Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1373

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
06-04-2017
Zaaknummer
UTR 16/2068
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK. Beroep werkgever tegen toekenning/voortzetting WIA-uitkering aan ex-werknemer. Buitenwettelijk begunstigend beleid (voor de werknemer) tav vaststelling maatman. Beroep ogg. De rb staat nog wel stil bij de lastige positie van de werkgever door Bezava.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/2068

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 maart 2017 in de zaak tussen

Adecco Personeelsdiensten BV, te Zaltbommel, eiseres

(gemachtigde: drs. H.E. Wonnink),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van der Feer).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [betrokkene], te [woonplaats] (betrokkene).

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat de

hoogte van de loongerelateerde uitkering op basis van de regeling Werkhervatting

gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) op grond van de Wet werk en inkomen naar

arbeidsvermogen (Wet WIA) van betrokkene ongewijzigd blijft. De mate van

arbeidsongeschiktheid is daarbij per 1 maart 2015 vastgesteld op 57,49%. Tevens is

betrokkene meegedeeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering per 1 oktober 2015 wordt

beëindigd en dat hem vanaf die datum een WGA-vervolguitkering wordt toegekend.

Bij besluit van 3 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard, in zoverre dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 oktober 2015 lager wordt vastgesteld op 42,58%. Deze aanpassing gaat na een uitlooptermijn van twee maanden per 4 mei 2016 in.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een

verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft geen toestemming verleend voor het toezenden van stukken die medische

gegevens bevatten aan haar voormalige werkgever, eiseres. De rechtbank heeft de medische

stukken met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht

(Awb) toegestuurd aan de door eiseres ingeschakelde arts-gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting op 27 oktober 2016 is door een enkelvoudige kamer van de rechtbank in behandeling genomen. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van F. van den Berg, juridisch arbeidskundig adviseur. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Betrokkene is eveneens verschenen.

Vervolgens heeft de (enkelvoudige kamer van de) rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en de verdere behandeling van de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Nadat eiseres en verweerder nog nadere stukken hebben ingezonden, is met toestemming van partijen verder onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Het onderzoek is vervolgens op

3 januari 2017 gesloten.

Overwegingen

1. Zoals hiervoor is weergegeven, heeft betrokkene geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen met eiseres. Om te voorkomen dat deze gegevens alsnog door middel van deze uitspraak bij eiseres bekend raken, wordt het vermelden van medische gegevens hieronder daarom zo veel als mogelijk vermeden.

2.1.

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten. Betrokkene is op 4 april 2011 in dienst getreden bij eiseres. Hij heeft bij/via eiseres gewerkt als productiemedewerker gedurende 40 uur per week. Op 4 november 2011 is hij voor dit werk uitgevallen vanwege fysieke klachten. Na het einde van de wachttijd is bij besluit van 7 november 2013 aan betrokkene met ingang van 1 november 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 40,82%. Hieraan lagen ten grondslag de medische rapporten van 22 oktober 2013 en 7 november 2013 en het arbeidskundige rapport van 6 november 2013.

2.2.

Op 6 juni 2015 heeft betrokkene melding gemaakt van een verslechterde gezondheid per

1 januari 2015. Daarnaast heeft eiseres op 12 juni 2015 verweerder verzocht om een herbeoordeling van betrokkene per einde van de loongerelateerde WGA-uitkering. Hierop is het primaire besluit genomen. Zowel betrokkene als eiseres hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met betrekking tot het bezwaar van eiseres is het bestreden besluit genomen. Hieraan lagen ten grondslag de medische rapporten van 4 augustus 2015 en 27 november 2015 en de arbeidskundige rapporten van 27 augustus 2015, 5 januari 2016 en van 18 januari 2016.

3. De rechtbank stelt voorop dat eiseres geen specifieke beroepsgronden heeft aangevoerd die zien op de medische grondslag van het bestreden besluit, behalve de enkele stelling dat er kritiek te leveren is op het feit dat medische gegevens pas in beroep aan eiseres zijn verstrekt. Gelet hierop gaat de rechtbank dan ook uit van de juistheid daarvan en richt zij haar aandacht op de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4. Eiseres voert aan dat zij het niet eens is met de vaststelling van de maatman van betrokkene, nu ten onrechte is afgeweken van de hoofdregel dat de laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid uitgeoefende arbeid maatgevend is. Ter zitting heeft eiseres er op gewezen dat zij met haar beroep opkomt tegen zowel de toekenning als de voortzetting van de WIA-uitkering aan betrokkene. Uit het aanvullende bezwaarschrift van 14 december 2015 leidt de rechtbank ook af dat eiseres, nadat zij de toekenningsbeslissing van de WIA-uitkering per einde wachttijd die zij had opgevraagd na de ontvangst van het primaire besluit heeft ontvangen, kenbaar heeft gemaakt dat haar bezwaargronden zien op de gehele WIA-uitkering, vanaf einde wachttijd. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat aan deze bezwaargrond per abuis geen aandacht is besteed en dat het bezwaar van eiseres alleen is opgevat als gericht tegen de voortzetting van de WIA-uitkering per

1 oktober 2015. Daarbij heeft verweerder gesteld dat mocht uit deze procedure blijken dat de maatman onjuist is vastgesteld, hij bereid is om de gevolgen daarvan door te trekken naar de WIA-toekenning per einde wachttijd. Gelet hierop zal de rechtbank uit pragmatisch oogpunt de beroepsgronden van eiseres in deze procedure zowel in het kader van de toekenning, als in het kader van de voortzetting van de WIA-uitkering beoordelen. Dit betekent dat beoordeeld dient te worden of verweerder betrokkene terecht per einde wachttijd,

1 november 2013, een WIA-uitkering heeft toegekend en deze uitkering vervolgens per

1 oktober 2015 heeft voortgezet.

4. Over de stelling van eiseres dat de maatman onjuist is vastgesteld, heeft zij naar voren gebracht dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport verwijst naar uitzonderingen op basis waarvan een afwijkende maatman is gehanteerd, namelijk de functie projectleider met een hoger loon bij een andere werkgever, maar onduidelijk is waar deze uitzonderingen zijn gepubliceerd. Het kan niet zo zijn dat onredelijk uitwerkende factoren voor de werknemer naar believen van de arbeidsdeskundige kunnen worden gerepareerd. Een arbeidsmarkt-afzakker moet de stappen achteruit zelf dragen, er is immers een Werkloosheidswet (WW) waar hij recht op kan doen gelden. In de WW zou betrokkene na een half jaar ook zijn aangewezen op passend werk, ook op het laagste niveau. De arbeidsmarktfactoren spelen geen rol in de WIA en de WW, anders dan bij een medische afzakker. Zoals ook verweerder stelt, is in het geval van betrokkene geen sprake van een situatie waarbij hij de stap achteruit vanuit medische redenen heeft gezet, aldus eiseres.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie onder meer de uitspraak van 8 november 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AU5910), moet bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in beginsel als maatman worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk verrichtte voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, indien moet worden aangenomen dat die arbeid als gevolg van de bij de verzekerde bestaande beperkingen van meet af aan voor hem niet geschikt is geweest. In de uitspraak van 23 januari 1997 (ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6637) heeft de CRvB tot uitdrukking gebracht dat die ongeschiktheid niet (uitsluitend) uit op ziekte of gebrek berustende beperkingen behoeft voort te vloeien.

6. In het kader van de WIA-beoordeling per einde wachttijd heeft de arbeidsdeskundige

M. van Ditmarsch (Van Ditmarsch) in het rapport van 6 november 2013 uitgebreid haar onderzoek ten aanzien van de vaststelling van de maatgevende arbeid uiteengezet. Betrokkene heeft in de periode van 2007-2010 gewerkt als projectleider/monteur bij Cabinebouw Warmtetechniek voor 37,93 uur per week. Dit werk is beëindigd wegens een faillissement. Betrokkene ontving daarna een korte tijd een faillissement uitkering van het Uwv. Deze betaling is gestopt, omdat hij werk heeft geaccepteerd (tegen lager loon) bij Elpo B.V. waar hij van 14 juni 2010 tot 28 februari 2011 heeft gewerkt als projectleider/monteur. Bij deze werkgever zijn de fysieke klachten van betrokkene gestart en is het dienstverband (middels vaststellingsovereenkomst) beëindigd, omdat betrokkene merkte dat hij dat werk niet meer aan kon. Hij heeft vervolgens een maand van zijn spaargeld geleefd en heeft daarna gewerkt als productiemedewerker bij/via eiseres voor 40 uur per week tegen een aanzienlijk lager loon. Van Ditmarsch komt in haar rapport tot de conclusie dat er reden is om af te wijken van de hoofdregel dat de laatst verrichte arbeid ook de maatgevende arbeid is. Volgens Van Ditmarsch moet de functie als projectleider/monteur bij Cabinebouw als maatman worden aangenomen, nu de functiewisseling naar lager betaalde arbeid een gevolg is geweest van werkloosheid en de arbeidsongeschiktheid in die lager betaalde arbeid intreedt binnen de periode waarop WW-recht zou hebben bestaan, als betrokkene niet was gaan werken in die functie. Daarmee is sprake van onvrijwillige omstandigheden van werkloosheid. Verder heeft betrokkene volgens Van Ditmarsch het werk als projectleider/monteur geruime tijd naar krachten en bekwaamheden verricht.

In het kader van de herbeoordeling per einddatum van de loongerelateerde WIA-uitkering,

1 oktober 2015, hebben de arbeidsdeskundigen (bezwaar en beroep) zich bij het oordeel van Van Ditmarsch ten aanzien van de vaststelling van de maatgevende arbeid aangesloten.

7. Naar aanleiding van de beroepsgronden van eiseres heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep A. van Hemert-de Boer (Van Hemert-de Boer) in haar aanvullende rapport van

6 juni 2016 gesteld dat verweerder ten aanzien van het vaststellen van de maatman beleid hanteert, welk beleid is neergelegd in het Handboek wet- en regelgeving Sociaal Medische Zaken (het Handboek). Bij brieven van 17 oktober 2016 en 14 november 2016 heeft verweerder de betreffende pagina’s van het in het Handboek opgenomen hoofdstuk ‘Maatgevende arbeid en omvang’ aan de rechtbank toegezonden. In dit hoofdstuk is een aantal uitzonderingen geformuleerd op de hoofdregel dat de laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid door betrokkene verrichte arbeid maatgevend is. Een van die uitzonderingen betreft de ‘onvrijwillige omstandigheden’. Daarover is in het hoofdstuk het volgende opgenomen:

Hierbij kun je denken aan ontslag, reorganisatie, bedrijfsbeëindiging door een zelfstandig ondernemer e.d. Dergelijke situaties leiden soms tot een WW-recht en soms ook niet, bijvoorbeeld omdat iemand aansluitend lager gekwalificeerde arbeid (lees: lager betaalde arbeid) aanvaardt. Het zou dan niet redelijk zijn die lager gekwalificeerde arbeid vervolgens als maatgevende arbeid te hanteren. Wanneer de betrokkene een WW-recht verkregen zou hebben, zou namelijk wel van de oude arbeid zijn uitgegaan. (…) De hierbij geldende regel is dat de maatgevende arbeid de vroegere arbeid is, als de arbeidsongeschiktheid intreedt op een moment waarop betrokkene nog recht gehad zou hebben op WW-uitkering, als hij na het verlies van de oude arbeid niet (aansluitend) ander werk gevonden had.”

8. De rechtbank stelt vast dat het door verweerder gevoerde beleid (voor de werknemer) zogeheten buitenwettelijk begunstigend beleid is. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB dient dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. Ondanks het feit dat de rechtbank het weinig gelukkig acht dat de complete versie van het betreffende hoofdstuk pas laat in de procedure is overgelegd, is niet gebleken dat verweerder voormeld beleid in het geval van betrokkene niet consistent heeft toegepast. Daarbij betrekt de rechtbank verweerders toelichting ter zitting, wat is herhaald in de brief van 14 november 2016, dat het digitale Handboek - dat niet is gepubliceerd - al jaren bestaat en landelijk wordt toegepast. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier anders over te oordelen. In het geval van betrokkene hebben de arbeidsdeskundigen (bezwaar en beroep) gemotiveerd uiteengezet dat in de situatie van betrokkene aanleiding bestaat om in afwijking van de hoofdregel de maatman op de oude arbeid te baseren, nu hij als gevolg van onvrijwillige omstandigheden, te weten het faillissement van Cabinebouw, lager betaalde arbeid heeft aanvaard en hij aansluitend aan de beëindiging van het dienstverband bij Cabinebouw een WW-recht zou hebben gehad van naar het lijkt 20 maanden. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiseres voert verder aan dat onduidelijk is gebleven op basis van welke gegevens de arbeidsdeskundige tot het oordeel komt dat betrokkene het werk als projectleider geruime tijd naar krachten en bekwaamheden heeft verricht. Volgens eiseres lijkt dit alleen gebaseerd te zijn op de mededelingen van betrokkene zelf.

10. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar stelling. De arbeidskundige Van Ditmarsch heeft in haar rapport van 6 november 2013 uitgebreid beschreven waaruit de werkzaamheden van de functie projectleider/monteur bij Cabinebouw bestonden en welke belasting deze functie kende. Door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep Van Hemert-de Boer is in haar aanvullende rapport van 6 juni 2016 nader toegelicht dat betrokkene deze functie bovendien gedurende een langere periode (2007-2010) heeft uitgevoerd. Gelet op deze periode van ruim drie jaar aaneengesloten, het feit dat geen eerdere ziekmeldingen of andere (loon)onderbrekingen bekend zijn en het feit dat de werkzaamheden niet om andere redenen dan een faillissement zijn geëindigd, is er volgens Van Hemert-de Boer geen aanleiding om te twijfelen aan het functioneren van betrokkene. Het gaat volgens haar dan ook zeker niet te ver om te stellen dat hij het werk als projectleider geruime tijd naar krachten en bekwaamheden heeft verricht. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de juistheid van de beschrijving van de functie projectleider bij Cabinebouw. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de arbeidsdeskundigen er niet van hebben kunnen uitgaan dat betrokkene dit werk naar krachten en bekwaamheden heeft verricht. Dit betekent dat verweerder bij het bepalen van de maatman - in afwijking van de hoofdregel - de functie van projectleider als maatman heeft kunnen hanteren.

11. Rekening houdend met de functionele mogelijkheden van betrokkene heeft de arbeidsdeskundige Van Ditmarsch in haar rapport van 6 november 2013 gesteld dat betrokkene niet meer geschikt is voor de maatgevende arbeid. Wel acht zij betrokkene in het kader van de WIA-beoordeling per einde wachttijd geschikt tot het verrichten van de volgende geduide functies: Productiemedewerker hout en bouw (SBC-code 111173), Machinaal houtbewerker (SBC-code 262130) en Productiemedewerker (SBC-code 111180). Dit heeft geleid tot de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 40,82%.

In het kader van de herbeoordeling per einddatum van de loongerelateerde WGA-uitkering heeft de arbeidsdeskundige P. Marras in haar rapport van 27 augustus 2015 betrokkene geschikt geacht tot het verrichten van de volgende geduide functies: Productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (SBC-code 111172), Magazijnmedewerker (SBC-code 315020) en Machinebediende inpak-/verpakkingsmachine (SBC-code 271093). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep Van Hemert-de Boer heeft in haar rapport van 18 januari 2016 vervolgens geconcludeerd dat de functie Productiemedewerker met SBC-code 111172 op het beoordelingsmoment 1 oktober 2015 niet meer actueel is. Na hernieuwde raadpleging van het Claim Beoordeling en Borging Systeem heeft zij naast de eerder geduide functie Magazijnmedewerker, twee nieuwe functies geduid: Productiemedewerker industrie

(SBC-code 111180) en Wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050). Op basis van deze herbeoordeling is de mate van arbeidsongeschiktheid per

1 oktober 2015 vastgesteld op 42,58%.

12. Eiseres heeft de geschiktheid van de geduide functies niet betwist. Daarom zal de rechtbank ervan uitgaan dat de hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid. Hieruit volgt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat betrokkene per einde wachttijd en per einde van de loongerelateerde WGA-uitkering recht heeft op een WIA-uitkering in de arbeidsongeschiktheidsklasse

35-80%.

13. Eiseres wijst er in beroep nog op dat door de invoering van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet Bezava) de toepassing van verweerders beleid inzake de vaststelling van de afwijkende maatman, leidt tot onredelijke grote financiële gevolgen. Nu wordt eiseres verantwoordelijk gehouden voor hoger uitbetaald loon bij een andere werkgever die inmiddels failliet is. Hierdoor stijgt het schadelastrisico

(€ 225.000) bij het aannemen van voordien beter betaalde werknemers. Eiseres acht het onredelijk dat zij de financiële schade hiervan moet dragen.

14. Hoewel deze grond onbesproken kan blijven om de hierna volgende overwegingen, ziet de rechtbank aanleiding, zij het in dit geding ten overvloede, in rechtsoverweging 17 in te gaan op deze grond.

15. Op 1 januari 2014 is het onderdeel premiedifferentiatie voor de Ziektewet-lasten en de

WGA-lasten voor flexibele werknemers van de Wet Bezava in werking getreden. Dit betekent dat werkgevers naast een gedifferentieerde premie voor zieke of arbeidsongeschikte werknemers met een vast dienstverband, ook een gedifferentieerde premie gaan betalen voor zieke of arbeidsongeschikte werknemers zonder een vast dienstverband die na eindiging van hun dienstverband aanspraak maken op een uitkering op grond van de ZW of de Wet WIA, de zogenoemde vangnetters. De gedifferentieerde premie Whk voor het jaar 2015 wordt berekend op basis van gegevens over het jaar 2013. Het gaat daarbij om ZW- en WGA-uitkeringen die in dat jaar zijn toegekend aan (ex-)werknemers. Dit volgt uit de artikelen 2.12 en 2.13 van het Besluit Wet financiering sociale verzekeringen en het bijbehorende overgangsrecht.

16. Tussen partijen is niet in geschil dat de toekenning en voortzetting van de

WIA-uitkering aan betrokkene rechtstreeks gevolg heeft voor de hiervoor genoemde door eiseres aan de Belastingdienst te betalen premie. Uit het hiervoor weergegeven stelsel volgt echter dat in het kader van een door een werkgever aanhangig gemaakt geschil omtrent de toekenning en voortzetting door verweerder van WGA-uitkeringen (uitsluitend) de rechtmatigheid van die toekenning en voortzetting aan de orde is. Argumenten die zien op de vraag of de met die toekenning verband houdende uitkeringslasten dienen te worden toegerekend aan de betreffende werkgever, kan de werkgever aanvoeren in een procedure tegen het premiebesluit. Besluitvorming aangaande de hoogte van de gedifferentieerde premie en de uitkeringslasten die in dat verband in aanmerking dienen te worden genomen, is immers voorbehouden aan de inspecteur. Zie ook de vergelijkbare overweging in de uitspraak van de CRvB van 27 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2855). In dit geval speelt de toekenning van de uitkering aan betrokkene voor de gedifferentieerde premie van de werkgever dus geen rol. De beroepsgrond slaagt dus niet.

17. De rechtbank signaleert echter wel dat werkgevers als eiseres door de invoering van de Wet Bezava in een lastige situatie terecht kunnen komen waarbij zij achteraf worden geconfronteerd met de (financiële) gevolgen van een toekenning en voortzetting van de WIA-uitkering aan een ex-werknemer. Daarbij worden werkgevers geconfronteerd met de gevolgen van toepassing van beleidsregels, zoals opgenomen in het Handboek, die zijn geschreven voor situaties in de verhouding tussen de werknemer en verweerder en niet met het oog op de verhouding tussen de werkgever en verweerder. Dit beleid is sinds de invoering van de Wet Bezava niet aangepast. Ook worden werkgevers geconfronteerd met de financiële gevolgen van het ‘stilzitten’ van verweerder, bijvoorbeeld vertragingen bij herkeuringen of beslissingen inzake toepassen van sancties bij inadequaat herstelgedrag. Tot de invoering van de Wet Bezava, die in situaties als deze een drie-partijengeschil mogelijk heeft gemaakt, was er geen haan die hier naar kraaide. De rechtbank is zich er van bewust dat dit factoren zijn die de bestuursrechter niet kan laten meewegen bij de beoordeling van dit bestreden besluit. De rechtbank acht het echter voorstelbaar dat verweerder in het kader van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en zijn taak een redelijke toepassing aan zijn beleid te geven in situaties als de onderhavige - waarin de toekenning/voortzetting van de WIA-uitkering juridisch houdbaar is maar waarbij de werkgever geen invloed heeft kunnen uitoefenen op het verloop van dat proces - een belangenafweging maakt bij de beoordeling aan wie (of in hoeverre) de rechtmatige uitkering van de werknemer redelijkerwijs zou moeten worden toegerekend, zonder dat de (uitkerings)rechten van de werknemer worden aangetast. In dit verband zou verweerder ook beleid kunnen vaststellen voor de situaties waarin een dergelijke uitkering al dan niet zou moeten worden toegerekend aan de werkgever. Ook zal verweerder zich in toenemende mate bewust moeten worden dat aan de tijdige controle en bewaking van de uitvoeringspraktijk meer prioriteit zal moeten worden gegeven, in het licht van de belangen van de werkgever.

In dit specifieke geval acht de rechtbank het dan ook niet ondenkbaar dat een belangenafweging er toe zou moeten leiden dat de (voortgezette) WIA-uitkering van betrokkene niet (of niet geheel) aan eiseres wordt toegerekend.

18. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, voorzitter, en mr. V.M.M. van Amstel en mr. J.W. Veenendaal, leden, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.