Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1422

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
16/659941-16 en 16/275071-14 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugddetentie na poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling straf-, familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/659941-16 en 16/275071-14 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 februari 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1994] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 1 november 2016 en 14 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.J.S. Visser en van hetgeen verdachte en mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking luidt, kort en feitelijk weergegeven:

Primair: poging doodslag van [slachtoffer] op 24 juli 2016 te Almere;

Subsidiair: poging zware mishandeling van [slachtoffer] op 24 juli 2016 te Almere.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft daartoe aangegeven dat op de camerabeelden te zien is dat verdachte aan komt lopen in de richting waar zijn broer en [slachtoffer] staan te praten. Verdachte heeft vervolgens met kracht bovenhands met een mes gestoken naar [slachtoffer] . Hij heeft daarbij de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] zou doden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het steken met een mes in een schouder naar zijn aard niet dodelijk is. Verdachte heeft ook niet de intentie gehad om [slachtoffer] te doden.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

In het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt naar aanleiding van het bekijken van de camerabeelden ‘Groenstrook bij Taxiplein’ te Almere van 24 juli 2016 wordt door de verbalisant het volgende gerelateerd:

‘Ik zag dat [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt ‘ [slachtoffer] ’) naar [A ] kwam lopen. (…) Ik zag dat [B] tussen [slachtoffer] en [A ] in ging staan. Ik zag dat [verdachte] (…) links in beeld kwam. Ik zag dat [verdachte] in zijn rechterhand iets had. (…) Ik zag dat [verdachte] richting [slachtoffer] liep. Ik zag dat [verdachte] zijn rechterhand en het ding omhoog bracht. Ik zag dat [verdachte] daarop zijn hand en het ding naar beneden bracht richting [slachtoffer] . (…) Ik zag dat [slachtoffer] naar achteren stapte. Ik zag dat [slachtoffer] naar zijn linkerschouder keek.’ 2

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij zag dat een jongen met een mes op hem af kwam lopen en dat die jongen hem heeft gestoken.3

De politie heeft op 4 augustus 2016 het volgende letsel bij [slachtoffer] waargenomen:

‘Wij, verbalisanten, zagen dat aangever ter hoogte van de kop van zijn linkerschouder, bij de bovenzijde van zijn tatoeage, een vers litteken had van ongeveer 2,5 cm breedte. Vanaf de bovenzijde van de linkerborst, vanaf de oksel, liep een donkere kras naar dat verse litteken.’ 4

Verdachte heeft het volgende verklaard:

‘Ik pakte het mes uit mijn zak en stak dader 1 (de rechtbank begrijpt ‘ [slachtoffer] ’) in zijn rechter schouder, borst. 5

Bewijsoverweging/Bewijsoverwegingen

Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen staat vast dat verdachte, [slachtoffer] met een mes in zijn schouder heeft gestoken.

De vraag die beantwoord moet worden is of dit steken met een mes in de schouder een poging doodslag of een poging zware mishandeling oplevert.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een poging doodslag. Door het doelbewust op [slachtoffer] aflopen en het vervolgens ongecontroleerd, bovenhands uithalen met een mes naar het bovenlijf van [slachtoffer] , heeft hij de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] op een fatale plek op het lichaam zou raken. De plek waar hij [slachtoffer] heeft geraakt is immers dichtbij de hals- en hartstreek. Dat het letsel beperkt is gebleven is niet aan verdachte te danken, maar een kwestie van geluk.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het onder primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Primair:

hij op of omstreeks 24 juli 2016 te Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes ( bovenhands ) in de schouder /borst, althans in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken,

zijde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Hetgeen onder primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Primair: poging doodslag

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

De raadsman heeft gesteld dat er sprake is van noodweerexces, omdat verdachte verkeerde in een hevige gemoedsbeweging doordat hij daarvoor door [slachtoffer] is aangevallen met twee bierflesjes en hierbij gewond is geraakt. Verdachte heeft een traumatisch verleden waardoor hij geen weerstand kon bieden aan de hevige gemoedstoestand waarin hij verkeerde. Hij heeft gedwaald doordat hij dacht dat zijn broer en de vriendin van zijn broer werden aangevallen en heeft gekozen voor een niet proportioneel middel.

De officier van justitie heeft gesteld dat er geen sprake is van een noodweersituatie, omdat verdachte de situatie zelf heeft opgezocht.

Voor een geslaagd beroep op noodweer(-exces) moet er - onder meer - sprake zijn van een feitelijke aantasting van eigen, of andermans lijf, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Kan één van deze cumulatief in de wet opgesomde elementen niet worden vastgesteld dan strandt een beroep op (in dit geval) noodweerexces

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake (meer) was van een noodweersituatie.

Verdachte is op een eerder moment door [slachtoffer] aangevallen. Op de camerabeelden is te zien dat iedereen na de aanval door [slachtoffer] gedurende enige tijd uit beeld verdwijnt. Even later is te zien dat [slachtoffer] met [A ] (de broer van verdachte) staat te praten. Op het moment dat verdachte weer in beeld komt lopen, staan [slachtoffer] en [A ] nog steeds te praten. Er is dan geen sprake van enige dreiging, of onmiddellijk dreigend gevaar, niet voor verdachte, maar evenmin voor [A ] . Op dat moment is van ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding geen sprake (meer), zodat de overige elementen om te komen tot een geslaagd beroep op noodweerexces geen bespreking meer behoeven. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank merkt op dat een beroep op putatief noodweer niet expliciet is gedaan en naar het oordeel van de rechtbank ook niet aan de orde is.

Er is daarom geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij Tactus, vervolgen van de behandeling bij de Pi-groep, meewerken aan ambulante behandeling voor trauma en verslaving en meewerken aan dagbesteding;

- een werkstraf van 240 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de proceshouding van verdachte en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat er bij het opleggen van een straf rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte getraumatiseerd is en hij een reactie heeft gegeven op een wederrechtelijke aanranding gericht tegen zichzelf en zijn broer.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag. Hij heeft [slachtoffer] met een mes in zijn schouder gestoken. Gelet hierop kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal van de straf een deel voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte voor en na het bewezenverklaarde feit door [slachtoffer] is geslagen met bierflesjes. Verdachte bevond zich daardoor in een stressvolle situatie die voor een deel is veroorzaakt door [slachtoffer] .

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 9 december 2016;

- een rapport van Samen Veilig Midden-Nederland van 27 januari 2017, uitgebracht door [C] , medewerker SAVE;

- een psychiatrisch rapport van 18 oktober 2016, uitgebracht door M.W. Lubbert, kinder- en jeugdpsychiater.

Uit het psychiatrisch rapport blijkt het volgende:

Verdachte is al lang bekend in de hulpverlening. Hij kan zich al heel vroeg situaties van huiselijk geweld herinneren, waarbij hij en zijn moeder vaak slachtoffer waren van het geweld van zijn vader. Er zijn bij verdachte kenmerken aanwezig, die passen bij PTSS. Bij verdachte is sprake van vroegkinderlijke en chronische traumatisering, leidend tot verslavingsproblematiek en zich ontwikkelende persoonlijkheidsproblematiek. Dit is chronisch van aard. De stoornis beïnvloedde het handelen van verdachte. Hij verviel in zijn rol als beschermer en kon geen nuances meer aanbrengen. De deskundige acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

Het middelengebruik van verdachte is een groot risico, net als de onbehandelde trauma’s.

De psychiater heeft geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen en hem een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden waarin behandeling van voornoemde problemen vorm wordt gegeven.

De rechtbank neemt de conclusie van de psychiater met betrekking tot de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte over en maakt deze tot de hare.

Samen Veilig Midden Nederland heeft geadviseerd om aan verdachte een voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich moet melden bij Tactus Reclassering, de behandeling vanuit de Pi-groep moet vervolgen, zijn dagbesteding moet vervolgen en mee moet werken aan (ambulante) behandeling, indien geïndiceerd wordt door Tactus Reclassering, voor traumaverwerking en verslaving bij Amethist of een soortgelijke instelling. Daarbij is aangegeven dat verdachte profiteert van de behandeling vanuit de Pi-groep, waardoor er geen meerwaarde is voor begeleiding vanuit de jeugdreclassering, zodat begeleiding door de volwassenreclassering is geadviseerd.

De verdachte was ten tijde van het bewezenverklaarde feit 21 jaar oud.

De rechtbank ziet aanleiding om recht te doen overeenkomstig de bijzondere bepalingen voor jeugdigen personen (overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh van het Wetboek van Strafrecht). Daarbij is gelet op de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan, zoals hierboven is uiteengezet.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een poging doodslag. Gelet op de risicoanalyse in het psychiatrisch rapport, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Bij toepassing van het risicotaxatie instrument voor jongeren tot 18 jaar, omdat verdachte sociaal-emotioneel veel jonger is dan 21 jaar, scoort hij hoog op het recidiverisico voor een geweldsdelict. Bij toepassing van het risicotaxatie instrument voor volwassenen komt een matig-middelmatig risico op een delict naar voren.

De rechtbank zal daarom bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zal worden opgelegd en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een maximale werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie en een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen, waarvan 97 dagen voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden, passend en geboden is.

9 VORDERING TENUITVOERLEGGING

De officier van justitie heeft gevorderd de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer te leggen.

De raadsman heeft verzocht om de proeftijd te verlengen, omdat verdachte geen verdiencapaciteit heeft en hij aan zichzelf moet werken.

Bij vonnis van de politierechter te Midden-Nederland, locatie Lelystad van 12 februari 2015 (parketnummer 16/275071-14) is verdachte een voorwaardelijke geldboete opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd te verlengen.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 27, 45, 77c, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77dd, 77ee, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 100 dagen jeugddetentie;

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 100 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 97 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd, tenzij de reclassering dit niet meer nodig acht:

* zich binnen vijf werkdagen na wijzen vonnis bij Tactus Reclassering te Almere zal melden en zich hierna zal blijven melden, zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zijn behandeling bij de Pi-groep te Almere zal voortzetten op de tijden en plaatsen als door of namens die Pi-groep aan te geven, teneinde zich te laten behandelen;

* zijn dagbesteding zal vervolgen;

* zich onder behandeling zal stellen van Foram (Ametist) of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn trauma’s en (drugs)verslaving;

- waarbij Tactus Reclassering te Almere opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/275071-14

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad bij vonnis van 12 februari 2015 opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.J. Elte-Hamming, voorzitter, mrs. K.G. van de Streek en M.J.A.L. Beljaars, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 februari 2017.

Mr. M.J.A.L. Beljaars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Primair:

hij op of omstreeks 24 juli 2016 te Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes (bovenhands) in de schouder/borst, althans in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken,

zijde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 24 juli 2016 te Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes (bovenhands) in de schouder/borst, althans in het (boven)lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 7 september 2016, genummerd 2016229130, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 2016. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1039.

3 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer] , als bijlage opgenomen bij de aangifte van [slachtoffer] , pagina 129.

4 Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , pagina 126.

5 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pagina 221.