Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1363

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
16/661566-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 32-jarige man uit Bunschoten, een 42-jarige Zwollenaar, en een 33-jarige man uit Soesterberg zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot taakstraffen van 120 uur. De drie verdachten hebben in 2014 meerdere keren tegen betaling seks gehad met een 16-jarig meisje.

De mannen verklaarden dat zij niet wisten dat het meisje minderjarig was. Ook het meisje heeft dit verklaard. Dit doet aan de strafrechtelijke verwijtbaarheid niets af. De mannen hebben zich onvoldoende ingespannen om te controleren of het meisje meerderjarig was, zo oordeelt de rechtbank.

De officier van justitie eiste celstraffen variërend van 8 tot 10 maanden, waarvan de helft voorwaardelijk. De rechtbank vindt dit een te zware straf. De mannen reageerden op een advertentie op een legale website. Uit het dossier blijkt ook niet dat zij bewust op zoek waren naar seks met een minderjarige, of wisten dat zij minderjarig was. De rechtbank veroordeelt de drie mannen tot een werkstraf van 120 uur en een gevangenisstraf van een dag, die zij tijdens hun voorarrest hebben uitgezeten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661566-15

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 21 maart 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1974] ,

wonende te [woonplaats] aan de [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2017. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J.M. Koppert, advocaat te Lelystad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 30 november 2014 al dan niet meermalen tegen betaling seksuele handelingen heeft verricht met een minderjarige vrouw.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich voor wat de bewezenverklaring betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend en de verdediging heeft ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen:
- een proces-verbaal van bevindingen van de politie;2
- de verklaring van [slachtoffer] ;3
- een geboorteakte van [slachtoffer] .4
- de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting.5

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

in de periode van 01 oktober 2014 tot en met 30 november 2014

te Amersfoort meermalen ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op

[1998] , die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, te weten dat verdachte zijn, verdachtes,

penis in de mond en in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien maar nog niet van achttien jaren heeft bereikt, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.
De officier van justitie baseert zich bij deze eis onder meer op het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) - het zogeheten “taakstrafverbod”- en de Richtlijn van het Openbaar Ministerie met betrekking tot artikel 248b Sr (2015R054).
Uit de wetsgeschiedenis van artikel 22b Sr blijkt volgens de officier van justitie dat de wetgever nadrukkelijk heeft bedoeld dat voor delicten als neergelegd in artikel 248b Sr. alleen een taakstraf kan worden opgelegd als deze wordt gecombineerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur. Het opleggen van een taakstraf gecombineerd met een gevangenisstraf voor de duur van één dag, zoals in soortgelijke zaken wel is opgelegd, gaat lijnrecht in tegen de bedoeling van de wetgever.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de straf te beperken tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd van drie jaren, in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf. De verdediging heeft daartoe een aantal persoonlijke omstandigheden van verdachte aangevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het tegen betaling hebben van seks met een minderjarig meisje. Daarbij is sprake geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam van de minderjarige. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van jeugdprostitutie. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Dat verdachte - zoals hij heeft verklaard - dacht dat het meisje meerderjarig was omdat zij dit op zijn vraag naar haar leeftijd bevestigde en zij er als een meerderjarige uitzag, doet aan de strafrechtelijke verwijtbaarheid niet af. Verdachte heeft nagelaten zich voldoende ervan te vergewissen dat het meisje meerderjarig was.
Het hebben van seks met een minderjarige tegen betaling is strafbaar gesteld in artikel
248b Sr. Hierin staat de bescherming van minderjarigen centraal. Zij moeten kunnen opgroeien in een omgeving waar zij zich veilig kunnen ontwikkelen, ook op seksueel gebied. Gezien hun jeugdige leeftijd kan van hen niet worden verwacht dat zij zelf voldoende in staat zijn hun seksuele integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien.

Bij jeugdprostitutie is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel het uitgangspunt.

De rechtbank houdt er echter rekening mee dat uit het strafdossier niet kan worden afgeleid dat verdachte bewust op zoek was naar een seksafspraak met een meisje dat jonger was dan 18 jaar. Hij reageerde op een advertentie op een legale website. Zonder ook maar iets af te doen aan de ernst van het strafbare feit en de mogelijke gevolgen daarvan voor de minderjarige, is het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt – in het bijzonder het feit dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om de daadwerkelijke leeftijd van aangeefster te achterhalen - minder groot dan in het geval waarin iemand wel bewust op zoek is gegaan naar een minderjarige of wist dat zij minderjarig was.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 december 2016. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een omtrent verdachte opgemaakt reclasseringsrapport van 26 april 2016, opgemaakt door J. Vreman, werkzaam bij Reclassering Nederland. J. Vreman schat de kans op recidive laag in en adviseert tot het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf. Voornoemde reclasseringsmedewerker rapporteert dat er geen contra-indicaties zijn voor het opleggen van een taakstraf. Het opleggen van een (lange) gevangenisstraf zal voor het werk van verdachte problemen opleveren.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf een te zware straf. De rechtbank zal daarom gebruik maken van de wettelijke mogelijkheid de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf te beperken tot een dag, met aftrek van het voorarrest en daarnaast een taakstraf opleggen voor de duur van 120 uur.

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar standpunt dat de gekozen combinatie van straffen in strijd zou zijn met de wet of met de bedoeling van de wetgever. Artikel 22b Sr. bepaalt slechts dat een taakstraf gecombineerd moet worden met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, maar niet hoe lang die moet zijn. Evenals het Hof Den Bosch in de zogeheten Valkenburgse zedenzaak (Hof Den Bosch 28 december 2016, o.a. ECLI:NL:GHSHE:2016:5683) heeft overwogen, moet het ervoor worden gehouden dat de gekozen combinatie tot het “palet van mogelijke straffen behoort”. In dit verband verwijst de rechtbank nog naar de door de Hoge Raad in zijn recente arrest van

24 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:66) geciteerde wetsgeschiedenis, waarin sprake is van een met artikel 22b Sr gezochte “balans tussen de richtinggevende rol van de wetgever en de straftoemetingsvrijheid van de rechter”. De rechtbank ziet niet in waarom de tekst van artikel 22b Sr deze balans niet zou weergeven. De wetsgeschiedenis dwingt daartoe naar het oordeel van de rechtbank niet.

Het is de taak van de rechtbank om binnen de wettelijke mogelijkheden een straf te bepalen die recht doet aan alle omstandigheden van het geval, indachtig de verschillende strafdoelen zoals generale en speciale preventie en vergelding. Een langere gevangenisstraf dan wordt opgelegd zou naar het oordeel van de rechtbank in de omstandigheden van dit geval niet passend zijn.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22b, 22c, 22d en 248b van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien maar nog niet van achttien jaren heeft bereikt, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 dag.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht (te weten 1 dag), bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter,

mrs. E.H.M. Druijf en M. Ferschtman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 maart 2017.

Mr. M. Ferschtman is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2014 tot en met 30 november 2014

te Amersfoort en/of elders in Nederland,

(meermalen) ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op [1998]

,

die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met

een derde tegen betaling

en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien

jaren had bereikt,

te weten dat verdachte (telkens) zijn, verdachtes,

penis in de mond en/of in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht;

art 248b Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, met nummer 2014338454B, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van 11 mei 2015, met bijlagen, pagina 784 tot en met 798 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

3 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] van 8 juni 2015, pagina 386 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een geboorteakte van [slachtoffer] , pagina 1291 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

5 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 maart 2017.