2016 eerst een week nadien vernomen en pas na betekening op 1 juli de betekenis daarvan volledig kunnen doorgronden. Op 28 juni 2016 heeft [bedrijfsnaam 1] de arbeidsovereenkomst beëindigd. Van een bewuste overtreding van de beschikking van de kantonrechter is geen sprake.

[gedaagde] betwist verder dat hij klantenlijsten van [eiseres] heeft, laat staan dat hij deze aan [bedrijfsnaam 1] ter beschikking heeft gesteld. De lijsten waarover wordt gesproken in de mail van 18 maart 2016 zijn door [gedaagde] zelf opgestelde lijsten van nieuwbouwprojecten en hockey- en voetbalclubs, omdat daar het grootste netwerk van [gedaagde] ligt. De lijsten hebben geen enkel verband met [eiseres] . [gedaagde] verwijst nog naar een schriftelijke reactie van [bedrijfsnaam 1] van 17 oktober 2016, waarin staat vermeld dat [bedrijfsnaam 1] zich niet bewust was om welke lijsten het zou gaan toen [eiseres] om vernietiging daarvan vroeg. [gedaagde] voert verder nog aan dat hij geen informatie van [eiseres] heeft gebruikt bij het opstellen van de offerte aan de gemeente […] . Van een overtreding van het geheimhoudingsbeding is volgens [gedaagde] geen sprake. Voor zover daarvan al sprake zou zijn verzoekt [gedaagde] de boete te matigen.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.6.

[gedaagde] vordert samengevat - veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 1.428,98, vermeerderd met rente en kosten.

3.7.

[gedaagde] stelt daartoe dat [eiseres] bij de afrekening ten onrechte een bedrag van 1.428,98 aan bonus heeft ingehouden onder verwijzing naar de Provisieregeling [naam eiseres] Supply 2015.

3.8.

[eiseres] voert verweer. [eiseres] stelt dat de kantonrechter bij beschikking van 8 juni 2016 de vordering van [gedaagde] ter zake de uitbetaling van de bonus voor een bedrag van € 1.428,98 heeft afgewezen. Die beschikking is in kracht van gewijsde gegaan.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Dwangsommen

4.2.

Bij beschikking van 8 juni 2016 heeft de kantonrechter aan [gedaagde] een verbod opgelegd om tot 1 maart 2017 op enigerlei wijze werkzaamheden te verrichten voor dan wel ten behoeve van [bedrijfsnaam 1] , dan wel op enigerlei wijze betrokken te zijn bij [bedrijfsnaam 1] , op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag voor ieder dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft. Nadien is komen vast te staan dat [gedaagde] reeds vanaf 24 maart 2016 in dienst is getreden van [bedrijfsnaam 1] . De arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en [bedrijfsnaam 1] is met ingang van 28 juni 2016 beëindigd. Dit betekent dat [gedaagde] in de periode van 9 juni 2016 tot en met 27 juni 2016 in strijd met de beschikking van de kantonrechter als bovenomschreven heeft gehandeld. Dit heeft in het onderhavige geval niet tot gevolg dat [gedaagde] de dwangsommen als door [eiseres] gevorderd ook daadwerkelijk heeft verbeurd. De kantonrechter overweegt dat weliswaar de verplichting om aan de beschikking te voldoen ingaat op het moment van de uitspraak, hetgeen meebrengt dat van de veroordeelde verwacht mag worden dat hij in de periode tussen de uitspraak en de betekening van de beschikking voorbereidende handelingen verricht, opdat hij na betekening tijdig aan de veroordeling zal kunnen voldoen, maar dat betekent nog niet dat bij uitblijven van deze voorbereidende handelingen de debiteur de door de rechter opgelegde dwangsom ook verbeurt. Immers krachtens 611a lid 3 Rv, is de debiteur eerst de dwangsommen verschuldigd indien hij — ná betekening van de uitspraak waarbij de dwangsom is vastgesteld — de hoofdveroordeling niet of niet tijdig nakomt. De betekening van de beschikking van 8 juni 2016 heeft plaatsgevonden op 1 juli 2016, nadat de dienstbetrekking met [bedrijfsnaam 1] al was beëindigd. De gevraagde verklaring voor recht dat [gedaagde] het verbod in de periode van 9 juni tot en met 27 juni 2016 heeft overtreden kan worden toegewezen, maar de gevorderde uitbetaling van dwangsommen zal, gelet op het bovenstaande, moeten worden afgewezen.

Geheimhoudingsbeding klantenlijsten

4.3.

[eiseres] verwijt [gedaagde] dat hij het geheimhoudingsbeding als opgenomen in de arbeidsovereenkomst onder artikel 9 heeft overtreden en aldus op grond van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst een boete is verschuldigd van € 7.500,00. [gedaagde] heeft die beschuldiging bestreden.

4.4.

De kantonrechter neemt bij de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking. Nadat tussen partijen overeenstemming leek te zijn bereikt over de overgang van [gedaagde] naar de nieuwe werkgever [bedrijfsnaam 1] over onder welke voorwaarden die overgang kon worden gegeven, is [eiseres] bekend geraakt met een mail van [gedaagde] gericht aan [bedrijfsnaam 1] van 18 maart 2016. De inhoud van de mail vormde de aanleiding tot het ontslag op staande voet. [gedaagde] deelt in die mail aan [bedrijfsnaam 1] mede dat begonnen kan worden aan het afpakken van alle klanten buiten het rayon [cijfer] (het rayon waar [gedaagde] voor [eiseres] werkte) onder de mededeling dat [gedaagde] over “lijsten” beschikt. De kantonrechter oordeelde in zijn beschikking dat er vanuit kan worden gegaan dat de lijsten waarover [gedaagde] in zijn bewuste e-mail aan [bedrijfsnaam 1] bericht te beschikken, lijsten met informatie over klanten van [eiseres] betreffen en dat dit vertrouwelijke bedrijfsinformatie behelst. Gelet op het bezit van [gedaagde] van die lijsten en dat in de voormelde e-mail gesuggereerd wordt dat die lijsten door [gedaagde] aan [bedrijfsnaam 1] ter beschikking zullen worden gesteld, heeft de kantonrechter verder geoordeeld dat het voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] zijn geheimhoudingsplicht gaat schenden als hij bij [bedrijfsnaam 1] in dienst treedt. Nadat de beschikking door de kantonrechter is gewezen is vast komen te staan dat [gedaagde] al geruime tijd in dienst was getreden van [bedrijfsnaam 1] . Hangende de procedure als bovengenoemd heeft [gedaagde] daarover gezwegen. [eiseres] , bevreesd dat klanteninformatie door [gedaagde] aan [bedrijfsnaam 1] ter beschikking is gesteld, heeft [bedrijfsnaam 1] op 1 juli 2016 verzocht te bevestigen dat de vertrouwelijke bedrijfsgegevens (de Lijsten) zoals door [gedaagde] meegenomen wordt vernietigd. In reactie daarop heeft [bedrijfsnaam 1] aan de gemachtigde van [eiseres] bevestigd dat zij “de lijsten zojuist hebben vernietigd”. De kantonrechter is van oordeel dat daarmee is komen vast te staan dat [gedaagde] daadwerkelijk bedrijfsgevoelige informatie met [bedrijfsnaam 1] heeft gedeeld. Het verweer van [gedaagde] in het licht van bovenomschreven omstandigheden dat het zou gaan om geheel andere lijsten is niet geloofwaardig en past ook niet in de context van de mail van 18 maart 2016. De kantonrechter hecht ook geen waarde aan de schriftelijke verklaring van [bedrijfsnaam 1] van 17 oktober 2016 waarin wordt gesteld dat [bedrijfsnaam 1] zich niet bewust was om wat voor lijsten het ging en maar wat heeft teruggemaild naar de gemachtigde van [eiseres] om er van af te zijn. De kantonrechter stelt immers vast dat [gedaagde] het in de eerdere procedure bij de kantonrechter niet zo nauw neemt met de waarheid en dat [bedrijfsnaam 1] daarin eveneens een dubieuze rol heeft gespeeld. De verklaring van [bedrijfsnaam 1] lijkt dan ook slechts met het oog op de door [eiseres] gestarte procedure te zijn opgesteld, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van die verklaring. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde] het geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst met [eiseres] heeft geschonden.

Geheimhoudingsbeding offerte […]

[eiseres] verwijt [gedaagde] namens [bedrijfsnaam 2] B.V. klanten van [eiseres] te hebben benaderd met aanbiedingen. Door zijn dienstverband met [eiseres] weet [gedaagde] wie de klanten zijn, wat zij afnemen, wat de prijzen zijn en wat voor contracten zij hebben. Deze vertrouwelijke informatie heeft [gedaagde] gedeeld met [bedrijfsnaam 2] B.V.. Daarmee heeft [gedaagde] opnieuw het geheimhoudingsbeding overtreden en is hij een boete verschuldigd van € 7.500,00. [gedaagde] bestrijdt dat hij informatie van [eiseres] heeft gebruikt.

4.5.

Vast is komen te staan dat [gedaagde] werkzaam is geweest voor [bedrijfsnaam 2] B.V.. [gedaagde] heeft aan de gemeente […] een offerte uitgebracht namens [bedrijfsnaam 2] B.V.. De gemeente […] is een klant van [eiseres] . Op de aan de gemeente […] verstrekte offerte staat vermeld de aanbieding van [bedrijfsnaam 2] B.V. met een vergelijking van de aantallen en prijzen van de oude leverancier. De beleidsmedewerker huisvesting van de gemeente […] de heer [A] deelt aan [eiseres] per e-mail van 22 november 2016 mede dat hij op de offerte niet heeft gereageerd omdat hij dit geen faire manier van zaken vindt. Nu vast staat dat [eiseres] de leverancier is van de gemeente […] en [eiseres] ter zitting heeft bevestigd dat de gegevens vermeld onder het kopje “oude leverancier” de aantallen en prijzen zijn van [eiseres] is in voldoende mate komen vast te staan dat [gedaagde] de bedrijfsgegevens van [eiseres] heeft gebruikt. [gedaagde] heeft het geheimhoudingsbeding ook hier overtreden. De stelling van [gedaagde] dat hij die gegevens verstrekt heeft gekregen van een mevrouw van de administratie is, mede gelet op eerdere leugenachtige verklaringen, ongeloofwaardig. De kantonrechter gaat daar dan ook aan voorbij.

4.6.

Gelet op het bovenstaande is [gedaagde] een boete van 2x € 7.500,00 verschuldigd. [gedaagde] heeft nog verzocht over te gaan tot matiging van de boete, maar heeft dat verder niet onderbouwd. Bovendien ziet de kantonrechter geen aanleiding tot matiging over te gaan nu [gedaagde] willens en wetens in strijd met de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst heeft gehandeld jegens [eiseres] met als doel ten koste van [eiseres] voordeel te verkrijgen. De vordering van [eiseres] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 15.000,00.

4.7.

De wettelijke rente zal vanaf het moment van de dagvaarding worden teogewezen.

in reconventie

4.8.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

4.9.

[gedaagde] voert aan dat hij in augustus 2015 een bedrag van € 1.428,98 bruto aan bonus heeft ontvangen gebaseerd op de Provisieregeling [naam eiseres] Supply 2015. [eiseres] heeft dit bedrag ten onrechte verrekend met de uitbetaling van het loon over de maand februari 2016.

4.10.

Bij beschikking van de kantonrechter van 8 juni 2016 is ten aanzien van deze vordering het volgende overwogen:

“ [gedaagde] heeft niet gemotiveerd weersproken dat hij in augustus 2015 een voorschot van € 1.428,98 bruto op de 4% extra bonus uitgekeerd heeft gekregen. Voorts heeft hij niet weersproken dat hij in 2015 een omzet heeft gerealiseerd van € 443.725,00. Uitgaande van de target van € 443.691,67 betekent dit dat [gedaagde] over 2015 geen recht heeft op de 4% extra bonus. Dat betekent dat hij het ontvangen voorschot diende terug te betalen aan [eiseres] en voor toewijzing van het bedrag aan [gedaagde] thans geen plaats is.”

4.11.

Tegen deze beschikking is geen appel in gesteld. De beschikking is dan ook in kracht van gewijsde gegaan. De achtergrond van de wettelijke regeling vervat in artikel 236 Rv is dat het ongewenst is dat eenmaal een beslecht geschilpunt in een volgende procedure ter discussie wordt gesteld. [gedaagde] is in zijn vordering dan ook niet ontvankelijk.

4.12.

[gedaagde] zal als de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit geding worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

verklaart voor recht dat [gedaagde] in de periode van 9 juni 2016 tot en met 27 juni 2016 het door de rechtbank Midden-Nederland opgelegde verbod tot indiensttreding bij [bedrijfsnaam 1] B.V. heeft overtreden;

verklaart voor recht dat [gedaagde] het geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst heeft overtreden;

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 15.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de voldoening;

in reconventie

verklaart [gedaagde] in zijn vordering niet ontvankelijk;

in conventie en reconventie

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.768,75, waarin begrepen € 750,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.