Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1366

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
16/659879-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 23-jarige man uit Almere is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De man overviel vorig jaar met twee anderen een bus in Almere.

Bij de overval werden de chauffeur en een passagier bedreigd met een mes. Zij zijn enorm geschrokken van deze overval en hebben daar nog lange tijd de gevolgen van ondervonden. Geweld tegen buschauffeurs zorgt voor maatschappelijke onrust en brengt brede maatschappelijke verontwaardiging teweeg. Bij het opleggen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de rol van de man, zijn strafblad en straffen in vergelijkbare zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16/659879-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 maart 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1993] te [geboorteplaats] ,

gedetineerd te PI Nieuwegein.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek heeft laatstelijk plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 15 februari 2017, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J.S. Visser en van de standpunten door verdachte en diens raadsman naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 juni 2016 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbak met inhoud en/of een portefeuille en/of een tas met inhoud, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of Connexxion, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbak met inhoud en/of een portefeuille en/of een tas met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of Connexxion, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- de bus heeft opgewacht en/of

- naar de bus is gelopen/gerend en/of

- in de bus is gestapt en/of

- een capuchon/bivakmuts op heeft gedaan/over zijn hoofd heeft getrokken, althans zijn gezicht heeft bedekt, en/of

- een mes heeft gepakt en/of

- dat mes in de richting van die [slachtoffer 1] heeft gehouden en/of

- (daarbij) tegen die [slachtoffer 1] heeft geschreeuwd: "geef me je geld, je geld, je geld, meer!", althans woorden van gelijke strekking en/of aard, en/of

- met dat mes de arm van die [slachtoffer 1] heeft geraakt en/of

- dat mes in de richting van [slachtoffer 2] heeft gehouden en/of

- (daarbij) tegen die [slachtoffer 2] heeft geroepen (zakelijk weergegeven) dat die [slachtoffer 2] op de grond moest gaan liggen.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte betrokken is geweest bij de overval op de buschauffeur. Er is slechts één Meld Misdaad Anoniem-melding geweest over de betrokkenheid van verdachte en deze melding is gebaseerd op een vermoeden. Het gesprek tussen verdachte en zijn medeverdachten tijdens het vervoer in de arrestantenbus had geen betrekking op hun betrokkenheid bij de overval. Zij hadden net contact met hun advocaten gehad en in algemene zin werd het verloop van het voorarrest en de proceshouding besproken. Het is in een dergelijk geval normaal dat dan ook een inschatting wordt gemaakt van de afloop van de strafzaak. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zijn niet bruikbaar nu deze verklaringen onbetrouwbaar zijn. De getuigen spreken zichzelf en elkaar tegen. De beschuldigingen van deze getuigen zijn bovendien gebaseerd op een vermoeden. Tenslotte kan de betrokkenheid van verdachte niet worden afgeleid uit de camerabeelden. Derhalve dient vrijspraak te volgen.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de aangiftes van [slachtoffer 1]2 en [slachtoffer 2]3 en de camerabeelden4 volgt dat drie personen zich op 8 juni 2016 in een bus in Almere schuldig hebben gemaakt aan afpersing van [slachtoffer 1] door hem door middel van geweld en bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van een geldbak met ongeveer € 30,- à € 40,- aan contant geld en een portefeuille, met daarin drie briefjes van € 5,-, alsook de diefstal van een tas met inhoud, welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld (een en ander zoals blijkt uit de bewezenverklaring).

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of verdachte één van deze drie personen is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan deze overval op een bus.

Op 8 juni 2016 werden de beelden van de beveiligingscamera in de bus door Connexxion aan Omroep Flevoland ter beschikking gesteld. Op de internetsite van Omroep Flevoland kon een filmpje worden bekeken waarop de overval en daarmee ook de overvallers zichtbaar waren.


Op 24 juni 2016 verklaarden getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de politie dat zij naar aanleiding van een nieuwsbericht de beelden van de overval van 8 juni 2016 hadden bekeken op internet. Op deze beelden herkenden zijn hun (stief)zoon [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] was de persoon die met het mes aan het zwaaien was. Beide getuigen hadden geen twijfels over hun herkenning. Verder verklaarden zij dat [medeverdachte 1] op 8 juli (de rechtbank leest juni) 2016 met [medeverdachte 2] en [verdachte] bij hen thuis was geweest . [getuige 1] had direct tegen haar zoon gezegd ‘ik weet het’. Hiermee bedoelde zij dat zij wist dat [medeverdachte 1] bij de overval op de buschauffeur was betrokken. Daarop begon [medeverdachte 1] te huilen en zei hij dat het hem speet. Tenslotte verklaarden de getuigen dat het hen niet zou verbazen als de andere overvallers [verdachte] en [medeverdachte 2] zouden zijn omdat ze altijd met z’n drieën zijn. De achternaam van [medeverdachte 2] is [medeverdachte 2] , de achternaam van [verdachte] wisten zij niet.

Uit een tapgesprek op 24 juni 2016 tussen [getuige 1] en haar dochter [dochter] volgt dat zij [verdachte] hadden opgezocht op Facebook. Deze [verdachte] bleek [verdachte] (hierna: verdachte) te heten.5

Op 3 augustus 2016 verklaarde [getuige 1] bij de politie dat zij op beelden van de overval op internet de derde jongen buiten de bus, gezien zijn postuur, herkende als [medeverdachte 2] en de tweede jongen in de bus als verdachte.6 De avond na de overval had ze de drie jongens gevraagd waarom zij de overval hadden gepleegd. [medeverdachte 2] had hierop geantwoord dat hij het geld nodig had voor zijn kinderen. Verdachte had gezegd dat hij het wel wilde meemaken en ervaren hoe het voelde. [getuige 1] verklaarde voorts dat de jongens met een vuilniszak naar de kamer van [medeverdachte 1] waren gegaan. Even later zag zij dat de jongens weggingen met een vuilniszak die duidelijk gevuld was. Op de vraag van [getuige 1] wat ze buit hadden gemaakt, hadden ze geantwoord dat ze het geld onderling hadden verdeeld en dat ze alle drie € 17,00 per persoon hadden gekregen.7

[getuige 2] verklaarde op 3 augustus 2016 bij de politie dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte op 8 juni 2016 bij hem en zijn vrouw thuis waren geweest. [medeverdachte 1] sloeg gelijk zijn armen om zijn vrouw heen en begon te huilen. Hij hoorde zijn vrouw tegen [medeverdachte 1] zeggen: ‘ik weet het al’. Hoe [medeverdachte 1] daarop reageerde wist hij niet meer. Hij hoorde wel dat verdachte zei: ‘we wilden het een keer meemaken.’ Op de vraag hoeveel er verdiend was werd gezegd dat het € 17,50 per persoon was. Tenslotte heeft hij [medeverdachte 2] horen zeggen dat hij

de deur van de bus had tegengehouden en dat [medeverdachte 1] en verdachte naar binnen gingen.8

[getuige 1] en [getuige 2] werden op 24 januari 2017 verhoord bij de rechter-commissaris. [getuige 1] verklaarde toen dat zij op de dag van de overval op teletekst had gelezen over de overval. In dit bericht stond dat er drie daders waren en dat een van de daders een blanke jongen was met een baardje en stekeltjes haar. Haar moederinstinct gaf aan dat er iets aan de hand was. ’s Avonds kwam haar zoon rond een uur of zeven thuis met [medeverdachte 2] en verdachte. Haar zoon [medeverdachte 1] schrok en begon te huilen. Daarop zei zij ‘ik weet het al’. De anderen zeiden ook sorry. Op een gegeven moment ging haar zoon naar zijn kamer en vroeg zij aan verdachte en [medeverdachte 2] : ‘jullie waren erbij zeker’. Ze zeiden ja en ze vroeg waarom. Verdachte zei dat hij het een keer wilde proberen en [medeverdachte 2] had het voor zijn kind gedaan. Ze hadden ieder € 17,00 buit gemaakt. Op de vraag waarom zij niet direct tegen de politie had gezegd dat zij wist dat haar zoon [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 2] en verdachte de overval had gepleegd, antwoordde zij dat zij verbouwereerd was dat haar zoon was opgepakt en dat zij op dat moment een black-out had. Vanaf het begin af aan wist zij dat ze er alle drie bij betrokken waren maar zij kon het niet opbrengen om dat direct aan de politie te melden.

[getuige 2] verklaarde op 24 januari 2017 bij de rechter-commissaris dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte daags na de overval bij hem en zijn vrouw thuis waren geweest. Zijn vrouw zei direct: ‘ik weet het al’. [medeverdachte 1] had namelijk tranen in zijn ogen. [medeverdachte 1] ging daarop naar zijn kamer en [medeverdachte 2] en verdachte bleven achter in de huiskamer. Hij vroeg aan [medeverdachte 2] en verdachte waarom ze zoiets stoms hadden gedaan. Verdachte zei toen dat hij het een keer had willen meemaken en [medeverdachte 2] had het voor zijn kindjes gedaan. De buit was € 17,50 per persoon geweest. Daarna kwam [medeverdachte 1] weer binnen en vertrokken de drie jongens. In detail had de getuige niet met hen gesproken over het verloop van de overval. Dit had hij op de beelden gezien die op internet stonden. Hierop had hij [medeverdachte 1] herkend en verdachte als tweede dader en [medeverdachte 2] als derde. Verdachte herkende hij aan zijn loopje en doen en laten.

Naast de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen waarin verbalisant [verbalisant] heeft opgetekend dat [medeverdachte 1] op 7 juli 2016 in cel 7 van het cellenblok in de rechtbank zat, [medeverdachte 2] in cel 5 en dat verdachte in cel 4 was geplaatst. De verbalisant hoorde dat er vanuit cel 7 geroepen werd: ‘ik krijg 3 jaar omdat ik hoofddader ben, [verdachte] krijgt 2 jaar en jij krijgt 1 jaar’.9

Op 7 juli 2016 is, na een machtiging van de rechter-commissaris, vertrouwelijke communicatie opgenomen tijdens het vervoer van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte naar de rechtbank. Tijdens dit gesprek zegt [medeverdachte 1] dat hij wel een beetje spijt heeft. Verdachte zegt dat [medeverdachte 2] misschien een jaartje gaat en hij tweeënhalf.10 Tevens is gehoord dat [medeverdachte 1] zei dat hij het nooit had verwacht, vooral niet van zijn moeder, aangezien zij weet wat voor straf er boven zijn hoofd hangt,11 en dat ze alle drie hun bek moeten houden.12 Voorts zei [medeverdachte 1] dat 21 september de rechtszaak is en dat ze dan alle drie de grote straf krijgen en zich op hun zwijgrecht moeten beroepen.13

Ten slotte volgt uit het dossier dat een man die zichzelf [verdachte] noemde op 30 juni 2016 met nummer [telefoonnummer] heeft gebeld met [getuige 2] . In dit gesprek gaf [getuige 2] aan dat hij (de rechtbank leest [medeverdachte 1]) wordt overgeplaatst naar de PI Almere. [verdachte] zei hierop dat hij slippers voor hem had gekocht. Daarop zei [getuige 2] dat er geld was ingezameld en dat [verdachte] ook maar iets moest gaan doneren. Uit hetgeen tussen [getuige 2] en [verdachte] is besproken leidt de rechtbank af dat de persoon die zichzelf [verdachte] noemt verdachte is.14

Vervolgens heeft op 1 juli 2016 een onbekende man gebeld naar het telefoonnummer [telefoonnummer] , zijnde het telefoonnummer dat de dag daarvoor in gebruik was bij verdachte. Verdachte gaf aan dat hij slippers, T-shirts en korte broeken had gekocht en dat hij over twee weken op bezoek zal gaan en dan wel chocolade zal geven. Verder gaf de onbekende man aan dat verdachte altijd zijn mond moet houden.15

Betrouwbaarheid getuigenverklaringen

De rechtbank heeft geen onverklaarbare tegenstrijdigheden in de door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen kunnen vaststellen op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat de verklaringen niet op waarheid berusten. De rechtbank acht de verklaringen bovendien authentiek en betrouwbaar en ziet ook overigens in het dossier geen aanknopingspunten die zouden kunnen leiden tot twijfel omtrent de geloofwaardigheid van die verklaringen. De rechtbank wordt in dit oordeel gesterkt doordat de getuigen hebben verklaard dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte tegen hen hadden gezegd dat zij ieder ongeveer € 17,50 hadden buitgemaakt, wat kan passen bij de bedragen die in de aangifte van [slachtoffer 1] zijn genoemd. Op het moment dat de getuigen deze verklaringen aflegden waren zij niet op de hoogte van de inhoud van het dossier en deze kennis kan derhalve worden aangemerkt als direct van de daders verkregen.

Daarnaast vinden de verklaringen van de getuigen steun in hetgeen verbalisant [verbalisant] heeft opgetekend op het moment dat verdachte zich samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in het cellenblok in de rechtbank bevond, hetgeen tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte is besproken in de arrestantenbus en de inhoud van de tapgesprekken op 30 juni 2016 en 1 juli 2016. Dat verdachten op deze momenten over hun betrokkenheid bij de overval op de bus spraken, acht de rechtbank gelet op de inhoud van deze gesprekken in onderling verband en samenhang bezien aannemelijk.

Gezien dit alles hecht de rechtbank wel degelijk geloof aan de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en zijn de verklaringen om die reden ook bruikbaar voor het bewijs.

Nadere bewijsoverwegingen

De rechtbank is op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich op 8 juni 2016 schuldig heeft gemaakt aan diefstal vergezeld van geweld en bedreiging met geweld en aan afpersing.

De rechtbank is tevens van oordeel dat er sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de twee anderen. Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat de drie samen de bus hebben opgewacht en naar de bus zijn gerend toen deze langs reed. Vervolgens zijn [medeverdachte 1] en verdachte de bus ingegaan en heeft [medeverdachte 2] de deur van de bus open gehouden. Achteraf is de weggenomen buit tussen de drie verdachten verdeeld.

Het ten laste gelegde kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 08 juni 2016 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbak met inhoud en een portefeuille toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of Connexxion,

en

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of Connexxion, welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders

- de bus hebben opgewacht en

- een capuchon/bivakmuts op hebben gedaan en

- naar de bus zijn gerend en

- in de bus zijn gestapt en

- een mes heeft gepakt en

- dat mes in de richting van die [slachtoffer 1] heeft gehouden en

- daarbij tegen die [slachtoffer 1] heeft geschreeuwd: "geef me je geld, je geld, je geld, meer!", en

- met dat mes de arm van die [slachtoffer 1] heeft geraakt en

- dat mes in de richting van [slachtoffer 2] heeft gehouden en

- daarbij tegen die [slachtoffer 2] heeft geroepen dat die [slachtoffer 2] op de grond moest gaan liggen.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Afpersing door twee of meer verenigde personen

en

diefstal vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl dat feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

Voor het geval het tot een bewezenverklaring mocht komen, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is gelet op het strafblad van verdachte, de oriëntatiepunten en op de straffen die aan de medeverdachten zijn opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich met twee mededaders schuldig gemaakt aan een overval op een bus, waarbij de buschauffeur en een passagier zijn bedreigd met een mes. De buschauffeur en de passagier zijn zeer angstig geweest en hebben van de overval veel nadelige gevolgen ondervonden. Dat de buschauffeur en de passagier enorm geschrokken zijn van deze overval en daar nog lange tijd de gevolgen van hebben ondervonden, blijkt uit ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring van mevrouw [slachtoffer 2] en hetgeen de heer [slachtoffer 1] heeft opgenomen in zijn verzoek tot schadevergoeding.
Buschauffeurs bevinden zich tijdens hun werk in een kwetsbare positie. Zij zitten achter het stuur in een kleine ruimte en kunnen letterlijk geen kant op wanneer zij zich geconfronteerd zien met agressie en geweld. Voorts brengt geweld tegen buschauffeurs een groot gevoel van maatschappelijke onrust en brede maatschappelijke verontwaardiging teweeg. Buschauffeurs moeten hun publieke taak in rust en veiligheid kunnen uitvoeren.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 december 2016, waaruit blijkt dat verdachte eerder met politie en/of justitie in aanraking is geweest.

De ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit rechtvaardigt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van lange duur. Rekening houdend met straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten onder soortgelijke omstandigheden worden opgelegd, de rol van verdachte in het bewezenverklaarde en het strafblad van verdachte zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren opleggen.

9a DE BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 2]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 500,00 ter zake van immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van

€ 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening en met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

9b DE BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 1]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 1] – daartoe vertegenwoordigd door mr. F. Boor – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van

€ 5.934,32, waarvan een bedrag van € 3.434,22 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 2.500,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een totaal bedrag van € 4.934,32, waarvan € 1.500,00 aan immateriële schade.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij wat betreft de immateriële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 750,00 en de posten ‘forceren schuurdeur en vervanging sloten’ niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.455,97, te weten € 254,71 voor ‘Kosten vervanging sloten eigen woning en sleutels’, € 833,49 voor ‘Kosten vervanging sloten auto’, € 150,00 voor ‘Kosten Glaslijn eigen risico’, € 169,50 aan fysiotherapie, € 28,89 aan reiskosten en € 19,38 aan ‘Diversen’.

De vordering van de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank wat betreft de post ‘Forceren schuurdeur en vervangen sloten’ onvoldoende, zowel schriftelijk als mondeling ter terechtzitting, onderbouwd en ter terechtzitting gemotiveerd betwist. De rechtbank zal derhalve de vordering van de benadeelde partij voor dat deel afwijzen.

De rechtbank overweegt dat op grond van het gestelde in bijlage 8 bij het voegingsformulier vast is komen te staan dat bij het slachtoffer ten gevolge van de overval op de bus de diagnose ‘matige depressie’ is gesteld en hij derhalve immateriële schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde. Het gevorderde bedrag acht de rechtbank echter te hoog. De rechtbank baseert zich daarbij op de hoogte van immateriële schadevergoedingen in vergelijkbare zaken. De vordering immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 1.500,00. De vordering van de benadeelde partij zal voor het meerdere worden afgewezen.

De hoogte van de schade is aldus genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van
€ 2.955,97, waarvan een bedrag van € 1.455,97 aan materiële schade en een bedrag van
€ 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening en met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

9c DE BENADEELDE PARTIJ Connexxion Openbaar Vervoer N.V.

Voor aanvang van de terechtzitting heeft Connexxion Openbaar Vervoer N.V. – daartoe vertegenwoordigd door mr. F. Boor – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 3.845,99 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het gevorderde bedrag bestaat uit € 1.720,14 aan ‘Kosten rituitval en inzet extra personeel’, € 550,85 aan ‘Consignatievoorraad tekort na overval’, € 787,50 aan ‘Kosten rechtsbijstand Connexxion’ en € 787,50 aan ‘Kosten rechtsbijstand dhr. [slachtoffer 1] ’.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.125,85 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de vordering van de benadeelde partij wat betreft de posten ‘Kosten rituitval en inzet extra personeel’ en ‘Consignatievoorraad tekort na overval’ niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien deze posten onvoldoende onderbouwd zijn en derhalve een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De gevorderde kosten rechtsbijstand betreffen volgens de raadsman geen rechtstreekse schade.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij behoeft naar het oordeel van de rechtbank, wat betreft de posten ‘Kosten rituitval en inzet extra personeel’, ‘Consignatievoorraad tekort na overval’ en ‘kosten rechtsbijstand werknemer [slachtoffer 1] ’, die ter terechtzitting zijn weersproken, nadere toelichting. De rechtbank zal derhalve de vordering van de benadeelde partij voor dit deel afwijzen.

De gevorderde proceskosten die Connexxion betreffen, zullen worden toegewezen conform de gebruikelijke tarieven voor civiele kantonzaken. Deze kosten bestaan uit het salaris van de gemachtigde en worden begroot op € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00).

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de

verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partijen

[slachtoffer 2]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 500,00, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader/mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 8 juni 2016, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot
€ 500,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 8 juni 2016, tot die van de voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde par tij [slachtoffer 2] , daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

[slachtoffer 1]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 2.955,97, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader/mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 8 juni 2016, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 2.955,97 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 39 dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 8 juni 2016, tot die van de voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededader/mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] wat betreft het meer gevorderde schadebedrag af;

Connexxion Openbaar Vervoer N.V.

- wijst de vordering van de benadeelde partij Connexxion Openbaar Vervoer N.V. af;

- veroordeelt de verdachte in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 400,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, mr. M. Ferschtman en mr. G. van de Beek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 maart 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2016174897, doorgenummerd 1 tot en met 1405.

2 Pagina 1001 tot en met 1010

3 Pagina 1013 tot en met 1016

4 Pagina 1024 tot en met 1026

5 Pagina 1094

6 Pagina 1355

7 Pagina 1355

8 Pagina 1359

9 Pagina 1128

10 Pagina 1336

11 Pagina 1340

12 Pagina 1341

13 Pagina 1343

14 Pagina 1113

15 Pagina 1116