Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1604

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
C/16/432285 / KG ZA 17-64
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opzegging bruikleenovereenkomst. Bij opzegging van de duurovereenkomst dient in het onderhavige geval sprake te zijn van een zwaarwegend belang van de bruikleengever. Bij gebreke daaraan kon de overeenkomst niet worden opgezegd. De vordering tot ontruiming wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/358
RVR 2017/82
AR 2017/1706
JERF 2017/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/432285 / KG ZA 17-64

Vonnis in kort geding van 28 maart 2017

in de zaak van

1 [eiseres suib 1] ,

wonende te [woonplaats] , Israël,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] , Israël,

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiseres sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

tezamen in hun hoedanigheid van

[eisers]

eisers,

advocaat mr. J.N.T. van der Linden te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H.R. Hart te Amersfoort.

Partijen zullen hierna de erven [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    producties 1 tot en met 3 van [gedaagde]

  • -

    productie 10 van de erven [eisers]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van de erven [eisers]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De erven [eisers] zijn eigenaar van (onder meer) twee naastgelegen percelen in de binnenstad van Amersfoort, gelegen aan de [adres] en [adres] . Naast de daar gelegen winkelpanden omvatten de percelen tevens de achtergelegen binnenplaats en het tweetal daarop staande schuren (hierna: de binnenplaats). Deze binnenplaats is toegankelijk door een poort die gelegen is aan de [adres] , tussen huisnummers [nummer] en [nummer] .

2.2.

[gedaagde] drijft sinds september 1998, eerst in de vorm van een vof en vanaf 2008 als BV een restaurant met dezelfde naam aan de [adres] te [vestigingsplaats] . [gedaagde] wordt gedreven door vier broers [broers] , eveneens uitbaters van Pizzeria [pizzeria] , gevestigd aan de [adres] te [vestigingsplaats] en [restaurant] , gevestigd aan het [adres] te [vestigingsplaats] .

2.3.

Vanaf 1998 maakt [gedaagde] op grond van een met de rechtsvoorganger van de erven [eisers] gesloten bruikleenovereenkomst gebruik van de binnenplaats om daar onder meer voorraad, meubilair en afval op te slaan. In de tussenliggende periode is de binnenplaats ook voor die doeleinden in gebruik genomen ten behoeve van de andere eetgelegenheden van de gebroeders [broers] .

2.4.

Op 27 januari 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [A] en de heer [B] , vertegenwoordigers van de erven [eisers] enerzijds en de heer [C] anderzijds. Tijdens dat gesprek is van de zijde van de erven [eisers] te kennen gegeven dat zij tot een beëindiging van het gebruik van de binnenplaats wilde komen per 1 januari 2017.

2.5.

Bij brief van 8 februari 2016 schrijven de erven [eisers] :

“[…] Echter, omdat u reeds lang de tuin/binnenplaats in bruikleen heeft en de eigenaren waarde hechten aan een goede verstandhouding met u als buurman, hebben wij als einde van het gebruik door [bistro] per 1 januari 2017 vastgesteld, ook omdat u dan afdoende de tijd heeft om op de nieuwe situatie in te spelen.

In het gesprek gaf u aan dat u instemde met de wens van de eigenaren van de tuin/binnenplaats en derhalve dus de opzegging van de bruikleenovereenkomst te accepteren. Wel vroeg u zich af of er nog een mogelijkheid was om de tuin/binnenplaats van de eigenaren te huren of te kopen. Daarop hebben wij geantwoord dat op dit moment dat niet tot de mogelijkheden behoort maar u zich altijd schriftelijk tot de eigenaren met een voorstel daartoe kan wenden.”

2.6.

[gedaagde] heeft daarop niet schriftelijk gereageerd. In de loop van 2016 hebben er in ieder geval vier gesprekken plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de erven [eisers] en [gedaagde] , waarbij de beëindiging van de bruikleenovereenkomst onderwerp van gesprek is geweest.

2.7.

Bij e-mail van 13 december 2016 heeft de heer [D] namens [gedaagde] geschreven dat de binnenplaats een onmisbaar onderdeel is geworden en gebleken van de bedrijfsvoering en heeft hij verzocht de binnenplaats te mogen blijven gebruiken, waarbij huur ook een mogelijkheid is. Daarop is door de erven [eisers] afwijzend gereageerd.

2.8.

[gedaagde] heeft de binnenplaats per 1 januari 2017 niet ontruimd

3 Het geschil

3.1.

De erven [eisers] vorderen samengevat - ontruiming van de binnenplaats binnen één week na het in deze te wijzen vonnis en verwijdering van al hetgeen aan de scheidingsmuur tussen de binnenplaats en de openbare weg is bevestigd, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van de erven [eisers] . De voorzieningenrechter gaat daaraan voorbij. Aan de vordering van de erven [eisers] ligt immers ten grondslag dat [gedaagde] op dit moment zonder recht of titel inbreuk maakt op haar eigendomsrecht. Daarmee volgt het spoedeisend belang reeds uit de aard van de zaak.

4.2.

Tussen partijen staat vast dat tussen (de rechtsvoorgangers van) de erven [eisers] en [gedaagde] geen schriftelijke bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen. Om vast te kunnen stellen welke afspraken partijen hebben gemaakt, onder meer ten aanzien van het gebruik van de scheidingsmuur en of de zusterondernemingen van [gedaagde] ook van de binnenplaats gebruik konden maken, is nadere bewijslevering noodzakelijk. Daarvoor is in het kader van deze procedure geen ruimte. De voorzieningenrechter zal er in deze procedure dan ook vanuit gaan dat de wijze waarop [gedaagde] (en haar zusterondernemingen) gebruik maken van de binnenplaats in overeenstemming is met de bruikleenovereenkomst. Hierbij is mede van belang dat niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] voor 2016 aangesproken is op deze aspecten van haar gebruik van de binnenplaats.

4.3.

De erven [eisers] hebben zich primair op het standpunt gesteld dat er sprake is van een beëindigingsovereenkomst ten aanzien van de bruikleenovereenkomst. Zij heeft ter onderbouwing onder meer gewezen op haar brief van 8 februari 2016, waarin dit is opgenomen. Mede gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , biedt een deze eenzijdige mededeling echter onvoldoende grond om het bestaan van een dergelijke overeenkomst aan te nemen. Daar doet niet aan af dat [gedaagde] na ontvangst van deze e-mail niet heeft geprotesteerd.

4.4.

Door [gedaagde] is wel erkend dat de brief van 8 februari 2017 heeft te gelden als een opzegging van de bruikleenovereenkomst door de erven [eisers] . Zij heeft echter aan de hand van vaste jurisprudentie betoogd dat de onderhavige duurovereenkomst voor onbepaalde tijd slechts kan worden opgezegd indien daartoe een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Van een dergelijke zwaarwegende grond is geen sprake, aldus [gedaagde] .

4.5.

De erven [eisers] hebben op hun beurt betoogd dat zij voldoende rekening hebben gehouden met de belangen van [gedaagde] door een ruime opzegtermijn van een jaar te hanteren. Bovendien hebben zij een zwaarwegend belang bij de beëindiging van de overeenkomst, aangezien zij zelf de binnenplaats willen gaan exploiteren. Zij zijn voornemens om daar een horecagelegenheid met bovengelegen woningen te realiseren. Op dit moment zijn de erven [eisers] in gesprek met de gemeente om de mogelijkheden daartoe te bezien.

4.6.

Voldoende vast staat dat de bruikleenovereenkomst al bijna twintig jaar bestaat en dat [gedaagde] voor haar bedrijfsvoering mede afhankelijk is van het gebruik van de binnenplaats. Het gaat daarbij niet alleen om de opslag van terrasmeubilair, maar ook de afvalcontainers staan op de binnenplaats en de technische dienst van [gedaagde] heeft een van de schuren in gebruik als werkplaats. Alhoewel de bruikleenovereenkomst in beginsel door de erven [eisers] kan worden opgezegd, brengen deze omstandigheden met zich dat daarvoor aan de zijde van de erven [eisers] een zwaarwegende reden moet zijn. Dat er sprake is van een bruikleenovereenkomst, waarbij [gedaagde] niet voor het gebruik hoeft te betalen, maakt dat niet anders omdat zij herhaaldelijk heeft voorgesteld het gebruik vorm te geven in een huurovereenkomst met een afwijkend huurbeding waarbij de huurbescherming werd beperkt. De erven [eisers] hebben dat voorstel afgewezen.

4.7.

Het gestelde zwaarwegend belang van de erven [eisers] is gelegen in de wens om zelf de binnenplaats te gaan ontwikkelen. Vastgesteld moet worden dat de erven [eisers] op dit moment met de gemeente in gesprek zijn om te bezien of het door hun beoogde project te realiseren is. Door de erven [eisers] is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gemeente de gewenste toestemming zal verlenen en de noodzakelijke wijzigingen in het bestemmingsplan zal aanbrengen. Er is daarmee nog geen sprake van concreet geplande werkzaamheden waartoe de erven [eisers] feitelijk over de binnenplaats moeten beschikken. Bij gebreke daaraan is er heden geen sprake van een zwaarwegend belang aan de zijde van de erven [eisers] . Daaruit volgt dat het noodzakelijke zwaarwegend belang ten tijde van de opzegging op 27 januari 2016 evenmin aanwezig was, aangezien de plannen van de erven [eisers] zich op dat moment in een minder vergevorderd stadium bevonden.

4.8.

De erven [eisers] konden de bruikleenovereenkomst dus op 27 januari 2016 niet opzeggen per 1 januari 2017, zodat deze voortduurt. De vorderingen zullen worden afgewezen.

4.9.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.434,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de erven [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.434,00, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2017.1

1 type: WL/4392 coll: