Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1686

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
06-04-2017
Zaaknummer
4427124 / MC EXPL 15-9727
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering uit onverschuldigde betaling. Eiser betaalt een tweetal rekeningen door storting op een onjuiste bankrekening die op naam staat van een minderjarige. De wettelijk vertegenwoordiger stelt dat de bankpas van de minderjarige door een derde onder dwang is afgenomen en da de gestorte gelden door die derde is opgenomen. Toetsingskader artikel 6:209 BW. Vordering wordt afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat de verrichte betalingen tot voordeel hebben gestrekt van de minderjarige of haar wettelijk vertegenwoordiger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 1 februari 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 4427124 / MC EXPL 15-9727 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres] ,

gemachtigde mr. R.L.A.M. Oors,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [naam minderjarige] ,
hierna te noemen [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen [gedaagde sub 2] ,

wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [naam minderjarige] (hierna: [naam minderjarige] ),
gedaagden, hierna te zamen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s.,
gemachtigde: voorheen mr. R.J.G. Peters (Univé Rechtshulp), thans mr. R.G.M. Rijkhoff.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring

- de conclusie van antwoord in het incident

- het incidenteel vonnis van 23 december 2015

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- het tussenvonnis van 29 juni 2016

- de brief van 18 oktober 2016 aan de zijde van [eiseres]

- de brief van 2 november 2016 aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s.

- het proces-verbaal van comparitie van 8 november 2016

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 5 februari 2015 is er vanaf de (ING) betaalrekening [rekeningnummer] - dat op naam staat van [bedrijfsnaam 1] BV - een bedrag ad € 1.358,00 overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer] . Op 25 februari 2015 vindt er wederom een overboeking plaats van rekeningnummer [rekeningnummer] naar rekeningnummer [rekeningnummer] , en wel ter hoogte van € 2.044,00.

2.2.

De betalingen zien op twee facturen van [bedrijfsnaam 2] gericht aan [eiseres] . De betalingen hadden moeten worden verricht op de bankrekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijfsnaam 2] .

2.3.

Het rekeningnummer [rekeningnummer] staat op naam van [naam minderjarige] [gedaagde sub 1] .

2.4.

[eiseres] heeft op 4 maart 2015 nogmaals een bedrag van € 0,01,00 naar de rekening van [naam minderjarige] overgemaakt onder vermelding van:

“dit is de juiste rekening: verkeerd ontvangen […] - en […] – neem contact op tel nr [telefoonnummer] – bank is ingeligt”

2.5.

Bij brief van 27 mei 2015 heeft [eiseres] aan [naam minderjarige] verzocht over te gaan tot terugbetaling van de zonder rechtsgrond verrichte overboekingen van 6 februari 2015 en 25 februari 2015.

2.6.

[naam minderjarige] heeft op 31 mei 2015 aangifte gedaan van fraude met haar bankpas en bedreiging tegen een persoon genaamd [A] . [naam minderjarige] heeft (onder meer) verklaard:

“In de bus vroeg [voornaam van A] aan mij of ik mijn pinpas bij mij had. Ik gaf aan dat ik mijn pinpas bij mij had. [voornaam van A] zei toen “Geef je pasje! Anders ga ik je gewoon wat aandoen!” Ik heb toen mijn pinpas aan [voornaam van A] gegeven uit angst dat hij mij wat aan zou doen. [voornaam van A] zei ook tegen mij dat ik mijn pincode in zijn telefoon moest zetten. Ik heb dit toen gedaan omdat ik erg bang was voor hem.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdelijke veroordeling

van gedaagden (in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [naam minderjarige] ) om aan [eiseres] te voldoen € 3.409,64 aan hoofdsom, € 465,90 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 7 juni 2015, althans 21 juli 2015, althans vanaf de datum van de dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten (waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde) te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, eventueel te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten bij niet tijdige voldoening, alsmede de nakosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiseres] dat zij een tweetal bedragen

onverschuldigd aan [gedaagde sub 1] c.s. heeft betaald. [gedaagde sub 1] c.s. dient deze bedragen op grond van

art. 6:203 BW aan [eiseres] terug te betalen

3.3.

[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer en stelt zich primair op het standpunt dat [eiseres] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de rekening waarvan het geld is afgeschreven op naam van een andere rechtspersoon staat, niet zijnde [eiseres] .

[gedaagde sub 1] c.s. heeft voorts gesteld dat niet kan worden gezegd dat [gedaagde sub 1] c.s. zonder rechtsgrond heeft betaald. Het is niet duidelijk wat [eiseres] heeft bewogen om de bedragen op de betreffende rekening over te maken. Op grond van het voorgaande dient de vordering te worden afgewezen. Bovendien heeft [gedaagde sub 1] c.s. gesteld dat [naam minderjarige] slachtoffer is geworden van bedreiging/fraude /afpersing, waarbij een derde de beschikking kreeg over haar bankpas ten tijde dat de (door [eiseres] verrichte) betalingen van de rekening van [naam minderjarige] zijn afgehaald, zodat zij van die betalingen niet beter is geworden, aldus [gedaagde sub 1] c.s.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De kantonrechter blijft bij hetgeen bij tussenvonnis van 29 juni 2016 is overwogen.

Onverschuldigde betaling

4.1.

In onderhavig geschil is de vraag aan de orde of [gedaagde sub 1] c.s. de onder 2.1 genoemde betalingen uit hoofde van onverschuldigde betaling aan [eiseres] moet terugbetalen. De kantonrechter stelt voorop dat ingevolge artikel 6:203 lid 1 degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, is gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Wanneer de onverschuldigde betaling een geldsom betreft, dan strekt de vordering tot teruggave ingevolge lid 2 van voornoemd artikel tot teruggave van een gelijk bedrag.

4.2.

Tussen partijen staat vast dat er op het moment dat de betreffende (girale) betalingen door [eiseres] werden verricht ten behoeve van het rekeningnummer van [naam minderjarige] , geen rechtsverhouding tussen [eiseres] en [naam minderjarige] bestond die het verrichten van die betalingen rechtvaardigde. Dat er wellicht wel een rechtsgrond voor die betalingen bestond, hetgeen volgens [gedaagde sub 1] c.s. niet kan worden uitgesloten, heeft [eiseres] gemotiveerd betwist. [eiseres] heeft bij conclusie van repliek en ter comparitie van partijen toegelicht hoe een en ander is verlopen met betrekking tot de betreffende betalingen, namelijk dat er een factuur diende te worden voldaan aan een contractspartij, waarbij een fout is gemaakt bij de invoering van het rekeningnummer. Vervolgens is dat rekeningnummer opgeslagen in het adresboek (dat kan worden gebruikt bij telebankieren) en heeft er een tweede betaling van een volgende factuur aan die contractspartij plaatsgevonden op dat rekeningnummer. Naar later is gebleken betrof het ingevoerde rekeningnummer dat van [naam minderjarige] . De fout werd ontdekt toen er een herinnering van de eerste factuur verscheen, aldus (steeds) [eiseres] .

4.3.

Uit het voorgaande mag genoegzaam worden afgeleid dat [eiseres] zonder rechtsgrond betalingen heeft verricht ten gunste van de bankrekening van [naam minderjarige] . Daar doet niet aan af dat [eiseres] geen verklaring heeft kunnen verstrekken van het feit dat de bankrekeningnummers van het bedrijf [bedrijfsnaam 2] , waar de betalingen aan hadden moeten verricht, en van [naam minderjarige] aanmerkelijk verschillen. Hoe de vergissing aan de zijde van [eiseres] is ontstaan is niet duidelijk geworden, maar dat rechtvaardigt niet de conclusie van [gedaagde sub 1] c.s. dat van onverschuldigde betaling geen sprake kan zijn.

4.4.

[gedaagde sub 1] c.s. stelt echter verder dat [naam minderjarige] van die betalingen ‘niet beter is geworden’, nu zij -kort gezegd- stelt slachtoffer te zijn geworden van bedreiging/fraude /afpersing (zie onder 2.3 en 3.3). De kantonrechter begrijpt uit hetgeen [gedaagde sub 1] c.s. in dat kader heeft aangevoerd dat [gedaagde sub 1] c.s. zich op het standpunt stelt dat de betreffende betalingen die [naam minderjarige] (op haar bankrekening) heeft ontvangen, niet tot (haar) werkelijk voordeel hebben gestrekt. De kantonrechter overweegt dat ingevolge artikel 6:209 BW op de onbekwame aan wie onverschuldigd is betaald slechts de verplichting tot teruggave c.q. ongedaanmaking rust voor zover het ontvangene hem tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht van zijn wettelijk vertegenwoordiger is gekomen. Dit geldt ook indien de onbekwame zich te kwader trouw heeft gedragen. Onder omstandigheden zal uit onrechtmatige daad tegen hem kunnen worden geageerd (TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 816). [naam minderjarige] was ten tijde van de door [eiseres] verrichte betalingen minderjarig (14 jaren oud) en derhalve onbekwaam (art. 1:234 BW), zodat zij als ontvanger van de bedoelde betalingen de op grond van artikel 6:209 bedoelde bescherming geniet. Dat het ontvangene tot werkelijk voordeel heeft gestrekt, kan worden aangenomen wanneer het geld nog in het vermogen van de ontvanger aanwezig is of te zijnen nutte is aangewend voor de kosten van studie, levensonderhoud en andere zaken die aan het welzijn van de ontvanger dienstbaar zijn. De bepaling strekt ertoe de onbekwame te beschermen tegen lichtzinnigheid. Deze ratio en de formulering van artikel 6:209 BW (‘voor zover’) wijst erop dat degene die terugbetaling vordert dient te stellen en zonodig te bewijzen dat aan het vereiste van het strekken tot werkelijk voordeel, is voldaan.

4.5.

In dat kader heeft [eiseres] bij conclusie van repliek (enkel) het volgende aangevoerd:

“ [gedaagde sub 1] heeft er zorg voor gedragen dat dochter de beschikking had over een rekening, terwijl zij daar overduidelijk nog niet aan toe was. Dochter heeft het vervolgens logisch gevonden om haar pinpas met pincode aan een wildvreemde te geven die ze enkel van gezicht kent, waar ze de werkelijke naam niet van weet en evenmin waar hij woont. Dit is een omstandigheid die volledig voor rekening en risico van [gedaagde sub 1] komt. Voor zover [gedaagde sub 1] benadeeld is, is dit volledig aan henzelf te wijten.”

Ter comparitie heeft [eiseres] nog aangevoerd dat door overmaking van de bedragen op de bankrekening van [naam minderjarige] deze bedragen onderdeel zijn gaan uitmaken van het vermogen van [naam minderjarige] , terwijl niet vast is komen te staan dat [naam minderjarige] en/of [gedaagde sub 1] daar geen voordeel van heeft genoten noch dat zij de opnames niet heeft gedaan. [eiseres] stelt verder dat het aannemelijk is dat het geld dat ten onrechte op de rekening is gestort er direct vanaf wordt gehaald. Dat is hier niet het geval, aldus [eiseres] .

4.6.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft het standpunt van [eiseres] gemotiveerd weersproken door te stellen dat zij is gedwongen haar bankpas af te geven aan een derde en dat deze laatstgenoemde telkens bedragen van haar rekening heeft opgenomen. [naam minderjarige] heeft daarvan op 31 mei 2015 aangifte gedaan bij de politie.

4.7.

De kantonrechter stelt vast dat de bedragen door [eiseres] zijn overgemaakt op 5 en 25 februari 2015. Volgens de aangifte van [naam minderjarige] heeft zij de bankpas begin februari 2015 afgegeven en halverwege maart teruggekregen. [gedaagde sub 1] c.s. heeft de bankafschriften van de rekening van [naam minderjarige] verstrekt over de periode van 5 februari 2015 tot en met 4 maart 2015. In die periode vallen de betalingen van [eiseres] aan [naam minderjarige] . In die periode zijn opnames gedaan voor een totaalbedrag van € 3.036,56. Uit het opnamegedrag is niet zonder meer af te leiden dat het aannemelijk is dat de opnames door [naam minderjarige] zijn gedaan of anderszins aan haar ten goede is gekomen. Integendeel, uit de opnames valt eerder af te leiden dat de opnames zijn gedaan door een ander dan [naam minderjarige] . Immers niet waarschijnlijk is dat de bedragen die zijn opgenomen bij bijvoorbeeld [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] zijn verricht door [naam minderjarige] gelet op haar leeftijd van 14 jaar. Dit betekent dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de overgeboekte bedragen ten voordeel van [naam minderjarige] hebben gestrekt en zij daarvan ook voordeel heeft genoten. Ook [gedaagde sub 1] , als wettelijk vertegenwoordiger, kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de terugbetaling van voormelde bedragen. Niet is gebleken dat de overgemaakte bedragen in de macht van de wettelijk vertegenwoordiger zijn komen te verkeren. Het enkele feit dat [gedaagde sub 1] toestemming heeft gegeven voor het openen van een bankrekening met bankpas ten behoeve van zijn minderjarige dochter maakt dat niet anders.

4.8.

Gelet op hetgeen [eiseres] in onderhavige procedure naar voren heeft gebracht, kan niet worden gezegd dat zij in voldoende mate aan haar stelplicht heeft voldaan, namelijk dat de door haar verrichte betalingen tot werkelijk voordeel heeft gestrekt van [naam minderjarige] dan wel dat die betalingen in de macht zijn gekomen van haar wettelijk vertegenwoordiger(s). Hoezeer ook de vordering van [eiseres] begrijpelijk is, kan niet voorbij worden gegaan aan de beschermingsbepaling van artikel 6:209 BW en dient in het onderhavige geval de foutieve overboeking door [eiseres] voor zijn rekening te blijven. Ook omstandigheden op grond waarvan een vordering uit onrechtmatige daad zou moeten worden toegewezen zijn niet gesteld noch gebleken. Nu [eiseres] niet voldoende aan haar stelplicht heeft voldaan en ook geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan, kan aan bewijslevering niet worden toegekomen, zodat de vordering zal worden afgewezen.

4.9.

[eiseres] zal, als in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. worden begroot op € 600,00 (3 x tarief

€ 200,00).

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s., tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op

1 februari 2017.