Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1690

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-04-2017
Datum publicatie
05-04-2017
Zaaknummer
UTR 17/569
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om de opgelegde lasten onder dwangsom met toepassing van artikel 5:34, eerste lid, van de Awb op te heffen, op te schorten dan wel te verminderen. Niet aannemelijk gemaakt dat het voor verzoeker wegens overmacht onmogelijk was om aan de lasten te voldoen. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen weigeren om gebruik te maken van zijn bevoegdheid de lasten op te schorten. Voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/569

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder

(gemachtigde: mr. W.L. van der Heijden).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde-partij] , te [woonplaats] ,

(gemachtigde: mr. E. Pasman) en [naam], te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2017, verzonden op 18 januari 2017, (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om met toepassing van artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aan verzoeker op 24 november 2015 opgelegde lasten onder dwangsom op te heffen, te verminderen of de looptijd ervan op te schorten.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn partner [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij [derde-partij] is tevens verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens derde-partij [naam] is [B] verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1.

De voorzieningenrechter gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten.

Verzoeker woont met zijn gezin op het perceel [adres] te [woonplaats] (het perceel) in het bouwwerk dat in gebruik is als woning (het bewoonde gebouw). Het bewoonde gebouw is rond 1963 gebouwd en wordt sinds 1983 bewoond. Verzoeker huurt sinds 1998 het bewoonde gebouw. Sinds 13 augustus 1999 is verzoeker ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) op het adres [adres] . Verzoekers partner,

[A] , is op 14 april 2000 in de GBA op dit adres ingeschreven. Op 7 juni 2005 heeft zij het perceel gekocht.

2.2.

Bij besluit van 24 november 2015 (het dwangsombesluit) heeft verweerder verzoeker gelast om voor 1 juni 2016 op het perceel:

1) het bewonen van een bouwwerk en het gebruik daarvan als kantoorruimte te staken en gestaakt te houden;

2) de bouwkundige voorzieningen die het bouwwerk geschikt maken voor bewoning dan wel als kantoorruimte, zoals keuken, badkamer en toiletten, te verwijderen en verwijderd te houden;

3) de uitbouw, garage en overkapping te verwijderen en verwijderd te houden.

Aan genoemde lastgevingen heeft verweerder voor iedere last afzonderlijk een dwangsom verbonden van € 5.000,- per maand of een deel van de maand dat niet is voldaan aan de lasten, met een maximum van € 50.000,-.

2.3.

Bij besluit van 31 mei 2016 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen voornoemd dwangsombesluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RBMNL:2016:4510) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het beroep van verzoeker tegen dit besluit ongegrond verklaard en zijn verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft het dwangsombesluit met de uitspraak van 9 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3073) in hoger beroep in stand gelaten. De begunstigingstermijn is in het kader van deze procedures verlengd tot 1 december 2016.

2.4.

Bij brief van 29 november 2016 heeft verzoeker verweerder verzocht om de opgelegde lasten onder dwangsom met toepassing van artikel 5:34, eerste lid, van de Awb op te heffen, op te schorten dan wel te verminderen. Daarbij heeft hij toegelicht dat hij financieel niet in staat is om aan de opgelegde lastgevingen te voldoen. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het primaire besluit genomen.

3.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker bij brief van 22 februari 2017 de rechtbank heeft verzocht om de door verweerder aan de rechtbank toegezonden financiële stukken, ter onderbouwing van zijn verzoek om toepassing te geven aan artikel 5:34, eerste lid, van de Awb, niet aan de derde-partijen te verstrekken. Bij beslissing van 16 maart 2017 heeft deze rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming van de door verzoeker bedoelde stukken niet gerechtvaardigd is. Daarbij heeft de rechtbank aangekondigd dat verzoeker in de gelegenheid zal worden gesteld om mee te delen welke consequenties hij aan deze beslissing wenst te verbinden. Verzoeker is daarbij gewezen op de mogelijkheid om de stukken onderdeel te laten uitmaken van de procedure zodat de stukken ook naar de derde-partijen zullen worden toegezonden, dan wel om de rechtbank te verzoeken de betreffende stukken aan hem terug te sturen als gevolg waarvan de stukken niet worden betrokken bij de beoordeling van het geschil. Bij de begeleidende brief van 16 maart 2017 is die gelegenheid aan verzoeker geboden, waarbij is opgemerkt dat hij zijn reactie uiterlijk

20 maart 2017 schriftelijk of telefonisch kan geven. Verzoeker heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Tijdens de zitting heeft verzoeker daarover verklaard dat hij de status van de afwijzingsbeslissing niet goed heeft begrepen en dat hij uit de brief van 16 maart 2017 ook niet heeft kunnen afleiden dat hij voor 20 maart 2017 een reactie had moeten geven. Voor zover de beslissing van 16 maart 2017 inhoudt dat zijn verzoek om geheimhouding is afgewezen, dan wenst verzoeker de financiële stukken onderdeel uit te laten maken van deze procedure zodat ook de derde-partijen daar kennis van mogen nemen.

3.2.

De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat uit artikel 8:83, eerste lid, in verbinding met artikel 8:58 van de Awb volgt dat nadere stukken tot één dag voor de zitting kunnen worden ingediend. Als een stuk niet binnen deze termijn is ingediend, is het aan de rechtbank om te beslissen of de goede procesorde zich er tegen verzet dat het desbetreffende stuk bij de beoordeling van het bestreden besluit kan worden betrokken. De derde-partijen hebben zich ter zitting uitdrukkelijk verzet tegen het betrekken van de financiële stukken bij de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Zoals ter zitting reeds aan partijen is meegedeeld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat door pas tijdens de zitting kenbaar te maken dat de financiële stukken onderdeel mogen uitmaken van deze procedure, er onvoldoende gelegenheid voor de derde-partijen en voor de voorzieningenrechter was om op adequate wijze daarop te reageren. Daardoor is de goede voortgang van de procedure belemmerd. De goede procesorde verzet zich er dan ook tegen dat de betreffende financiële stukken bij de beoordeling van het primaire besluit worden betrokken. De rechtbank betrekt daarbij dat uit de brief van 16 maart 2017 voldoende duidelijk blijkt dat verzoeker contact met de rechtbank had moeten opnemen om kenbaar te maken welke gevolgtrekking hij aan de afwijzingsbeslissing had willen verbinden. Dat verzoeker in de veronderstelling was dat met de afwijzing van zijn geheimhoudingsverzoek de financiële stukken per definitie zouden worden betrokken in de procedure, komt voor zijn rekening en risico.

4.1.

Ten aanzien van het spoedeisend belang heeft verweerder het standpunt ingenomen dat er geen sprake is van een acute financiële noodsituatie en er door de uitvoering van het primaire besluit ook geen onomkeerbare gevolgen ontstaan. Er is nog geen invorderingsbeschikking genomen. Volgens verweerder is er dan ook geen sprake van een spoedeisend belang.

4.2.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.3.

Vast staat dat de aan het dwangsombesluit verbonden begunstigingstermijn, die in het kader van de (hoger)beroepsprocedures was verlengd tot 1 december 2016, inmiddels is verstreken. Echter staat ook vast dat, zo al dwangsommen zijn verbeurd, niet het maximale bedrag aan verbeurde dwangsommen is bereikt. Verzoeker loopt derhalve kans om vanwege de aan hem opgelegde lasten (nog meer) dwangsommen te verbeuren. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. De omstandigheid dat nog geen invorderingsbeslissing is genomen, maakt dit niet anders.

5.1.

Ten aanzien van de connexiteit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk betrekking heeft op het dwangsombesluit van 24 november 2015. Nu het hier voorliggende primaire besluit de weigering betreft toepassing te geven aan artikel 5:34, eerste lid, van de Awb, ontbreekt volgens verweerder de materiële connexiteit.

5.2.

Anders dan door verweerder is gesteld, concludeert de voorzieningenrechter dat aan de vereiste connexiteit als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wel is voldaan, nu verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het primaire besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd. Daarbij is de voorzieningenrechter verzocht om tijdelijke opschorting van de lasten. De voorzieningenrechter ziet geen beletsel om, indien daartoe aanleiding bestaat, bij wijze van voorlopige maatregel aan dat verzoek te voldoen.

6.1.

Ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om toepassing te geven aan artikel 5:34, eerste lid, van de Awb, heeft verweerder bij het primaire besluit het standpunt ingenomen dat niet is gebleken dat het voor verzoeker onmogelijk was om aan de lasten te voldoen. Verzoeker heeft door verlenging van de begunstigingstermijn uiteindelijk een jaar de gelegenheid gehad om de overtredingen op het perceel te beëindigen, welke termijn twee maal langer is dan het gemeentelijk handhavingsbeleid voorschrijft. Gelet op deze zeer ruime termijn had het voor hem mogelijk moeten zijn geweest vervangende woonruimte te vinden alsmede de overige overtredingen op het perceel te (doen) ongedaan maken. Verzoeker heeft steeds te kennen gegeven geen concrete stappen te hebben ondernomen om aan de lasten te voldoen. Verder heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij als eigenaar van de bouwwerken niet in staat is om de bijgebouwen af te breken en de woonvoorzieningen te verwijderen. Het algemeen belang dat is gediend met handhavend optreden en het voorkomen van precedentwerking, weegt zwaarder dan het belang van verzoeker bij het voortbestaan van de strijdige situatie. De door verzoeker gestelde beperkte financiële draagkracht vormt geen reden om de lasten onder dwangsom op te heffen, te verminderen of op te schorten. Voor zover het nu onmogelijk is voor verzoeker om aan de lasten te voldoen, is deze onmogelijkheid toerekenbaar door hem veroorzaakt, aldus verweerder.

6.2.

Verzoeker voert aan dat het onmogelijk is om aan de opgelegde lasten te voldoen, nu de hiervoor benodigde middelen ontbreken. Er kunnen ook geen vermogensbestanddelen te gelde worden gemaakt om die middelen te creëren, omdat die middelen in de betreffende woning zitten. Andere woonruimte wordt hem door verhuurders niet ter beschikking gesteld, omdat de lasten van de nog op zijn woning rustende hypotheek ondanks alles gewoon doorlopen. Het aankopen van een ander huis behoort al helemaal niet tot de mogelijkheden. Het ten uitvoer leggen van de opgelegde lasten brengt hem en zijn gezin in een onmogelijke situatie waarbij zij op straat komen te staan zonder een dak boven hun hoofd en met alle gevolgen van dien; persoonlijk faillissement, beroep op bijstand, schuldsanering, sociale huurwoning en schoolproblemen voor de kinderen.

Verder stelt verzoeker dat hij op dit moment een procedure voert tegen de makelaar (en diens verzekeraar), die bij de taxatie ten behoeve van de aankoop van de woning in 2005 een fout heeft gemaakt door niet op te merken dat het perceel geen bouw- en woonbestemming heeft. De uitspraak in de civiele zaak hierover wordt binnenkort verwacht. Hij kan eerst dan aan de lasten voldoen, zodra er duidelijkheid bestaat over de aansprakelijkheid van de makelaar en verzoeker zijn schade vergoedt krijgt. Om die reden vraagt verzoeker in deze procedure om tijdelijke opschorting van de lasten.

6.3.

Op grond van artikel 5:34, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.

6.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de rechtmatigheid van het dwangsombesluit van 24 november 2015 niet aan de orde is, nu dit besluit met de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2016 onherroepelijk is geworden. In dit geding staat uitsluitend ter beoordeling of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat niet is voldaan aan de in artikel 5:34, eerste lid, van de Awb omschreven voorwaarden voor opheffing van de aan verzoeker bij voornoemd besluit opgelegde lasten onder dwangsom.

6.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem wegens overmacht onmogelijk was om aan de lasten te voldoen. Verzoeker heeft één jaar de tijd gehad om de overtredingen op het perceel te beëindigen. Niet is gebleken dat verzoeker met de inspanning die van hem mocht worden verwacht op zoek is gegaan naar andere woonruimte. Uit de gedingstukken blijkt dat verzoeker zich pas na het primaire besluit als woningzoekende bij de gemeente heeft ingeschreven. De stelling van verzoeker ter zitting dat hij al veel eerder heeft geprobeerd om andere woonruimte te zoeken, maar dat dit door sociale en financiële omstandigheden niet is gelukt, is op geen enkele wijze onderbouwd. Ook heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij als eigenaar van de bouwwerken niet in staat is geweest de bijgebouwen af te breken en de woonvoorzieningen te verwijderen. De omstandigheid dat zijn financiële situatie hieraan in de weg stond, heeft verzoeker niet onderbouwd. De stelling van verzoeker dat het ten uitvoer leggen van de opgelegde lasten hem en zijn gezin in een lastige situatie zal brengen met alle gevolgen van dien, maakt evenmin dat sprake is van een onmogelijkheid om aan de lasten te voldoen. Ook de omstandigheid dat de civiele aansprakelijkheidsprocedure nog loopt, is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder hierin aanleiding had moeten zien het verzoek tot opschorting van de lasten in te willigen.

6.6.

Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot opschorting van de aan verzoeker opgelegde lasten, omdat niet aan de voorwaarden van artikel 5:34, eerste lid, van de Awb is voldaan.

7. Nu de door verzoeker aangevoerde gronden niet slagen, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling ten gunste van verzoeker bestaat derhalve geen aanleiding. Gelet op het voorgaande behoeft het standpunt van verweerder dat het primaire besluit een gebonden besluit betreft, zodat de voorzieningenrechter niet zelf in de zaak kan voorzien door een voorlopige voorziening te treffen omdat het bestuursorgaan in bezwaar nog de vereiste belangenafweging moet maken, geen bespreking meer.

8. Ter zitting heeft de gemachtigde van de derde-partij [derde-partij] zich op het standpunt gesteld dat sprake is van misbruik van procesrecht, omdat verzoeker de ene na de andere (rechterlijke) procedure voert. Dit zou volgens haar moeten leiden tot het veroordelen van verzoeker in de door [derde-partij] gemaakte proceskosten. De voorzieningenrechter stelt voorop dat misbruik van procesrecht alleen aan de orde is, als er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht van de zijde van verzoeker. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan in deze procedure niet is gebleken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om verzoeker te veroordelen in de door [derde-partij] in deze procedure gemaakte proceskosten dan ook af.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- wijst het verzoek van de derde-partij [derde-partij] om een proceskostenveroordeling af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.W. Verhaagh, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.