Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1432

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
14-04-2017
Zaaknummer
UTR 16/3288
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen aanslag precariobelasting niet-ontvankelijk verklaard. Aanslag is gericht aan [bedrijfsnaam 2] B.V.. Naast [bedrijfsnaam 2] B.V. heeft ook [bedrijfsnaam 1] tegen aanslag bezwaar gemaakt. Omdat aanslag is gericht aan [bedrijfsnaam 2] en niet aan N.V. [bedrijfsnaam 1] en van overige in artikel 26a, eerste lid, van de AWR genoemde gevallen niet is gebleken, is N.V. [bedrijfsnaam 1] geen belanghebbende in de zin van artikel 26a AWR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/848
FutD 2017-0932
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/3288

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2017 in de zaak tussen

de besloten vennootschap [eiseres] B.V., als rechtsopvolger van de naamloze vennootschap N.V. [bedrijfsnaam 1], te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. W.J. van Aalst en mr. D. van Unen),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bunschoten, verweerder

(gemachtigden: mr. R.P.M.M. Mols en J.F. van Tellegen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [bedrijfsnaam 2] B.V. voor het jaar 2015 een aanslag precariobelasting opgelegd van € 295.832,-.

Bij uitspraak op bezwaar van 15 juni 2016 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van N.V. [bedrijfsnaam 1] niet-ontvankelijk verklaard.

N.V. [bedrijfsnaam 1] heeft op 8 juli 2016 tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Door middel van een juridische fusie is N.V. [bedrijfsnaam 1] met ingang van 1 augustus 2016 opgegaan in de besloten vennootschap [eiseres] B.V., zodat laatstgenoemde vennootschap thans als procespartij wordt aangemerkt. De rechtbank zal voor de helderheid in deze uitspraak de partijen benoemen aan wie de aanslag precariobelasting is opgelegd en door wie daartegen bezwaar is gemaakt en beroep is ingesteld.

2. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient degene die het recht is toegekend beroep bij een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen, bezwaar te maken.

3. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen.

4. Ingevolge artikel 26a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan, in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, het beroep slechts worden ingesteld door:
a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;
b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden, of
c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt.

Ingevolge artikel 26a, tweede lid, van de AWR kan het beroep mede worden ingesteld door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft.

5. Uit de tekst van artikel 26a, eerste lid, van de AWR volgt dat dit artikellid een beperking aanbrengt in de groep van belanghebbenden die beroep kunnen instellen. Voorts kan uit dit artikellid, in onderlinge samenhang bezien met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, worden afgeleid dat die beperking ook geldt voor de kring van belanghebbenden die bezwaar kunnen maken.

6. Het aanslagbiljet van 30 januari 2016 (aanslagnummer […] ) is gericht aan [bedrijfsnaam 2] B.V. te [vestigingsplaats] . Naast [bedrijfsnaam 2] B.V. heeft ook N.V. [bedrijfsnaam 1] tegen deze aanslag bezwaar gemaakt. Omdat het aanslagbiljet in dit geval is gericht aan [bedrijfsnaam 2] B.V. en niet aan N.V. [bedrijfsnaam 1] en van de overige in artikel 26a, eerste lid, van de AWR genoemde gevallen geen sprake is, kan N.V. [bedrijfsnaam 1] niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van dat artikellid.

7. De mogelijkheid om op grond van artikel 26a, tweede lid, van de AWR beroep in te stellen, heeft naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend betrekking op belanghebbenden die op grond van artikel 26a, eerste lid, van de AWR niet als belanghebbende aangemerkt kunnen worden, maar van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting van een ander. Uit de memorie van toelichting op de AWR (Kamerstukken II 1991/92, 22 491, nr. 3) blijkt dat het tweede lid ziet op de gevallen waarin inkomensbestanddelen van bijvoorbeeld een minstverdienende echtgenoot of minderjarige kinderen worden toegerekend aan de meestverdienende echtgenoot of ouder. Met het tweede lid wordt een rechtsingang geopend voor bijvoorbeeld de minstverdienende echtgenoot om beroep in te stellen tegen de aanslag inkomstenbelasting van de meestverdienende echtgenoot. In het onderhavige beroep is van een dergelijke situatie echter geen sprake, zodat eiseres ook om die reden niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

7.1

De rechtbank volgt hiermee het oordeel dat door de rechtbank op 15 september 2016 in een soortgelijke procedure is uitgesproken (UTR 15/136; ECLI:NL: RBMNE:2016:5371).

Hieraan kan niet afdoen hetgeen door eiseres thans in beroep is aangevoerd. Met name de verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 januari 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:10) en hetgeen eiseres tegen het in die uitspraak inzake (de wetsgeschiedenis van) artikel 26, tweede lid, van de AWR gegeven oordeel inbrengt, bieden voor de rechtbank geen aanknopingspunten om anders te oordelen. De rechtbank verwijst daartoe naar wat in rechtsoverweging 4.5 en 4.6 van de uitspraak van het gerechtshof is overwogen en sluit daarbij aan. In rechtsoverweging 4.5 wordt in algemene bewoordingen uiteen gezet dat het bepaalde in artikel 26a, tweede lid, van de AWR is gegeven met het oog op bepaalde toerekeningssituaties in de sfeer van de inkomsten- en de voormalige vermogensbelasting. Daarvan is hier geen sprake.

7.2

Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat, in het geval zij niet onder de reikwijdte van artikel 26a, tweede lid, van de AWR valt, sprake is van een onvoorziene leemte in de rechtsbescherming die moet worden hersteld. Eiseres vindt steun voor dit standpunt in de rechtsoverwegingen 7.1 tot en met 7.3 van meergenoemde uitspraak van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch. Ook in dit betoog volgt de rechtbank eiseres niet, nu van een lacune in de rechtsbescherming in dit geval niet is gebleken. [bedrijfsnaam 2] B.V. is als geadresseerde van de aanslag bezwaar- en beroepsgerechtigd. In tegenstelling tot de casus in de uitspraak van het gerechtshof is gesteld noch gebleken dat N.V. [bedrijfsnaam 1] door [bedrijfsnaam 2] B.V. aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaalde precariobelasting. De uitspraak van het hof ziet op een andere heffingssituatie en een andere rechtsverhouding dan die van eiseres en de met haar verbonden vennootschappen.

8. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het bezwaar van N.V. [bedrijfsnaam 1] op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.