Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1442

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
UTR 16/3393
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser werkte sinds 1 augustus 1969 bij verweerder. In verband met een wijziging van zijn standplaats als gevolg van een reorganisatie heeft eiser op 23 december ontslag aangevraagd. Dit ontslag wordt hem op 5 januari verleend. Op dat moment geniet eiser levensloopverlof. Hij is er daardoor niet mee bekend dat er een Van-Werk-Naar-Werk-beleid is ontwikkeld dat per 1 februari 2016 in werking zou treden. Op grond van dit beleid zou eiser in aanmerking kunnen komen voor een stimuleringspremie bij een vrijwillig ontslag na inwerkingtreding.

Eiser maakt vervolgens bezwaar en gaat in beroep tegen het ontslagbesluit. Primair stelt eiser dat hij voldoet aan de eisen om in aanmerking te komen voor de stimuleringspremie. Subsidiair stelt eiser dat verweerder hem niet had mogen houden aan zijn ontslagverzoek, nu hij als gevolg van zijn verlof niet op de hoogte was van het nieuwe, gunstige beleid.

De rechtbank is van oordeel dat, nu eiser zelf toegang had tot de informatie met betrekking tot het beleid, verweerder niet gehouden was om eiser te adviseren te wachten met het indienen van zijn verzoek teneinde gebruik te kunnen maken van de stimuleringspremie. Er is geen reden voor verweerder om eiser niet te houden aan zijn ontslagverzoek. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet gehouden is de stimuleringspremie alsnog toe te kennen. Eiser wilde na zijn verlof niet terugkeren naar het werk omdat hij met het zicht op zijn pensioen niet meer wilde meegaan met een standplaatswijziging. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een reden die los van de stimuleringspremie voor eiser een aanleiding vormde het ontslagverzoek in te dienen.

Tot slot voert eiser aan dat er rechtsongelijkheid ontstaat door eiser niet de gelegenheid te bieden zijn ontslagverzoek in te trekken. Aan medewerkers van verweerder die na 1 januari 2016 een verzoek hebben ingediend en van wie het verzoek nog niet is ingewilligd, de gelegenheid wordt geboden om het verzoek in te trekken. Eiser betoogt dat 8 december 2015 als peildatum zou moeten worden gehanteerd omdat op die dag bekend is gemaakt dat er een stimuleringspremie werd opengesteld.

De rechtbank is van oordeel dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Eiser heeft reeds op 23 december 2015 zijn ontslagverzoek ingediend en dit is gehonoreerd op 5 januari 2016. Dit is niet gelijk aan het geval waarin er na 1 januari 2016 een ontslagverzoek is ingediend dat nog niet gehonoreerd was op het moment dat het verzoek weer wordt ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/3393

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: P. Bots),

en

De Staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. G.B. Honders).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 2 april 2016 eervol ontslag verleend op grond van artikel 94 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

Bij besluit van 8 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser was sinds 1 augustus 1969 werkzaam bij verweerder, laatstelijk in de functie van behandelfunctionaris in de standplaats Amersfoort. Het kantoor in Amersfoort is in mei 2015 gesloten en medewerkers werden overgeplaatst naar het kantoor in Utrecht. Eiser heeft per

1 juli 2015 levensloopverlof opgenomen.

1.2.

Op 24 november 2015 is een bericht geplaatst op het intranet van verweerder, met betrekking tot de invulling van het rijksbrede Van-Werk-Naar-Werk beleid (VWNW-beleid) voor reorganisaties die voortvloeien uit de Investeringsagenda. Op 8 december 2015 is vervolgens op het intranet van verweerder bekend gemaakt dat er een akkoord is bereikt met de vakbonden over de personele gevolgen van de Investeringsagenda. Vanaf 1 januari 2016 zou het voor medewerkers die wilden vertrekken mogelijk zijn om afspraken te maken over directe uitstroom met een stimuleringspremie. Het VWNW-beleid is op 1 februari 2016 definitief in werking getreden.

1.3.

Eiser is op het moment van inwerkingtreding van het VWNW-beleid nog met verlof. Op 23 december 2015 vraagt hij via P-direkt ontslag aan. Dit ontslag, gedateerd op 30 december 2015, wordt op 5 januari 2016 verleend.

2. Nadat eisers’ leidinggevende hem er half januari op heeft geattendeerd dat hij mogelijk nog in aanmerking kon komen voor een stimuleringspremie, heeft eiser op 8 februari 2016 bezwaar gemaakt tegen zijn ontslagbesluit. Volgens eiser had zijn leidinggevende hem moeten informeren over de regeling die per 1 januari 2016 in zou gaan voordat het ontslagverzoek werd ingewilligd. Eiser voert in bezwaar aan dat hij zijn ontslagverzoek op onjuiste gronden heeft ingediend en dat hij die beslissing dus onder dwaling heeft genomen.

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser zijn ontslagverzoek niet meer kon intrekken, omdat het verzoek reeds op 30 december 2015 was ingewilligd. Op grond van vaste rechtspraak kan een bestuursorgaan een betrokkene houden aan een reeds gehonoreerd verzoek om ontslag, zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 augustus 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX3536). Daarbij betoogt verweerder dat ten tijde van het indienen van het verzoek de uitwerking van het VWNW-beleid bekend was en dat deze informatie toegankelijk was voor alle medewerkers en dus ook voor eiser. Verweerder heeft geen verplichting om medewerkers te behoeden voor ontslag omdat er wellicht een gunstige regeling aankomt, aldus verweerder. Ook is verweerder niet gehouden om eiser alsnog de stimuleringspremie toe te kennen. Eiser had immers, om hem moverende redenen, al besloten om ontslag te vragen.

4. Eiser heeft primair aangevoerd dat hij voldoet aan de eisen om in aanmerking te komen voor de stimuleringspremie en dat verweerder deze premie dus moet toekennen. Eiser betoogt dat de enige eis is dat hij binnen drie maanden na ondertekening uitgestroomd moet zijn en hier voldoet hij aan. De stelling van verweerder dat eiser reeds op geheel andere gronden ontslag heeft genomen en dat hij om die reden niet meer gestimuleerd hoeft te worden en dus geen premie meer toegekend hoeft te krijgen is onjuist. Eiser heeft niet op heel andere gronden om ontslag verzocht, maar juist vanwege de sluiting van het kantoor in Amersfoort en de vermindering van de boventalligheid. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat dat verweerder hem niet mag houden aan zijn ontslagverzoek, nu hij als gevolg van zijn verlof, niet op de hoogte was van het nieuwe, gunstige, beleid.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft op 23 december 2015 zijn ontslagverzoek ingediend. Op dat moment was al bekend gemaakt dat er een stimuleringspremie opgesteld zou worden. Deze informatie was op zich voor eiser toegankelijk. Weliswaar stelt eiser dat hij vanwege zijn verlof geen toegang meer had tot intranet, maar het feit dat eiser op het moment van indienen van zijn ontslagverzoek toegang had tot P-direkt, weerspreekt zijn standpunt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, mede omdat eiser zelf toegang had tot de informatie, verweerder niet verplicht was om eiser te adviseren te wachten met het indienen van zijn verzoek teneinde van de stimuleringspremie gebruik te kunnen maken. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspaak van de CRvB van 9 augustus 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX4798). Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt te hebben gedwaald op het moment van het indienen van het verzoek, zodat hierin geen reden is gelegen voor verweerder om eiser niet te houden aan het ingediende ontslagverzoek.

6. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder niet gehouden is alsnog de stimuleringspremie toe te kennen. Ten tijde van de inwerkingtreding van het VWNW-beleid op 1 februari 2016 had eiser reeds vrijwillig en om hem moverende redenen ontslag gevraagd en gekregen. Eiser wilde na zijn verlof niet terugkeren naar het werk omdat hij met het zicht op zijn pensioen niet meer wilde meegaan met een standplaatswijziging. Hoe begrijpelijk dit ook is, gezien zijn reeds jarenlange dienstverband, is dit, naar het oordeel van de rechtbank, evenwel een reden die, los van de stimuleringsregeling, voor eiser de aanleiding vormde het ontslagverzoek in te dienen.

7. Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat er rechtsongelijkheid ontstaat door eiser niet de gelegenheid te bieden zijn ontslagverzoek in te trekken. Uit het beleid van verweerder blijkt dat aan medewerkers van verweerder die na 1 januari 2016 een verzoek hebben ingediend en van wie het verzoek nog niet is ingewilligd, de gelegenheid wordt geboden om het verzoek in te trekken. Eiser betoogt dat er rechtsongelijkheid ontstaat door 1 januari 2016 als peildatum te gebruiken. Het zou zuiverder zijn wanneer 8 december 2015 als peildatum zou worden gehanteerd omdat op die dag bekend is gemaakt dat er een stimuleringspremie werd opengesteld.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Eiser heeft reeds op 23 december 2015 zijn ontslagverzoek ingediend en dit is gehonoreerd op 5 januari 2016. Pas op 8 februari 2016 heeft eiser voor het eerst bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit. Dit is niet gelijk aan het geval waarin er na 1 januari 2016 een ontslagverzoek is ingediend dat nog niet gehonoreerd was op het moment dat het verzoek weer wordt ingetrokken. Nu er geen sprake is van gelijke gevallen kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.H.M. Druijf, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Koot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.