Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1719

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-02-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
5625516 MV EXPL 17-3 mc/936
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Werknemer is vrijgesteld van werk in verband met het vervallen van zijn functie. Werknemer vordert weder te werk stelling bij voorlopige voorziening. Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat er geen juridisch relevant onderscheid tussen een vrijstelling van werkzaamheden van een werknemer en het op non-actief stellen of schorsen van een werknemer. De kantonrechter stelt voorop dat de toewijsbaarheid van een vordering van een werknemer, strekkende tot opheffing van een vrijstelling van werkzaamheden en om, daarmee samenhangend, in de gelegenheid gesteld te worden de overeengekomen arbeid te verrichten, moet worden beoordeeld aan de hand van de algemene maatstaf van artikel 7:611 BW. Een maatregel als het vrijstellen van werkzaamheden mag slechts worden genomen als toelating van de werknemer op het werk aan de goede gang van zaken bij de werkgever grote schade zou toebrengen of wanneer vanwege andere zwaarwegende redenen, waartegen de belangen van de werknemer niet opwegen, in redelijkheid van de werkgever niet gevergd kan worden dat hij de werknemer nog langer op het werk duldt (vgl. gerechtshof Leeuwarden, 29 november 2011, JAR 2012, 14). Dienaangaande stelt de kantonrechter vast dat (ook) aan [eiser] eind september 2016 is meegedeeld dat de positiewijziging van eiser ‘geen gevolgen heeft voor banen’ en dat hem nog geen twee maanden later wordt meegedeeld dat zijn functie komt te vervallen. Geoordeeld wordt dat dit niet getuigt van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW. Start People heeft ter zitting onvoldoende duidelijk kunnen maken dat het vervallen van de functie niet direct bij de voorgenomen reorganisatie was te voorzien. De conclusie luidt dan ook dat de maatregel van Start People om [eiser] per 1 december 2016 vrij te stellen van werkzaamheden in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd was. Desondanks wordt de vordering tot weder te werk stelling afgewezen, omdat het UWV op korte termijn inhoudelijk zal beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0468
RAR 2017/104
Prg. 2017/142
AR 2017/1875
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 5625516 MV EXPL 17-3 mc/936

Kort geding vonnis van 27 februari 2017

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.H.J. Cornelissen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Start People Beheer B.V.,

gevestigd te Almere,

verder ook te noemen Start People,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A. Hendrickx.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met in totaal 17 producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitaantekeningen van [eiser]

  • -

    de pleitnotities van Start People.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[eiser] is op 1 september 2006 in dienst getreden van Start Uitzendbureau B.V. in de functie van Area Manager Arnhem. [eiser] heeft vervolgens diverse functies in de Start-organisatie vervuld. Laatstelijk - vanaf 1 oktober 2015 - verrichtte [eiser] de functie van (niet-statutair) directeur van [bedrijfsnaam 1] B.V. (verder: [bedrijfsnaam 1] ), waarbij hij in dienst was van Start People. Op zijn dienstverband zijn de ‘Algemene Arbeidsvoorwaarden vast perso-neel Start People’ van toepassing. Zijn laatstgenoten salaris inclusief vakantietoeslag en bonus bedraagt € 110.000,00 bruto per jaar.

2.2.

In september 2016 heeft het hogere management van Start People/USG People be-sloten tot een wijziging van de positie van [bedrijfsnaam 1] binnen de USG People-organisatie.

2.3.

Desgevraagd heeft de toenmalige leidinggevende van [eiser] , tevens Algemeen Directeur van Start People, [A] , aan [eiser] meegedeeld dat hij een arbeids-overeenkomst met een andere vennootschap zou krijgen, maar dat er op het persoonlijke vlak niets zou veranderen.

Op 26 september 2016 is het personeel van [bedrijfsnaam 1] geïnformeerd omtrent de voorgeno-men wijzigingen. In een van de sheets uit de presentatie daarvan is vermeld dat ‘dit geen ge-volgen heeft voor banen’ en dat deze clustering carrièreperspectieven voor iedereen biedt. Verder is in de sheets het volgende vermeld:

“• [eiser] (Directeur [bedrijfsnaam 1] ) rapporteert per 1 oktober 2016 aan [B] i.p.v. [A] (Directeur Start People)

• [B] is eindverantwoordelijk voor het cluster Business Services waarin [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 1] als aparte merken gepositioneerd worden.”

Op de laatste sheet van de presentatie is het volgende vermeld:

“• Kennismaken met de drie bedrijven: [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 3] & [bedrijfsnaam 1] .

• Onderzoeken op welke gebieden we van elkaars expertise gebruik kunnen maken en hoe deze commercieel te kunnen inzetten.

• Besluiten op welke gebieden we synergie kunnen creëren.

• Een [bedrijfsnaam 1] OR onderdeel creëren in de GemOr van het Cluster Business Services.

• Locatie, huisstijl blijven in deze periode gelijk.

• Bij lancering van gezamenlijke propositie informeren we klanten.”

Kort nadien heeft zijn nieuwe leidinggevende, [B] , het vorenstaande bevestigd aan [eiser] .

2.4.

Vanaf 1 oktober 2016 is [bedrijfsnaam 1] onderdeel van het Cluster Business Services, waartoe ook de merken [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] behoren.

2.5.

Bij brief van 17 november 2016, met als onderwerp ‘Bevestiging vervallen functie’ is onder meer het volgende aan [eiser] meegedeeld:

“De toevoeging van [bedrijfsnaam 1] aan de cluster Business Services zorgt ervoor dat [bedrijfsnaam 1] onder het aansturingsmodel van dit cluster is komen te vallen. De Algemeen Directeur ( [B] ) stuurt de merken [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] al aan en hier komt [bedrijfsnaam 1] dus bij. De merken zelf worden vervolgens operationeel aangestuurd door landelijk managers met een rol als zijnde meewerkend voorman.

Voorgaande betekent dat jouw functie van directeur [bedrijfsnaam 1] komt te vervallen. Zoals aan-gegeven bestaat binnen de structuur van [bedrijfsnaam 1] enkel nog de functie van landelijk mana-ger. Deze is echter puur operationeel en dus niet te vergelijken met de functie van directeur.

Wij hebben een onderzoek gedaan naar eventuele passende functies en hebben vandaag de vacaturelijst doorgenomen. Op dit moment zijn er geen passende functies voorhanden binnen

[bedrijfsnaam 1] , Start People of een van de andere werkmaatschappijen van USG People.

Aangezien we momenteel geen passende functie voor jou hebben, zul je op korte termijn van-uit de afdeling Juridische Zaken een beëindigingsvoorstel ontvangen. Dit voorstel zal geba-

seerd zijn op de met de COR van USG People getroffen regeling “Sociale Regeling USG

People Nederland 2015-2018”.

Ik realiseer me dat het vervallen van jouw functie geen eigen keuze is en een behoorlijke im-pact kan hebben op jouw persoonlijke situatie. Mocht je naar aanleiding van deze brief nog vragen hebben, schroom dan niet om contact op te nemen met mij.”

Bij deze brief is een vaststellingsovereenkomst gevoegd, waarin onder meer is vermeld dat de arbeidsovereenkomst per 1 april 2017 zal worden beëindigd, waarbij de transitievergoe-ding € 30.678,00 bruto bedraagt.

2.6.

Ingevolge artikel 13 van de ‘Sociale regeling USG People Nederland 2015-2018’ heeft [eiser] op 23 november 2016 een bezwaarschrift ingediend tegen de voorgenomen beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst.

2.7.

Op 30 november 2016 heeft [B] , Algemeen Directeur van Cluster Busi-ness Services, het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Hierbij is [eiser] er onder meer op gewezen dat de functie van landelijk manager niet passend is, aangezien dat meer een opera-tionele functie betreft, met een substantieel lager salaris en een forse inperking van taken. Verder is aan [eiser] meegedeeld dat zijn functie per 1 december 2016 komt te vervallen, zodat hij vanaf die datum ook geen werkzaamheden meer hoeft te verrichten.

2.8.

Bij brief van 7 december 2016 heeft de gemachtigde van [eiser] aan Start People meegedeeld dat [eiser] zich verzet tegen een ontslag, aangezien er sprake is van een on-voorwaardelijke toezegging van [B] en [A] , inhoudende dat de herposi-tionering geen gevolgen zou hebben voor zijn baan. Verder is niet gebleken dat er geen uit-wisselbare of passende functie in de USG-organisatie beschikbaar is. Tevens heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen zijn vrijstelling van het verrichten van arbeid.

2.9.

Start People heeft in haar brief van 15 december 2016 aan de gemachtigde van [eiser] meegedeeld dat de reden voor het ontslag bedrijfseconomisch is. Verder is hierin ver-meld:

“Het is correct dat ten tijde van de verhanging van Start People naar de cluster Business Ser-vices is aangegeven dat dit geen gevolgen zou hebben voor banen. Dat is op dat moment door USG People ook niet voorzien. Helaas is al snel gebleken dat dit ten aanzien van uw cliënt toch het geval was. Uiteraard vindt USG People het spijtig dat deze conclusie al zo snel ge-trokken moet worden, maar in het belang van de cluster Business Services heeft USG People deze beslissing wel moeten nemen. Zoals ook in de brief van 30 november jl. aan uw cliënt is medegedeeld, heeft mevrouw [B] al snel geconstateerd dat sprake was van de situ-atie waarin 2 kapiteins op 1 schip zaten. De (bestuurlijke en strategische) taken die uw cliënt uitvoerde zijn toegevoegd aan het takenpakket van mevrouw [B] . Zij heeft immers een veel kleinere span of control dan de directeur van Start People en zit dus dichter bij het vuur en zal zaken zelf oppakken en [bedrijfsnaam 1] dus ook zelf meer aansturen dan in de situatie bij Start People het geval is.

USG People erkent weliswaar dat de gedane toezegging is gedaan, maar dat betekent nog niet dat sprake is van een onvoorwaardelijke toezegging op een baan voor uw cliënt. Dit staat niet alleen nergens, maar een dergelijke onvoorwaardelijk toegezegde baan bestaat ook niet. Niet in algemene zin, en zeker niet in een dynamische organisatie als USG People, waar dagdage-lijks aanpassingen moeten plaatsvinden om de continuïteit van het bedrijf te kunnen waarbor-gen in de continu veranderende hyper concurrentiële markt waarin USG People opereert. De verwachting was dat de verhanging van [bedrijfsnaam 1] geen gevolgen zou hebben voor de huidige werknemers maar zoals aangegeven is helaas al snel gebleken dat dit voor uw cliënt toch het geval is.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Start People bij wege van voorlopige voorziening om hem in staat te stellen de werkzaamheden op de ge-bruikelijke wijze te hervatten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 50.000,00. Verder vordert [eiser] veroordeling van Start People in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eiser] dat er geen valide gronden zijn voor zijn ontslag en derhalve ook niet voor een schorsing. [eiser] heeft erop gewezen dat zijn functie nog in volle omvang bestaat en dat niets eraan in de weg staat dat hij deze functie weer gaat vervullen. Voor zover de functie wel zou zijn vervallen, geldt dat hij ingevolge ar-tikel 10 van de Sociale Regeling recht heeft op een passende functie. Ter zake de schorsing of op non-actiefstelling heeft [eiser] gesteld dat dit per definitie diffamerend is en hem schaadt in zijn goede naam en faam, waarbij komt dat Start People heeft aangegeven een UWV-procedure te gaan starten.

3.3.

Start People heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft erop gewezen dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, aangezien het UWV op korte termijn uitspraak zal doen en het salaris van [eiser] gewoon wordt doorbetaald. Verder heeft Start People gesteld dat er geen sprake is van een schorsing of non-actiefstelling, maar dat hij is vrijgesteld van zijn werkzaamheden wegens het vervallen van zijn functie per 1 december 2016.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Om het treffen van een ordemaatregel of het vooruitlopen op de bodemprocedure te recht-vaardigen, is een spoedeisend belang aan de zijde van [eiser] vereist.

4.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat er geen juridisch relevant onderscheid tussen een vrijstelling van werkzaamheden van een werknemer en het op non-actief stellen of schorsen van een werknemer. Hooguit kan worden geoordeeld dat het "vrijstellen van werk-zaamheden" neutraler klinkt dan de meer beladen bewoordingen "op non-actief stellen" of “schorsen”. Hierna zal, overeenkomstig de door Start People gebruikte terminologie, over een vrijstelling van werkzaamheden worden gesproken.

4.3.

De kantonrechter stelt voorop dat de toewijsbaarheid van een vordering van een werknemer, strekkende tot opheffing van een vrijstelling van werkzaamheden en om, daar-mee samenhangend, in de gelegenheid gesteld te worden de overeengekomen arbeid te ver-richten, moet worden beoordeeld aan de hand van de algemene maatstaf van artikel 7:611 BW, die verwijst naar wat een goed werkgever behoort te doen en na te laten. Deze maatstaf brengt in het algemeen gesproken mee dat de toewijsbaarheid afhangt van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid en van de bijzondere omstandigheden van het geval (vgl. Hoge Raad 12 mei 1989, NJ 1989, 801). De kantonrechter overweegt dat het min of meer per direct vrijstellen van werkzaamheden van een werknemer, zoals in het on-derhavige geval, een zeer ingrijpende maatregel is voor de betreffende werknemer, die niet zonder noodzaak mag worden genomen. Hoewel er geen algemeen geldend recht op tewerk-stelling bestaat, brengen de eisen van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW) mee dat de werkgever jegens zijn werknemer zorgvuldig dient te handelen en dat er naar gestreefd dient te worden om een werknemer pas van zijn werkzaamheden vrij te stellen op het moment dat het dienstverband op rechtmatige en regelmatige wijze is beëindigd. Het goed werkgever-schap brengt ook mee dat de werknemer in een situatie waarin zijn functie volgens de werk-gever is komen te vervallen en er een andere passende functie, intern dan wel extern, wordt gezocht, de verdere ontwikkelingen in beginsel mag afwachten vanuit een werkende situatie. Daartoe rust op zowel werknemer als werkgever een zekere inspanningsverplichting. Een maatregel als het vrijstellen van werkzaamheden mag slechts worden genomen als toelating van de werknemer op het werk aan de goede gang van zaken bij de werkgever grote schade zou toebrengen of wanneer vanwege andere zwaarwegende redenen, waartegen de belangen van de werknemer niet opwegen, in redelijkheid van de werkgever niet gevergd kan worden dat hij de werknemer nog langer op het werk duldt (vgl. gerechtshof Leeuwarden, 29 novem-ber 2011, JAR 2012, 14).

4.4.

Dienaangaande stelt de kantonrechter vast dat (ook) aan [eiser] eind september 2016 is meegedeeld dat de positiewijziging van [bedrijfsnaam 1] ‘geen gevolgen heeft voor banen’ en dat hem nog geen twee maanden later wordt meegedeeld dat zijn functie komt te verval-len. Geoordeeld wordt dat dit niet getuigt van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW. Start People heeft ter zitting onvoldoende duidelijk kunnen maken dat het vervallen van de functie niet direct bij de voorgenomen reorganisatie was te voorzien. Van Start People had verder als goed werkgever mogen worden gevergd dat in afwachting van het vinden van een andere passende functie voor [eiser] , intern dan wel extern, zij [eiser] - in beginsel - in een werkende situatie had gelaten. De kantonrechter acht het voor-alsnog moeilijk voorstelbaar dat binnen een grote organisatie als Start People niet een tijde-lijke oplossing had kunnen worden gevonden. Hierbij wordt erop gewezen dat voldoende is komen vast te staan dat er een vacature is voor de functie van Landelijk manager. Voors-hands wordt niet ingezien dat [eiser] deze functie, al is het maar tijdelijk, niet zou kunnen vervullen.

4.5.

De kantonrechter kan [eiser] verder volgen in zijn stelling dat de bezwaarproce-dure niet zorgvuldig is geweest. Het gegeven dat [B] , die het besluit heeft genomen om [eiser] vrijstelling van zijn werkzaamheden te verlenen, ook het bezwaarschrift heeft behandeld, getuigt niet van een onafhankelijke behandeling ervan, wat wel mag worden ver-wacht, wanneer de mogelijkheid wordt opengesteld om een bezwaarschrift in te dienen. Dat dit als zodanig is geregeld in de reglementen, maakt dit niet anders.

4.6.

De conclusie luidt dan ook dat de maatregel van Start People om [eiser] per 1 de-cember 2016 vrij te stellen van werkzaamheden in de gegeven omstandigheden niet gerecht-vaardigd was. De vordering om [eiser] weer toe te laten tot zijn functie zou in beginsel dan ook voor toewijzing in aanmerking kunnen komen. Echter, in het kader van een afweging van de belangen van partijen over en weer, acht de kantonrechter het toewijzen van de vorde-ring vooralsnog niet geïndiceerd. De kantonrechter overweegt daartoe dat voorshands vol-doende is gebleken dat de werkzaamheden die behoren bij zijn functie zijn overgenomen door [B] , waardoor zijn functie is ‘uitgehold’. De vraag is dan ook welke werk-zaamheden [eiser] weer kan gaan verrichten. [eiser] kan dan ook niet, zoals hij vordert, weer in volle omvang tot de bedongen arbeid worden toegelaten.

4.7.

De kantonrechter overweegt verder dat de vragen, zoals hierboven omschreven, die in dit kort geding centraal staan ook aan de orde komen in het kader van het inmiddels door Start People bij het UWV ingediende verzoek om toestemming te verlenen voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst. Het UWV zal daarop naar verwachting binnen korte termijn beslissen. De kantonrechter wil het UWV niet voor de voeten lopen met een voorlopig oordeel als daarvoor geen spoedeisende reden bestaat. Het is immers het UWV die na de invoering van de WWZ op grond van artikel 7:669 lid 3 onder a BW de aangewezen instantie is die moet oordelen over het verzoek van Start People de dienstbetrekking te mogen beëindigen. [eiser] heeft in dat kader aangevoerd dat hij in zijn goede naam en faam wordt geschaad, nu hij geen werkzaamheden kan en mag verrichten. De kantonrechter overweegt dat hij thans reeds bijna drie maanden geen werkzaamheden verricht en dat niet is onderbouwd op welke wijze [eiser] in zijn belangen wordt geschaad als hij nog circa twee à drie weken op de uitslag van de procedure bij het UWV moet wachten. Dat zal ook het mo-ment zijn waarop hij meer duidelijkheid krijgt. Het salaris van [eiser] wordt aan hem door-betaald. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] thans geen zo-danig spoedeisend belang heeft dat het treffen van een voorlopige voorziening is gerecht-vaardigd.

4.8.

De gevorderde wedertewerkstelling zal dan ook worden afgewezen.

4.9.

De kantonrechter ziet, gelet op alle omstandigheden van het geval, aanleiding de proceskosten te compenseren in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2017.