Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1655

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
13-04-2017
Zaaknummer
UTR 15/6509
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uwv heeft geweigerd een uitkering in verband met betalingsonmacht toe te kennen aan eiseres. Geen sprake van overname van onderneming. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/6509

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B. Eskes),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: M. Tiemersma).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de werkloosheidswet (WW) wegens betalingsonmacht van de werkgever toe te kennen.

Bij besluit van 3 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2016. Eiseres is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens was haar vader de heer [A] aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is met ingang van 3 juni 2002 in dienst gekomen van rechtsvoorgangers van Stichting Zorggarant (Zorggarant). Eiseres heeft zich met ingang van 29 juli 2013 ziek gemeld. Op dat moment werkte zij als huishoudelijk medewerkster in de WMO-kavel van Zorggarant. In de eerste helft van 2014 hebben Nova Zorgbemiddeling B.V. en Splendid Care B.V. voorlopige overeenstemming bereikt over een fusie tot Nova Splendid Care B.V. Op 5 juni 2014 is eiseres er over geïnformeerd dat haar dienstverband met Zorggarant per 1 juli 2014 zou worden beëindigd en dat zij met behoud van rechten en plichten zou overgaan naar Nova Splendid Care B.V. Vervolgens is eiseres er over geïnformeerd dat zij met Nova Splendid Care B.V. een nieuwe arbeidsovereenkomst diende te sluiten. De fusie is uiteindelijk niet doorgegaan. Eiseres heeft vervolgens een arbeidsovereenkomst aangeboden gekregen van Nova Thuiszorg B.V. Eiseres heeft deze arbeidsovereenkomst om haar moverende redenen niet getekend. Eiseres ontving dan ook met ingang van 1 juli 2014 geen loon meer. Eiseres is daarop een loonvorderingsprocedure jegens Nova Thuiszorg B.V. gestart. Bij vonnis in kort geding van 1 december 2014 heeft de kantonrechter de loonvordering afgewezen, omdat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat eiseres als gevolg van overgang van onderneming van Zorggarant naar Nova Thuiszorg B.V. sinds 1 juli 2014 in dienst is bij Nova Thuiszorg B.V. en ook anderszins van een dergelijk dienstverband voorshands onvoldoende is gebleken. Op 10 februari 2015 is Nova Thuiszorg B.V. failliet verklaard. Op 26 februari 2015 heeft eiseres een aanvraag voor overname van de betalingsverplichtingen van Nova Thuiszorg B.V. bij verweerder ingediend. De beoordeling hiervan heeft geleid tot de onder ‘Procesverloop’ vermelde besluitvorming.

2. Met het bestreden besluit handhaaft verweerder zijn standpunt dat eiseres vanaf 1 juli 2014 geen loonaanspraak had op Nova Thuiszorg B.V. en daarom niet in aanmerking komt voor een uitkering wegens betalingsonmacht.

3. Op grond van artikel 61 van de WW heeft een werknemer recht op uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW, indien hij van een werkgever die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft.

In artikel 3, eerste lid, van de WW wordt voor zover hier relevant, als werknemer aangemerkt, de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

4. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende zelfstandig onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke gang van zaken. Verweerder heeft ten onrechte geen contact opgenomen met de bestuurder en enig aandeelhouder van Nova Thuiszorg B.V., [B] , of de curator M.J. Roest. Verweerder heeft volgens eiseres in zijn besluitvorming ten onrechte aangehaakt bij het vonnis van de kantonrechter. Eiseres stelt zich op het standpunt dat sprake is van overgang van onderneming en dat zij zodoende in dienst is gekomen bij Nova Thuiszorg B.V. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst eiseres op de brief van curator M.J. Roest over de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 17 februari 2015 (gedingstuk B.5.1), het proces-verbaal van aangifte van 5 december 2014 (gedingstuk B.9.145) en een ongedateerde brief, ondertekend door [B] (gedingstuk B.9.17).

5.1

De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraak van 26 september 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX8333), volgt dat een vordering alleen voor overneming op grond van hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komt, indien deze duidelijk en niet aan gerede twijfel onderhevig is.

5.2

Tevens is het vaste rechtspraak van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 19 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA4027) dat, om aan te kunnen nemen dat sprake is van overgang van onderneming, de identiteit van de onderneming die wordt overgenomen, of een deel daarvan, bewaard moet zijn gebleven. Daarbij is van belang dat de oude en overnemende onderneming vergelijkbare activiteiten verrichten en of de personeelssamenstelling, de leiding, de taakverdeling, de bedrijfsvoering en in voorkomend geval de beschikbare productiemiddelen te vergelijken zijn. Ook als in de sector de middelen nagenoeg alleen worden gevormd door arbeidskrachten die duurzaam een gemeenschappelijke identiteit vormen, blijft na overgang de identiteit bestaan als de overnemer niet alleen de activiteit voortzet maar ook een wezenlijk deel - qua aard en deskundigheid - van het personeel overneemt dat zijn voorganger speciaal voor de taak had ingezet.

6. Verweerder heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat van een overgang van onderneming sprake is als een overgang van een economische eenheid heeft plaatsgevonden, waarbij geldt dat die haar eigen identiteit heeft behouden. Van belang is of de door de onderneming uitgeoefende functies door de nieuwe rechtspersoon met dezelfde of soortgelijke activiteiten daadwerkelijk worden voortgezet. Bij het beoordelen van de vraag of de identiteit bewaard is gebleven, moet volgens verweerder gekeken worden naar alle feitelijke omstandigheden die de transactie kenmerken, zoals onder meer de aard van de onderneming, de overdracht van de activa, de waarde van de immateriële activa op het moment van de overgang, de overname van het personeel en de klantenkring en de mate waarin de activiteiten worden voortgezet. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat Nova Thuiszorg B.V. niet als opvolger van Zorggarant kan worden aangemerkt, omdat belangrijke indicatoren ontbreken, zoals de overdracht van goodwill en materiële activa, de volledige overname van het personeel en de mate waarin de activiteiten worden voortgezet. Nova Thuiszorg B.V. heeft alleen de uitvoering van de werkzaamheden in de WMO-kavel overgenomen en niet de WMO-kavel verworven. Hierdoor kan volgens verweerder niet gesproken worden van een overgang van onderneming waarbij de rechten en plichten die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst met Zorggarant zijn overgegaan naar Nova Thuiszorg B.V. Hierbij heeft verweerder het vonnis in het kort geding tussen eiseres en Nova Thuiszorg B.V. van 1 december 2014 betrokken.

7. De rechtbank volgt eiseres, gelet op de door verweerder uitgevoerde beoordeling niet in haar standpunt dat sprake is van overgang van onderneming en dat zij zodoende in dienst is gekomen bij Nova Thuiszorg B.V. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gezien de in 5.1. en 5.2. genoemde rechtspraak van de CRvB, de juiste elementen in de beoordeling betrokken. Uit de stukken blijkt dat niet Nova Thuiszorg B.V., maar Splendid Care B.V. per

1 juli 2014 de rechten in de WMO-kavel heeft verworven om contracten af te sluiten. Dat Splendid Care B.V. de ingekochte thuiszorg vervolgens heeft uitbesteed aan Nova Thuiszorg B.V., die de feitelijke werkzaamheden heeft laten uitvoeren door voormalig personeel van Zorggarant, is onvoldoende om te kunnen spreken van een overgang (van een deel) van Zorggarant naar Nova Thuiszorg B.V. Ook de verwijzing van eiseres naar enkele passages in de brief van curator M.J. Roest van 17 februari 2015, het proces-verbaal van aangifte van 5 december 2014 en de ongedateerde brief, ondertekend door [B] , is in het licht van voorgaande onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van overgang van onderneming. Het is niet aannemelijk geworden dat het inwinnen van informatie bij [B] en/of de curator van toegevoegde waarde zou zijn. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende of onvolledig onderzoek heeft verricht naar de feitelijke gang van zaken, zoals eiseres betoogt. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake was van een overgang van onderneming. Omdat niet in geschil is dat eiseres niet op andere titel werknemer is geworden, kon en mocht verweerder geen loonvordering overnemen. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd een uitkering wegens betalingsonmacht van Nova Thuiszorg B.V. aan eiseres toe te kennen.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, en mr. Y. Sneevliet en mr. R.C. Stijnen, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Ekris, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.