Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1271

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
UTR 15/5715
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

loonsanctie;

artikel 25 en 65 van de wet Wia.

De loonsanctie is ten onrechte opgelegd. Ook in beroep heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat concrete activiteiten in spoor 2 in redelijkheid in deze specifieke situatie toch van eiseres te vergen waren terwijl alles erop duidde dat voortgaan in spoor 1 tot gehele hervatting van werkneemster in haar eigen werk zou leiden. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/5715

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2017 in de zaak tussen

Stichting Sint Antonius Ziekenhuis, te Nieuwegein, eiseres

(gemachtigde: A.P.L. van Beek),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: S.N. Westmaas).

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het tijdvak waarin werkneemster [werkneemster] (hierna: werkneemster) jegens eiseres als haar werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot 14 september 2016. Die verlenging – ook wel loonsanctie genoemd – is opgelegd na afloop van de wachttijd van 104 weken op de grond dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest. Daarbij is eiseres medegedeeld dat de aanvraag van de werkneemster voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) niet in behandeling wordt genomen.

Bij besluit van 6 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Werkneemster heeft de rechtbank meegedeeld niet te willen deelnemen aan deze beroepsprocedure. Daarbij heeft zij vermeld dat ze geen toestemming geeft om stukken die medische gegevens bevatten aan eiseres toe te sturen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2016. Namens eiseres zijn verschenen [A] en gemachtigde Van Beek. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde Westmaas.

Ter zitting is het onderzoek aangehouden. De rechtbank heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om aan verweerder concrete informatie te verstrekken omtrent de omvang van de werkzaamheden van werkneemster per einde wachttijd en haar bijbehorende salaris. Afgesproken is dat verweerder vervolgens die informatie voorlegt aan de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en het bestreden besluit in heroverweging neemt.

Bij brief van 13 juni 2016 heeft eiseres informatie verstrekt.

In reactie daarop heeft verweerder bij brief van 8 juli 2016 aan de rechtbank een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 juli 2016 overgelegd.

Eiseres heeft bij brief van 8 augustus 2016 gereageerd. In reactie daarop heeft verweerder een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 augustus 2016 overgelegd.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege laten van een tweede zitting, heeft de rechtbank op 28 november 2016 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat werkneemster in beroep geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens te delen met eiseres, haar werkgever. Teneinde te voorkomen dat deze gegevens alsnog door middel van deze uitspraak bij de werkgever bekend raken, wordt het vermelden van medische gegevens hieronder zo veel als mogelijk vermeden.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Werkneemster is sinds 17 oktober 2011 werkzaam bij eiseres als operatieassistente gedurende 36 uur per week op de locatie Nieuwegein. Op 17 september 2013 is zij uitgevallen wegens fysieke klachten. Op 26 juni 2015 heeft werkneemster een WIA-uitkering aangevraagd. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals hiervoor onder Procesverloop is weergegeven.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn loonsanctiebesluit gehandhaafd. Hiervoor heeft verweerder zich gebaseerd op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep J.H. Landwehr van 5 oktober 2015 dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit.

Volgens verweerder zijn de re-integratie-inspanningen niet voldoende. De inspanningen zijn gericht op spoor 1 en spoor 2 is in mei 2015 getemporiseerd, omdat de verwachting was dat werkneemster volledig zou terugkeren in eigen werk. De beslissing om spoor 2 te temporiseren wordt als onjuist gezien, aangezien uit het opbouwschema van de bedrijfsarts van 12 mei 2015 blijkt dat er twijfel was of spoor 1 tot het gewenste resultaat zou leiden, gelet op de opmerking dat er voorzichtig opgebouwd moet worden om terugval te voorkomen. Dat eiseres prioriteit heeft gelegd bij volledige terugkeer in eigen werk, komt voor haar risico.

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij wel voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Zij voert daartoe aan dat de prioriteit bij re-integratie van werkneemster lag bij terugkeer in eigen werk, gelet ook op het herstel en de prognoses. Eiseres betwist dat uit het opbouwschema zou zijn af te leiden dat bij de bedrijfsarts twijfel bestond dat het eerste spoor tot het gewenste resultaat zou leiden. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid is ook het spoor 2 traject gestart. In het kader van dat traject heeft werkneemster zich gericht op een ander vakgebied en was zij op het moment van beoordeling van de re-integratie-inspanningen zover dat zij werkervaring moest gaan opdoen. In samenspraak met werkneemster en de re-integratiebegeleiding vanuit Arbitrea is er voor gekozen om dat niet in te zetten, omdat het opdoen van werkervaring bij andere werkgever niet haalbaar zou zijn in combinatie met de urenbelasting in het eigen werk, waaraan juist prioriteit werd gegeven vanwege de goede vooruitzichten. Om die reden is spoor 2 afgesloten met de kanttekening dat, mocht later blijken dat de eigen functie toch te zwaar is, kan worden teruggevallen op spoor 2.

5. Voor werknemers die na twee jaar ziekte een aanvraag indienen voor een WIA-uitkering wordt voorafgaand aan de beoordeling van het recht op uitkering door verweerder eerst de zogenoemde Poortwachterstoets uitgevoerd. De grondslag voor deze toets is onder meer te vinden in de artikelen 7:658a en 7:660a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de artikelen 25 en 65 van de Wet WIA

6. De uitgangspunten voor de beoordeling van de re-integratie-inspanningen die van een werkgever en een werknemer mogen worden verwacht, zijn neergelegd in de Beleidsregels beoordelingskader Poortwachter (hierna: de Beleidsregels). De eerste stap in de beoordeling betreft de vraag of re-integratie tot een bevredigend resultaat heeft geleid. Indien dit het geval is, legt het Uwv geen loonsanctie op. Is geen sprake van een bevredigend resultaat, dan beoordeelt het Uwv of de werkgever voldoende inspanningen heeft verricht. Uitgangspunt bij deze beoordeling is of de werkgever in redelijkheid tot de verrichte re-integratie-inspanningen heeft kunnen komen. Daarbij dient de werkgever in eerste instantie te bezien of de werknemer in de eigen functie kan terugkeren en, als dat geen kans van slagen heeft, de werknemer ander passend werk in het eigen bedrijf aan te bieden (spoor 1). Is het niet mogelijk de werknemer in het eigen bedrijf te laten re-integreren, dan dient de werkgever de mogelijkheden te onderzoeken en te benutten de werknemer te herplaatsen bij een andere werkgever (spoor 2). Het Uwv legt een loonsanctie op aan de werkgever indien de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende worden geacht en de werkgever daarvoor geen deugdelijke grond aannemelijk heeft gemaakt.

7.1

De rechtbank heeft verweerder ter zitting voorgehouden dat niet duidelijk is welke concrete handelingen van eiseres werden verwacht, gezien de goede vooruitzichten in het eigen werk en de omstandigheid dat er nog twee maanden te gaan waren tot de einde wachttijd datum (14 september 2015). Daarbij komt dat verweerder niet inhoudelijk is ingegaan op de stelling van eiseres dat iedere verdere opbouw in spoor 2 ten koste zou gaan van verdere re-integratie van eiseres in spoor 1. In dat verband is ook van belang de verklaring van eiseres ter zitting dat werkneemster sinds 8 september 2015 gedurende 36 uur per week weer werkzaam is als operatieassistente op de lichte operatiekamers. Dit werk verricht werkneemster tegen dezelfde loonwaarde als het werk dat zij voor haar uitval verrichtte, met uitzondering van de onregelmatigheidstoeslag. Die verklaring roept de vraag op of er op 14 september 2015 niet al sprake was van een bevredigend re-integratieresultaat.

7.2

Na de zitting heeft eiseres op verzoek van de rechtbank schriftelijke informatie verstrekt over de omvang van de werkzaamheden van de werkneemster per einde wachttijd. Eiseres vermeldt in haar brief van 13 juni 2016 dat de werkneemster op 8 september 2015 haar contracturen werkt en dat zij in deze uren een volledige loonwaarde realiseert. Vanwege het missen van de onregelmatigheidstoeslag, omdat werkneemster nog niet onregelmatig werkt, is er formeel sprake van een minimaal loonverlies van circa 3,5%.

7.3

In reactie daarop heeft verweerder een rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep Landwehr van 6 juli 2016 overgelegd. Volgens deze arbeidsdeskundige werkte de werkneemster in juli 2015 ten tijde van de beoordeling van het re-integratieverslag slechts 20 uur in aangepast eigen werk en verrichtte ze verder hand- en spandiensten. In plaats van die hand- en spandiensten had ervoor kunnen worden gekozen activiteiten in spoor 2 te ondernemen, zoals jobhunting door het re-integratiebedrijf, oriëntatiegesprekken bij werkgevers en daadwerkelijk solliciteren. Dat opbouw in spoor 2 ten koste zou gaan van verdere opbouw in spoor 1 is volgens de arbeidsdeskundige niet onderbouwd. Een deel van de tijd had vrijgemaakt kunnen worden voor activiteiten in spoor 2, aangezien de werkneemster nog niet volledig hervat was.

7.4

Bij brief van 8 augustus 2016 heeft eiseres gereageerd op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en het re-integratieverloop van de werkneemster toegelicht. Eiseres benadrukt dat re-integratie steeds als doel had om werkneemster weer (nagenoeg) volledig in het eigen werk te laten terug keren, wat ook de wens was van werkneemster. De opbouw was zodanig dat dit reëel haalbaar was. Zekerheidshalve werd met het oog op de poortwachterstoets wel op 24 september 2014 met spoor 2 gestart. In maart 2015 volgde een medische ingreep om de re-integratie verder te optimaliseren, waarna werkneemster een maand re-integratie taken op de afdeling heeft verricht. In juni 2015 is de werkneemster verder gegaan met de opbouw van de uren in de operatiekamer en wel zodanig dat ze vanaf 8 september 2015 weer haar volledige contracturen werkzaam is. Er was volgens eiseres geen reden aan te nemen dat een nagenoeg volledige re-integratie niet haalbaar zou zijn. Werkneemster was daarvoor ook zeer gemotiveerd en eiseres wilde de werkneemster graag behouden. Juist de ondersteunende taken naast haar primaire werkzaamheden hebben tot meer flexibiliteit in de re-integratie in spoor 1 geleid en feitelijk ook bevorderd. Dit in tegenstelling tot het maximaliseren van het tweede spoor, zoals verweerder voorstaat.

7.5

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep Landwehr heeft in zijn reactie van

24 augustus 2016 opgemerkt dat voorop staat dat bezien moet worden of een werknemer in de eigen functie kan hervatten en dat daartoe de mogelijkheid geboden dient te worden, zoals eiseres ook heeft gedaan. Omdat in dit geval enkele maanden voor einde wachttijd nog geen concreet uitzicht was op uitbreiding van het aantal uren bij eiseres en niet zeker was of uitbreiding zou slagen, mocht volgens de arbeidsdeskundige niet voorbij worden gegaan aan het ondernemen en voortzetten van acties gericht op spoor 2.

8. De rechtbank overweegt dat uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, af te leiden is dat voor eiseres en de werkneemster voorop stond dat werkneemster terug zou keren in haar eigen functie, al dan niet met enkele aanpassingen. Zo is werkneemster vanaf 14 oktober 2014 al vier dagen zes uur per dag aan het werk geweest op de zogenoemde lichte operatiekamer. Terecht had eiseres in die periode zekerheidshalve ook spoor 2 al opgestart. Gaandeweg zijn de uren daarna uitgebreid en was het realistisch om te verwachten dat terugkeer in de eigen functie ook daadwerkelijk zou gaan lukken. Een medische ingreep op 25 maart 2015, die noodzakelijk was voor verdere re-integratie in haar eigen functie, maakte dat werkneemster in mei 2015 een aantal andere werkzaamheden op de afdeling heeft verricht. Uit het in die periode afgesproken opbouwschema hebben verweerders arbeidsdeskundigen conclusies getrokken die eiseres afdoende heeft weerlegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres aan de hand van de stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat het verloop van de re-integratie zodanig was, dat terugkeer in de eigen functie daadwerkelijk mogelijk zou zijn. Eiseres heeft in mei 2015 in redelijkheid de afweging gemaakt dat verdere activiteiten in spoor 2, in de zin van concrete sollicitaties en gesprekken bij andere werkgevers, de re-integratie en volledige terugkeer naar de eigen functie zou tegenwerken. De rechtbank stelt vast dat verweerder - ook in beroep - onvoldoende heeft gemotiveerd dat concrete activiteiten in spoor 2 in redelijkheid in deze specifieke situatie toch van eiseres te vergen waren, terwijl alles erop duidde dat voortgaan in spoor 1 tot gehele hervatting van werkneemster in haar eigen werk zou leiden. Dit blijkt ook te zijn gelukt, aangezien de werkneemster per einde wachttijd weer volledig aan het werk is en er op die datum minimaal loonwaardeverlies is, omdat werkneemster nog niet onregelmatig werkt. Dat leidt ertoe dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres tekort is geschoten in haar re-integratie-inspanningen.

9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder ten onrechte een loonsanctie heeft opgelegd aan eiseres. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van

23 juli 2015 te herroepen. De rechtbank bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat de opgelegde loondoorbetalingsverplichting komt te vervallen en dat verweerder geen nieuw besluit op het bezwaar van eiseres hoeft te nemen.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 331,- aan haar te vergoeden. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder op grond van het bepaalde in de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van zowel het bezwaar als het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.732,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere reacties van eiseres van 13 juni 2016 en 8 augustus 2016, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 6 oktober 2015;

  • -

    herroept het primaire besluit van 23 juli 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.732,50 te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Wijna, voorzitter, en mr. J.M. Willems en

mr. E.J.W. Verhaagh, leden, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.