Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1416

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
16/700156-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft een WOTS-zaak uit Zuid-Amerika (Ecuador)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/700156-16

Kenmerk: WTS-I-2013016826

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken naar aanleiding van de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) van de officier van justitie in dit arrondissement van 11 oktober 2016, strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Provinciaal Gerechtshof van Guayas te Ecuador van 15 augustus 2011, waarbij is veroordeeld:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Libanon) op [1967],

postadres: [adres] te [woonplaats],

ter zake van artikel 62 van de Ecuadoraanse wet op verdovende middelen en psychotrope stoffen tot een gevangenisstraf van 12 jaar en tot betaling van een boete van tweeduizend minimumlonen.

De stukken

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    Een uitspraak van de rechtbank in het arrondissement Guayas te Ecuador d.d. 2 september 2010;

  • -

    Een uitspraak van het Provinciaal Gerechtshof van Guayas te Ecuador d.d. 15 augustus 2011;

  • -

    Een geschrift van 21 augustus 2012, inhoudende een instemming van veroordeelde met betrekking tot overbrenging naar Nederland voor het ondergaan van het overblijvende gedeelte van zijn straf;

  • -

    Een geschrift van 4 juli 2013 van het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan de Ecuadoraanse autoriteiten inhoudende een instemming met een overdracht van veroordeelde van Ecuador aan de Nederlandse autoriteiten;

  • -

    De Nederlandse vertaling van de tekst van het toepasselijke artikel van de Ecuadoraanse wet op verdovende middelen en psychotrope stoffen;

  • -

    Het verslag van het repatriëringsdossier van veroordeelde van 2 juni 2015;

  • -

    Het besluit van de minister van justitie, mensenrechten en cultus van Ecuador van 23 juni 2015 tot repatriëring van veroordeelde;

  • -

    De stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding (bevel voorlopige aanhouding d.d. 23 augustus 2016), de inverzekeringstelling en de bewaring van de veroordeelde (bevel tot bewaring d.d. 12 oktober 2016);

  • -

    De afwijzing van de vordering tot verlenging van het bevel tot bewaring van de veroordeelde d.d. 24 oktober 2016 en de stukken betreffende de invrijheidstelling van veroordeelde per 24 oktober 2016;

  • -

    De vordering verlof tenuitvoerlegging van de officier van justitie ex artikel 18 Wet overdacht tenuitvoerlegging strafvonnissen van 11 oktober 2016.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Ter openbare terechtzitting van 10 januari 2016 heeft de behandeling van de vordering plaats gevonden. Daarbij zijn gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsman mr. Th.O.M. Dieben, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de identiteit van de veroordeelde onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de veroordeelde de Nederlandse nationaliteit heeft.

2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank stelt vast dat de termijn als bedoeld in artikel 18, eerste lid, WOTS is overschreden. Op overschrijding van deze termijn is door de wet echter geen sanctie gesteld. De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vordering.

3 De toelaatbaarheid

De autoriteiten van Ecuador hebben ingevolge het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (21 maart 1983, Straatsburg, hierna: het Verdrag) de overdracht en tenuitvoerlegging verzocht van de rechterlijke beslissing van 15 augustus 2011. Bij laatstgenoemde beslissing is veroordeelde onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar en betaling van een boete van tweeduizend minimumlonen.

De veroordeelde betreft een persoon waarbij de procedure voor repatriëring vóór 10 augustus 2014 is aangevangen. De Ecuadoraanse wet bepaalt in dat geval dat de aan veroordeelde opgelegde geldboete (van tweeduizend minimumlonen) vervalt, zodat deze thans geen onderdeel meer uitmaakt van de in Nederland aan veroordeelde om te zetten straf.

De rechterlijke beslissing van 15 augustus 2011 is onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar.

De rechtbank constateert dat de rechterlijke beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd is gewezen ten aanzien van een feit dat naar Ecuadoraans recht strafbaar is. Dit feit is naar Nederlands recht als een zelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar.

Gelet op artikel 28, derde lid, WOTS in samenhang met de overweging in de rechterlijke beslissing van 15 augustus 2011 dat ‘De omschrijving van het misdrijf kan daarom geen andere zijn dan het onrechtmatig houden en in bezit hebben van drugs en dat is het enige dat vaststaat.’ is de rechtbank van oordeel dat het feit naar Nederlands recht dient te worden gekwalificeerd als:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Veroordeelde zou naar Nederlands recht eveneens strafbaar zijn geweest.

De tenuitvoerlegging van het hiervoor vermelde vonnis dient toelaatbaar te worden verklaard nu is bevonden dat aan alle daarvoor in het toepasselijk verdrag en de wet gestelde eisen is voldaan. Het verlof tot tenuitvoerlegging van dit vonnis zal op na te melden wijze worden verleend.

4 De strafoplegging

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de conclusie als bedoeld in artikel 28, achtste lid, WOTS voorgelezen en vervolgens aan de rechtbank overgelegd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de ernst van het feit, de persoon van veroordeelde, de bijzondere omstandigheden van het geval en rekening houdend met de Ecuadoraanse wetgeving en – kort gezegd – de internationale gevoeligheden een gevangenisstraf van meerdere jaren gepast is. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan veroordeelde een gevangenisstraf zal worden opgelegd voor de duur van 6 jaar met aftrek van de reeds in Ecuador en Nederland ondergane hechtenis.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op zijn stelling met betrekking tot de kwalificatie van het delict, te weten het aanwezig hebben van harddrugs, het bruto/netto gewicht van de cocaïne, de LOVS-richtlijnen, de internationale gevoeligheden en de bijzondere omstandigheden in deze zaak, waaronder – kort gezegd – de detentieomstandigheden in Ecuador en de lange duur van de WOTS-procedure, op het standpunt gesteld dat volstaan kan worden met een gevangenisstraf voor de duur van 20-21 maanden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat bij het opleggen van de straf als uitgangspunt dient te worden genomen dat de in het buitenland opgelegde straf moet worden vervangen door een straf die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de dader. Bij die vervanging dient tevens rekening te worden gehouden met de internationale gevoeligheden. Van al te grote afwijkingen ten opzichte van de in het buitenland opgelegde straf zou een aanstootgevend effect kunnen uitgaan en daarmee zou uiteindelijk de werking van de verdragen in relatie tot Nederland op het spel kunnen komen te staan. Daarnaast wordt betekenis toegekend aan het feit dat veroordeelde door in het buitenland een strafbaar feit te plegen het risico aanvaardt zwaarder te worden gestraft dan in Nederland het geval zou zijn.

Uit voormelde rechterlijke beslissing is gebleken dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van 16.924 gram bruto cocaïne.

Zoals algemeen bekend is, vormt cocaïne een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en leidt het in veel gevallen tot verslaving aan het gebruik daarvan. Bovendien vindt een groot deel van de criminaliteit direct of indirect zijn oorsprong in het gebruik van cocaïne.

Voor het bewezen geachte feit kan in Nederland ingevolge artikel 2 onder C in samenhang met artikel 10 van de Opiumwet ten hoogste een gevangenisstraf van zes jaren of een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd.

Bruto/netto gewicht van de cocaïne

De cocaïne zat in de vorm van geïmpregneerde badjassen in een koffer. In Nederland is het netto gewicht uitgangspunt voor het bepalen van de straf. De autoriteiten in Ecuador zijn echter niet in staat gebleken om het netto gewicht vast te stellen van de aangetroffen cocaïne.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, uitgaande van een (algemeen) gewicht van een badjas van 1 kilo, in plaats van een bruto gewicht van 16.924 gram rekening kan worden gehouden met een netto gewicht van ongeveer 10.000 gram.

De raadsman heeft zich, met verwijzing naar jurisprudentie waarbij NFI rapportages zijn gebruikt om het netto gewicht van drugs uit geïmpregneerde kleding te berekenen, op het standpunt gesteld dat voor het bepalen van het netto gewicht uitgegaan moet worden van hooguit 30% van het bruto gewicht. Dit zou neerkomen op een netto gewicht van 5.077 gram.

De rechtbank acht het, gelet op hetgeen de raadsman gemotiveerd heeft aangevoerd, redelijk om bij het bepalen van het netto gewicht aan cocaïne uit te gaan van 30% van het bruto gewicht, zodat de rechtbank het netto gewicht vast stelt op 5.077 gram.

Het voorgaande brengt mee dat het voorwaardelijk verzoek van de raadsman, het benoemen van een deskundige om het nettogewicht te berekenen, geen bespreking meer behoeft.

Vaststelling van de duur van de straf

Bij de vaststelling van de duur van de straf neemt de rechtbank in strafverzwarende zin in overweging dat de Nederlandse overheid regelmatig waarschuwt voor het plegen van strafbare feiten in het buitenland, met name op het gebied van verdovende middelen, en dat daar grote risico’s aan zijn verbonden, gezien de veelal aanzienlijk hogere straffen die daar voor dit soort feiten worden opgelegd.

Daarnaast neemt de rechtbank in overweging dat het feit weliswaar wordt gekwalificeerd als ‘aanwezig hebben’, maar dat de omstandigheden waaronder het aanwezig hebben plaatsvond (in een koffer die al reeds in het vliegtuig was ingeladen waarmee veroordeelde van Ecuador via Madrid naar Nederland wilde vliegen) indiceren dat veroordeelde de harddrugs wilde vervoeren vanuit Ecuador naar Nederland.

De rechtbank houdt rekening met in soortgelijke zaken opgelegde straffen.

Wat betreft de persoon van veroordeelde heeft de rechtbank acht geslagen op een veroordeelde betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 augustus 2016 waaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, maar niet voor een soortgelijk feit.

Voorts houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de zware detentieomstandigheden in Ecuador die veroordeelde heeft ondergaan, de relatief lange duur van onderhavige WOTS-procedure en de overige persoonlijke omstandigheden van veroordeelde zoals die ter terechtzitting zijn gebleken.

Het voorgaande leidt ertoe dat de straf hoger zal zijn dan in Nederland in overeenkomstige gevallen – te weten voor het aanwezig hebben van harddrugs - gebruikelijk en lager dan de in Ecuador opgelegde straf.

De rechtbank is – alles overwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden is.

De tijd die veroordeelde ter zake van het feit in Ecuador en Nederland van zijn vrijheid beroofd is geweest in het kader van de onderhavige zaak dient op genoemde straf in mindering gebracht te worden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat veroordeelde van 22 maart 2010 tot en met 9 oktober 2016 in Ecuador in detentie heeft gezeten. Daarnaast heeft veroordeelde van 10 oktober tot en met 24 oktober 2016 in Nederland in overleveringsdetentie gezeten. In totaal derhalve 2408 dagen. Aldus overstijgt de reeds door veroordeelde ondergane gevangenisstraf de aan veroordeelde bij dit vonnis opgelegde gevangenisstraf van 4 jaar, zodat veroordeelde geen verdere gevangenisstraf meer hoeft te ondergaan.

Ter terechtzitting heeft de raadsman nog een voorwaardelijk verzoek gedaan om een reclasseringsrapportage over veroordeelde op te laten maken. Nu de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel heeft opgelegd, is niet voldaan aan de voorwaarde zoals door de raadsman aan zijn verzoek verbonden, zodat dit verzoek geen bespreking behoeft.

5 Toepasselijke wetsbepalingen

De beslissing berust op de artikelen:

2 en 10 van de Opiumwet;

2, 3, 20, 27, 28, 29, 30 en 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, en

2, 3, 6 en 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, gesloten te Straatsburg op 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, Trb. 1987, 163).

6 Beslissing

Verklaart toelaatbaar de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van het Provinciaal Gerechtshof van Guayas te Ecuador van 15 augustus 2011 opgelegde gevangenisstraf en verleent daartoe verlof.

Legt op een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die veroordeelde in Nederland in overleveringsdetentie en in Ecuador in voorlopige hechtenis, alsmede ter executie van de hem opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de straf in zijn geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gedaan door mr. R.L.M. van Opstal, voorzitter,

mrs. A.J.P. Schotman en V.H. Hammerstein, rechters,

bijgestaan door R.S. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 24 januari 2017.

Mr. V.H. Hammerstein is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.