Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1260

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
UTR 17/272
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de uitkomst van het nader onderzoek van de medisch adviseur van verweerder nog onzeker is. De voorzieningenrechter ziet echter geen aanleiding om vooruitlopend op het nog uit te brengen aanvullend medisch advies de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen. Het is de taak van de medisch adviseur, en niet aan de huisarts, om een onafhankelijk en zelfstandig oordeel te geven over de vraag of verzoekster voldoet aan de criteria om in aanmerking te komen voor een gehandicaptenparkeerkaart passagier. Zo nodig vraagt de medisch adviseur met toestemming van de patiënt, (extra) informatie op bij de behandelend arts(en).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/272

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[wettelijk vertegenwoordiger] , te Almere, als wettelijk vertegenwoordiger van [verzoekster] , geboren op [2011] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigden: A. van Noort en R. Uitman).

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een gehandicaptenparkeerkaart als passagier afgewezen.

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 17 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening aangemerkt als te zijn gedaan hangende het beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2017. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar wettelijk vertegenwoordiger. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Verzoekster was in het bezit van een gehandicaptenkaart als passagier, die tot en met 12 januari 2017 geldig was. Op 9 november 2016 heeft zij bij verweerder een aanvraag ingediend voor verlenging van de gehandicaptenkaart als passagier. Verzoekster is 5 jaar oud en heeft een zeldzame aangeboren afwijking, waarbij de galwegen niet goed zijn aangelegd. Hierdoor heeft zij een verhoogde kans op ontstekingen van de galwegen en de lever en staat zij op de transplantatielijst voor een nieuwe lever.

4. Aan de weigering van verweerder om een gehandicaptenkaart als passagier te verstrekken, ligt ten grondslag dat verzoekster niet voldoet aan de criteria ter verkrijging hiervan. Verzoekster is in staat om een afstand van 100 meter lopend te overbruggen en zij is niet om medische redenen afhankelijk van de bestuurder, aldus verweerder.

5. Over het spoedeisend belang voert verzoekster aan dat de geldigheid van de eerder aan haar verleende gehandicaptenparkeerkaart passagier op 12 januari 2017 is verstreken en dat zij in geval van spoedcontroles aan het ziekenhuis van de gehandicaptenparkeerkaart afhankelijk is. Van haar ouders kan niet worden verwacht dat ze de auto meters verderop parkeren.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aanwezig is.

7. De voorzieningenrechter overweegt dat in verband met de aandoening van verzoekster na haar geboorte door de gemeente Lelystad een gehandicaptenparkeerkaart als passagier is toegekend vanwege de kans op een acute ziekenhuisopname. De geldigheid van deze gehandicaptenparkeerkaart is op 12 januari 2017 verstreken en verzoekster heeft tijdig verzocht om verlenging van haar gehandicaptenparkeerkaart. Gezien de leeftijd van verzoekster en het feit dat zij al vijf jaar gebruik maakt van een gehandicaptenparkeerkaart die voor verzoekster, naar zij stelt, medisch noodzakelijk is, acht de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aanwezig.

8. Tussen partijen is in geschil of verzoekster voldoet aan de voorwaarden van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (hierna: de Regeling) om in aanmerking te komen voor een gehandicaptenparkeerkaart passagier.

9. Verzoekster voert aan dat zij op haar beste dagen 100 meter kan lopen maar dat zij dat niet elke dag kan. Voorts staat verzoekster onder medisch toezicht en is zij daarvoor continu afhankelijk van hulp van de bestuurder. Volgens verzoekster heeft verweerder bij de beslissing onvoldoende rekening gehouden met haar medische beperkingen. Vanwege haar aandoening is verzoekster sneller moe dan andere kinderen van haar leeftijd. Verzoekster gebruikt zeven soorten medicijnen, sondes, plakkers, sondevoeding en spuitjes die zij niet zelfstandig de bus of de auto in kan dragen. Daarnaast heeft verzoekster astma waarvoor zij ventolin en salbutamol gebruikt. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft verzoekster verklaringen van 2 en 6 februari 2017 van haar huisarts [A] overgelegd. Verzoekster stelt dat de medisch adviseur ten onrechte geen informatie heeft ingewonnen bij haar huisarts en dat verweerder zijn besluit daarom niet op het medisch advies heeft mogen baseren. Verzoekster is het niet ook eens met het verslag van de hoorzitting. Zij heeft desgewenst een opname van deze hoorzitting beschikbaar. Verzoekster stelt voorts dat verweerder haar, gelet op haar zeldzame aandoening, op grond van de hardheidsclausule een gehandicaptenparkeerkaart passagier had moeten verstrekken.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster ten gevolge van haar aandoening geen loopbeperking heeft, dat zij zelfstandig meer dan 100 meter aaneengesloten kan lopen en dat zij voor het vervoer van deur tot deur niet continu om medische redenen afhankelijk is van de hulp van de bestuurder. Verzoekster voldoet daarmee niet aan de voorwaarden van artikel 1, eerste lid aanhef en onder b, van de Regeling. Verweerder verwijst daarvoor naar het advies van 29 november 2016 van SCIO Consult en de aanvulling op dat advies in de email van 23 januari 2017 (hierna: het medisch advies), dat volgens verweerder zorgvuldig tot stand is gekomen en waarop hij zijn besluit heeft mogen baseren. Verweerder ziet in het geval van verzoekster geen aanleiding om op grond van de hardheidsclausule een gehandicaptenparkeerkaart als passagier te verstrekken.

11. Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat, mits daarvoor toestemming wordt verleend, zijn medisch adviseur alsnog schriftelijk informatie zal opvragen bij de huisarts en, indien nodig, bij de behandelend specialist van verzoekster. Verzoekster heeft daarop te kennen gegeven dat voor het opvragen van informatie bij haar huisarts reeds een toestemmingsverklaring ondertekend op 14 februari 2017 is overgelegd en dat de huisarts tevens informatie zal verstrekken die hij heeft verkregen van de behandelend specialist. Verweerder heeft toegezegd dat na ontvangst van de schriftelijke informatie van de huisarts zijn medisch adviseur opnieuw zal beoordelen of verzoekster in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart passagier, al dan niet met toepassing van de hardheidsclausule. Indien nodig zal de medisch adviseur aan verzoekster alsnog toestemming vragen voor het rechtstreeks inwinnen van schriftelijke informatie bij haar behandelend specialist.

12. Gelet op wat hiervoor is vermeld, is het op dit moment onzeker wat de uitkomst van het nader onderzoek zal zijn. De voorzieningenrechter ziet echter, bij afweging van de belangen, geen aanleiding om vooruitlopend op het nog uit te brengen aanvullend medisch advies de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.

13. De verklaring van 2 februari 2017 van de huisarts houdt in dat verzoekster vanwege haar aandoening continue zorg en begeleiding nodig heeft, dat dat het afgelopen jaar niet is veranderd en in de nabije toekomst ook zo zal blijven. De verklaring van 6 februari 2017 houdt in dat verzoekster vanwege haar leveraandoening en astma beperkt is in haar loopafstand, dat snelle vermoeidheid een kenmerk is van beide aandoeningen en dat soms 100 meter haalbaar is, vaak echter niet. De voorzieningenrechter overweegt dat het juist de taak is van de medisch adviseur om een onafhankelijk en zelfstandig oordeel te geven over de vraag of verzoekster voldoet aan de criteria om in aanmerking te komen voor een gehandicaptenparkeerkaart passagier. De medisch adviseur weet welke punten wel en niet van belang zijn en maakt daarvoor een eigen beoordeling van de situatie. Zo nodig vraagt de medisch adviseur met toestemming van de patiënt, (extra) informatie op bij de behandelend arts(en). Het is niet aan verzoeksters huisarts om verklaring af te geven over de medische geschiktheid van verzoekster in het licht van de geldende criteria. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter de verklaringen van de huisarts onvoldoende voor het oordeel dat verzoekster voldoet aan de voorwaarden van de Regeling. Uit de verklaringen van de huisarts blijkt ook niet dat in geval van verzoekster sprake is van medische noodsituatie op grond waarvan een uitspraak over de gehandicaptenparkeerkaart in de bodemzaak niet afgewacht kan worden. De gemachtigde van verzoekster heeft ter zitting bevestigd dat verzoekster voor het laatst in februari 2015 opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Verder weegt de voorzieningenrechter mee dat de Regeling strikte regels bevat over het toekennen van een gehandicaptenparkeerkaart als passagier en dat verweerder bij het hanteren van die regels een eigen bevoegdheid heeft, die de rechter terughoudend dient te toetsen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.