Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1723

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
4969796 / MC EXPL 16-3933
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtgenote van gedaagde verduisterd een bedrag van € € 572.184,67 van haar werkgever. Gedaagde wordt naast zijn echtgenote eveneens aangesproken op terugbetaling van voormeld bedrag. De kantonrechter overweegt dat de schuld van € 572.184,67 ingevolge de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW in beginsel in de gemeenschap valt. Van hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 1:85 BW is echter geen sprake. Op grond van dit artikel zijn beide echtgenoten hoofdelijk aansprakelijk voor de ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen. De verduistering van de gelden die toebehoren aan eiser is geen activiteit die valt onder de gewone gang van de huishouding. Dit betekent dat uitsluitend degene die de gelden heeft verduisterd door eiser kan worden aangesproken, waarbij eiser in beginsel op grond van artikel 1:95 lid 1 BW wel het recht heeft zich te verhalen op de huwelijksgoederengemeenschap. De enkele stelling dat gedaagde uit hoofde van de gemeenschap van goederen (persoonlijk) aansprakelijk is, ziet op een onjuiste interpretatie van de wettelijke regels omtrent de huwelijksgoederengemeenschap. Die regels zien op de onderlinge draagplicht en/of verhaal en niet op de aansprakelijkheid zelf. Dit heeft ook te gelden voor het door gedaagde ingenomen standpunt dat de vordering van eiser moet worden gezien als een verknochte schuld toe te rekenen aan de echtgenote van gedaagde op grond van artikel 1:94 lid 3 BW. Gedaagde wel veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 85.102,43 uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0115

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 22 februari 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 4969796 / MC EXPL 16-3933 van

[eiser] , h.o.d.n. [bedrijfsnaam 1],

voorheen [bedrijfsnaam 2] V.O.F .
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna ook te noemen: [eiser] ,
gemachtigde mr. O. Diels,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen [gedaagde] ,
gedaagde,
gemachtigde mr. N. Groen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het (tussen)vonnis van 13 juli 2016

  • -

    de akte van 21 september 2016 aan de zijde van [eiser]

  • -

    de akte van 19 oktober 2016 aan de zijde van [gedaagde]

  • -

    de akte van 19 oktober 2016 aan de zijde van [eiser] tot schorsing en hervatting van de procedure ex artikel 225 en 227 Rv

  • -

    de antwoordakte van 16 november 2016 aan de zijde van [gedaagde]

  • -

    de rolbeslissing van 23 november 2016

  • -

    de akte uitlating producties van 4 januari 2017 aan de zijde van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij (tussen)vonnis van 13 juli 2016 is in de zaak 4969796 / MC EXPL 16-3933 tussen de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam 2] V.O.F als eiser en [A] en [gedaagde] als gedaagden tegen de gedaagde [A] een eindbeslissing genomen, waarbij [A] onder meer is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 572.184,67 aan [bedrijfsnaam 2] wegens verduistering van gelden tijdens dienstbetrekking. De procedure tegen [gedaagde] is aangehouden om uitvoering te geven aan hetgeen bij comparitie van partijen van 27 juni 2016 tussen [bedrijfsnaam 2] en [gedaagde] is overeengekomen, namelijk afgifte aan [bedrijfsnaam 2] van de bankadministratie van de rekening(en) van [gedaagde] dan wel van [gedaagde] en [A] gezamenlijk over de periode 1 maart 2014 tot en met 29 januari 2016. Bij rolbeslissing van 23 november 2016 is op verzoek van [eiser] het geding geschorst en direct hervat op grond van de bepalingen 225 en 227 Rv, waarbij [eiser] in de plaats van [bedrijfsnaam 2] V.O.F . in het vervolg van de procedure als eisende partij wordt aangemerkt. Thans zal vonnis worden gewezen tussen [eiser] en [gedaagde] .

2.2.

[eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] met [A] hoofdelijk aansprakelijk zijn tot terugbetaling van de door [A] verduisterde gelden. [eiser] voert daartoe drie grondslagen aan. Primair beroept [eiser] zich voor de aansprakelijkheid van [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de door [eiser] geleden schade op de tussen [A] en [gedaagde] bestaande algehele gemeenschap van goederen. Subsidiair beroept hij zich voor de aansprakelijkheid van [gedaagde] op een onrechtmatige daad. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] immers tevens onrechtmatig en onzorgvuldig jegens [eiser] gehandeld, omdat [gedaagde] wist, althans behoorde te weten, dat er binnen de gemeenschappelijke huishouding structureel hoge aanvullende bedragen binnenkwamen (via de bankrekening van [A] en/of [gedaagde] ) zonder dat daar enige prestatie dan wel rechtsgrond tegenover stond en dat [gedaagde] die situatie heeft laten voortduren zonder in te grijpen. Meer subsidiair beroept [eiser] zich voor de aansprakelijkheid van [gedaagde] op ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [gedaagde] . De frauduleus verkregen gelden zijn immers mede besteed ten behoeve van [gedaagde] . [gedaagde] heeft derhalve mee geprofiteerd van de door [A] bij [eiser] verduisterde gelden.

Gemeenschap van goederen

2.3.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] niet betwist dat ter zake van de verduistering door [A] nog een bedrag van € 572.184,67 aan [bedrijfsnaam 2] betaald moet worden, zoals in eerdergenoemd tussenvonnis is overwogen, zodat de hoogte van deze resterende schuld als vaststaand moet worden aangenomen. Verder leidt de kantonrechter uit de stellingen van [eiser] af dat hij zich op het standpunt stelt dat [gedaagde] (hoofdelijk) aansprakelijk is voor deze schuld, omdat zij met [A] in gemeenschap van goederen is gehuwd. Voor zover [eiser] daarmee het oog heeft gehad op het bepaalde in artikel 1:85 BW oordeelt de kantonrechter als volgt.

2.4.

Hoofdregel bij de algehele gemeenschap van goederen is dat alle goederen van de echtgenoten tot die gemeenschap behoren. Ook alle schulden van de echtgenoten vallen in die gemeenschap (artikel 1:94 lid 1 en 2 BW). De wet maakt echter een uitzondering op deze hoofdregel door te bepalen dat schulden die aan één van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze zijn verknocht slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet (artikel 1:94 lid 3 BW).

De kantonrechter overweegt dat de schuld van € 572.184,67 ingevolge de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW in beginsel in de gemeenschap valt. Van hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 1:85 BW is echter geen sprake. Op grond van dit artikel zijn beide echtgenoten hoofdelijk aansprakelijk voor de ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen. De verduistering van de gelden die toebehoren aan [eiser] is geen activiteit die valt onder de gewone gang van de huishouding. Dit betekent dat uitsluitend degene die de gelden heeft verduisterd door [eiser] kan worden aangesproken, waarbij [eiser] in beginsel op grond van artikel 1:95 lid 1 BW wel het recht heeft zich te verhalen op de huwelijksgoederengemeenschap. De enkele stelling dat [gedaagde] uit hoofde van de gemeenschap van goederen (persoonlijk) aansprakelijk is, ziet op een onjuiste interpretatie van de wettelijke regels omtrent de huwelijksgoederengemeenschap. Die regels zien op de onderlinge draagplicht en/of verhaal en niet op de aansprakelijkheid zelf. Dit heeft ook te gelden voor het door [gedaagde] ingenomen standpunt dat de vordering van [eiser] moet worden gezien als een verknochte schuld toe te rekenen aan [A] op grond van artikel 1:94 lid 3 BW. De Hoge Raad oordeelt dat het antwoord op de vraag of een goed bijzonder verknocht is afhangt van de aard van het goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (HR 23 december 1988, NJ 1989, 700, r.o. 3.2). In onderhavige geding gaat het weliswaar om een schuld, maar ook voor schulden dient naar bovenstaande maatstaf van de Hoge Raad worden gekeken. Uit de rechtspraak blijkt verder dat er hoogst zelden van een verknochte schuld kan worden gesproken. Voor de persoonlijke aansprakelijkheid (en dat is wat is gevorderd) van [gedaagde] is dus niet relevant of hier sprake is van een verknochte schuld. Verknochtheid speelt slechts een rol bij de vraag of de vordering al dan niet in de gemeenschap valt. Die vraag is niet aan de kantonrechter voorgelegd. Voor het aannemen van persoonlijke aansprakelijkheid is wel relevant in hoeverre [gedaagde] van de verduistering door [A] op de hoogte was en hiertegen geen actie heeft ondernomen die verduistering tegen te gaan, waarover hieronder meer; hetgeen dan valt te kwalificeren als onrechtmatig handelen.

Samenloop onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking

2.5.

Vooropgesteld wordt dat [eiser] zijn vorderingen zowel op ongerechtvaardigde verrijking als onrechtmatige daad heeft gegrond. Als aan de vereisten voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is voldaan en tevens sprake is van ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW, vloeit de verplichting tot schadevergoeding zowel uit de ene als uit de andere rechtsgrond voort (PG Boek 6, p. 830-833). Daarbij geldt dat voor beide rechtsgronden door de wet in belangrijke mate verschillende eisen worden gesteld, zodat vaststelling van aansprakelijkheid aan de hand van één rechtsgrond niet zonder meer aansprakelijkheid meebrengt op de andere rechtsgrond. Er moeten zodanige feiten en omstandigheden worden gesteld dat aan de voorwaarden voor beide grondslagen is voldaan. Voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad geldt het verrijkingsvereiste niet. Andersom gelden voor de verrijkingsvordering niet de vereisten van onrechtmatigheid en toerekenbaarheid.

Omdat [eiser] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en hij zich op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde feiten en omstandigheden beroept, dient hij te stellen en te bewijzen dat aan de vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan, zodat hij ook dient te stellen en te bewijzen het causale verband tussen die schade en het handelen van [gedaagde] . Omdat [eiser] stelt dat [gedaagde] ongerechtvaardigd zou zijn verrijkt en hij zich op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten en omstandigheden beroept, dient hij te stellen en te bewijzen dat aan de vereisten van artikel 6:212 BW is voldaan, zodat hij ook zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat en tot welk bedrag zij schade heeft geleden (vgl. Hoge Raad 26 januari 2001, NJ 2002, 118). Verder dient tussen de gestelde verrijking van [gedaagde] enerzijds en de door [eiser] gestelde schade anderzijds een zeker verband te bestaan.

2.6.

Met inachtneming van de hiervoor genoemde eisen oordeelt de kantonrechter als volgt.

2.7.

Vast is komen te staan dat [A] in de periode van 1 maart 2014 tot en met 29 januari 2016 een bedrag van € 572.184,67 in dienstbetrekking heeft verduisterd bij haar voormalig werkgever [bedrijfsnaam 2] . [A] heeft zoals eerder overwogen onrechtmatig jegens haar werkgever [bedrijfsnaam 2] gehandeld en is daarvoor ten volle aansprakelijk. Niet althans onvoldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] zelf bij de verduistering is betrokken. [eiser] verwijt [gedaagde] dat hij onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij zou hebben geweten, althans behoorde te weten, dat er binnen de gemeenschappelijke huishouding structureel hoge aanvullende bedragen binnenkwamen zonder dat daar enige prestatie of rechtsgrond tegenover stond en dat [gedaagde] die situatie heeft laten voortduren zonder in te grijpen en daarmee heeft geprofiteerd van het frauduleus handelen van zijn echtgenote [A] . [gedaagde] stelt echter dat [A] gokverslaafd is en dat hij niet op de hoogte was van de gokverslaving van zijn echtgenote. [gedaagde] stelt verder dat hij niet op de hoogte was van de gestorte bedragen op de bankrekening(en) en daar ook feitelijk geen inzage in had, omdat zijn echtgenote de administratie regelde. [A] heeft na ontdekking aan haar werkgever medegedeeld dat [gedaagde] niet op de hoogte was van de verduistering noch van de gokverslaving. Dat [A] gokverslaafd is, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft daartoe immers over de periode februari 2014 tot en met februari 2016 overzichten overgelegd afkomstig van […] naar aanleiding van door [A] bij […] opgevraagde gegevens. De kantonrechter ziet onvoldoende reden die overgelegde gegevens in twijfel te trekken. Niet is gebleken dat [gedaagde] op de hoogte was van de gokverslaving van [A] . [gedaagde] betwist kennis van de op de bankrekeningen gestorte bedragen. Wetenschap van [gedaagde] is niet komen vast te staan. Dat [gedaagde] mogelijk uit de bankafschriften had kunnen afleiden dat aanmerkelijke bedragen werden gestort, die niet strookten met de inkomsten van [A] en [gedaagde] , betekent zonder deugdelijke toelichting, die ontbreekt, niet zonder meer kan worden geoordeeld dat [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. Dat [gedaagde] mogelijkerwijs geprofiteerd heeft van betalingen die aan [A] zijn verricht brengt, anders dan [eiser] bepleit, niet zonder meer mee dat hij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De door [eiser] aangevoerde subsidiaire grondslag faalt.

2.8.

De kantonrechter komt vervolgens toe aan beantwoording van de vraag of [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt en uit dien hoofde jegens [eiser] schadeplichtig is. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Op grond van artikel 6:212 BW dient degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van de ander de schade die de ander lijdt te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking, voor zover dit redelijk is. Tussen de verrijking en de verarming moet voldoende verband bestaan. De bewijslast ter zake rust volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op [eiser] . De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] genoegzaam heeft aangetoond dat [gedaagde] ten koste van [eiser] is verrijkt. Immers niet ter discussie staat dat [A] in een periode van 22 maanden aanzienlijke bedragen heeft verduisterd door overmaking op de gemeenschappelijke bankrekening van [A] en [gedaagde] . Verarming van [eiser] staat dan ook vast. Die bedragen zijn in het vermogen van [A] en [gedaagde] terechtgekomen, maar dit betekent nog niet dat [gedaagde] aansprakelijk kan worden gehouden voor het totale bedrag van de verduistering, zoals door [eiser] kennelijk beoogd. Daarvoor moet komen vast te staan tot welk bedrag [gedaagde] (daadwerkelijk) profijt heeft ondervonden. [gedaagde] heeft bankafschriften overgelegd over de periode maart 2014 tot en met februari 2016. [eiser] heeft op basis van die stukken een berekening gemaakt van de inkomsten van [A] en [gedaagde] over die periode en dat vergeleken met de bestedingen in diezelfde periode. Van de gemeenschappelijke bankrekening is in 22 maanden een bedrag van € 172.068,69 aan bestedingen te herleiden, buiten de gelden die door [A] zijn gebruikt ter financiering van haar gokverslaving, terwijl aan inkomstenkant slechts een bedrag van € 105.600,00 verklaarbaar is. Het verschil bedraagt € 66.468,69. Daarnaast wijst [eiser] nog op bijzondere uitgaven voor een bedrag van € 18.633,74 gebaseerd op andere door [gedaagde] overgelegde bankbescheiden. [gedaagde] heeft erkend dat op basis van de overgelegde bankafschriften moet worden aangenomen dat het uitgavenpatroon hoger was dan de inkomsten, maar meent dat een aantal zaken aantoonbaar te hoog zijn meegenomen in de berekening van [eiser] . [gedaagde] onderbouwt niet, althans volstrekt onvoldoende, waarom de berekening van [eiser] onjuist zou zijn. Het is niet aan de kantonrechter om de door [gedaagde] grote hoeveelheid ingebrachte bankafschriften zelf te gaan controleren. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om concreet aan te geven wat er aan de berekening van [eiser] schortte. Dit heeft hij echter niet, althans onvoldoende, gedaan. De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid van die berekening. Het verweer van [gedaagde] dat hij geen weet heeft gehad van het saldo van de bankrekeningen en dat hij niet heeft geprofiteerd, faalt. Het ontbreken van wetenschap, voor zover dat al moet worden aangenomen, is in onderhavig geval voor de beoordeling of [gedaagde] profijt heeft gehad immers niet relevant. Tussen de verarming van [eiser] en de verrijking van [gedaagde] bestaat, gelet op het bovenstaande voldoende verband. Aangenomen moet dan ook worden dat een bedrag van € 85.102,34 ten goede is gekomen aan [gedaagde] en/of het gezin van [gedaagde] , zodat uit dien hoofde de verrijking (mede) kan worden toegerekend aan [gedaagde] . De kantonrechter begroot de schade uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking dan ook op een bedrag van € 85.102,43 en zal de vordering van [eiser] tot dit bedrag toewijzen.

2.9.

Ten overvloede merkt de kantonrechter nog het volgende op. Voor zover [A] uit hoofde van het (tussen)vonnis van 13 juli 2016 aan haar verplichtingen jegens [bedrijfsnaam 2] ( [eiser] ) heeft voldaan, heeft te gelden dat [eiser] dan niet langer aanspraak kan maken op betaling door [gedaagde] van het hierboven genoemde schadebedrag.

2.10.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld met dien verstande dat die kosten zullen worden gerelateerd aan het toegewezen bedrag en zullen worden beperkt tot het salaris gemachtigde, omdat in het tussenvonnis van 13 juli 2016 jegens [A] ten aanzien van de overige kosten (inclusief beslag) reeds vonnis is gewezen.

3 De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 85.102,43 te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.800,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2017.