Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1190

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
16/652891-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 22-jarige man uit Utrecht is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen. Een deel van de gevangenisstraf, 36 dagen, wordt voorwaardelijk opgelegd. Hij vernielde in november 2016 in Utrecht een auto door brand te stichten aan de voorband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling straf-, familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/652891-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 maart 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats]

ingeschreven op het adres van [adres]

thans verblijvende in de Forensisch Psychiatrische Kliniek te Assen

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie en van hetgeen verdachte en mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, alsmede de benadeelde partij, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 op 10 november 2016 in Utrecht brand heeft gesticht, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, dan wel (subsidiair) dat verdachte een auto heeft vernield door brand te stichten;

feit 2 op 30 mei 2016 in Den Dolder brand heeft gesticht, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen is ontstaan, dan wel (subsidiair) dat verdachte een gebouw heeft vernield door brand te stichten.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie is van oordeel dat op basis van het dossier de onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Verdachte dient vrijgesproken te worden van de onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het tenlastegelegde heeft gepleegd. Er is geen (forensisch- en/of technisch) bewijs dat verdachte de brand heeft gesticht. Voorts wordt de verklaring van getuige [getuige 1] op geen enkele manier ondersteund. Verdachte ontkent het tenlastegelegde en ontkent het zo gezegd te hebben, zoals getuige [getuige 1] verklaart. Voorts is niet uit te sluiten dat een ander de betreffende brand heeft gesticht, nu in Hoograven, ook toen verdachte vast zat, vaker autobranden zijn gesticht.

Subsidiair valt niet uit te sluiten, indien verdachte tegen getuige [getuige 1] iets belastends over zichzelf gezegd zou hebben, dat er misschien sprake is geweest van een bepaalde drang bij verdachte om zichzelf op die manier verdacht te maken.

Ten aanzien van het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

vrijspraak feit 1 primair, feit 2 primair en subsidiair

feit 1 primair

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank overweegt daartoe dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat waaruit afgeleid kan worden dat het handelen van verdachte tot gevolg heeft gehad dat daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.

feit 2 primair en feit 2 subsidiair

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank overweegt daartoe dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat waaruit afgeleid kan worden dat verdachte brand heeft gesticht in een leegstaand bedrijfspand aan de Dolderseweg 164 te Den Dolder. De verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] zijn daartoe onvoldoende concreet. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.

4.3.2

feit 1 subsidiair 1

[benadeelde 1] , wonende aan het [adres] te [woonplaats] , werd op 10 november 2016 (de rechtbank begrijpt dat hier wordt bedoeld: 11 november 2016) omstreeks 00.55 uur gewekt door de politie, die hem vertelde dat zijn auto in brand had gestaan. [benadeelde 1] zag dat zijn auto, een Volkswagen Golf, kenteken [kenteken] , brandschade had. De linker voorband was bijna gesmolten en er zat brandschade rondom het linker voorspatbord.2

Verbalisant [verbalisant 1] had op 12 november 2016 telefonisch contact met [A] en [B] werkzaam als begeleiders bij [instelling] . [A] verklaarde dat hij op 10 november 2016 [verdachte] naar buiten zag lopen. Dat was na 23.15 uur. Korte tijd later kwam [verdachte] weer terug.3 [B] verklaarde dat hij [verdachte] rond 23.30 uur naar buiten zag lopen. Hij zag dat [verdachte] na 10 á 15 minuten weer naar binnen kwam.4

[getuige 1] , persoonlijk begeleider van verdachte bij [instelling] , heeft verklaard dat zij op 11 november 2016 op RTV Utrecht zag dat er de avond daarvoor een auto in brand was gestoken.5 De brand was op het [adres] in Utrecht. Het [adres] ligt op loopafstand van de locatie van [instelling] .6 Zij kwam even later [verdachte] tegen en hij vroeg haar of ze RTV Utrecht had gezien. Zij zei van ja en vroeg hem of hij degene was die die brand had gesticht. Daarop zei [verdachte] ‘Ja”.7

Verbalisant [verbalisant 2] had op 22 november 2016 contact met de commandant van de brandweer, [C] over de autobrand op het [adres] te Utrecht op 10 november 2016. Verbalisant hoorde dat [C] verklaarde dat hij geconstateerd had dat de brand was aangestoken doordat er een plastic voorwerp met brandbare vloeistof op de voorband van de auto was geplaatst.8

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft opgemerkt dat er kleine discrepanties zitten in de verklaringen die getuige [getuige 1] bij de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd.

De rechtbank acht de verklaringen van getuige [getuige 1] , voor zover de raadsman bedoeld heeft te zeggen dat de verklaringen van getuige als niet (voldoende) betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, betrouwbaar. De rechtbank overweegt daartoe dat de verklaringen van getuige consistent en gelijkluidend zijn. Dat getuige op kleine onderdelen niet exact gelijkluidend heeft verklaard, maakt niet dat haar verklaringen als niet betrouwbaar dienen te worden aangemerkt.

De verklaring van verdachte dat hij op 10 november 2016 ’s avonds niet naar buiten is geweest, acht de rechtbank op grond van de verklaringen van [A] en [B] , niet geloofwaardig.

De rechtbank acht op grond van voornoemde feiten en omstandigheden het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1 subsidiair

op 10 november 2016 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Volkswagen, type Golf, met kenteken [kenteken] ), toebehorende aan [benadeelde 1] , heeft beschadigd, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk een brandbare stof of een brandbaar voorwerp op een band van voornoemde auto te leggen en die brandbare stof/dat brandbare voorwerp vervolgens aan te steken;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 1 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feit 1 subsidiair

- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Over verdachte zijn de volgende rapporten opgemaakt:

  • -

    een rapport van 27 januari 2017, opgemaakt door D.W.M. Kragt, psycholoog;

  • -

    een rapport van 29 januari 2017, opgemaakt door F.M.J. Bruggeman, psychiater.

Uit de rapportages volgt dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van een borderline stoornis en er is sprake van pyromanie. Daarnaast is er sprake van een impulsstoornis. Voorts is er sprake van alcohol- en cannabisafhankelijkheid in remissie onder toezicht en misbruik van middelen. Deze problematiek was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en van invloed op verdachtes keuzes en gedragingen.

Geadviseerd wordt om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt voormelde conclusies over en maakt die tot de hare. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, omdat ook voor het overige niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 37 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en een klinische opname in de Forensisch Psychiatrische Kliniek te Assen, voor de duur van maximaal twee jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit en heeft geen standpunt in genomen ten aanzien van een eventueel op te leggen straf en/of maatregel.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een deels voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een auto beschadigd door brand te stichten op de voorband van de auto. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid bij de slachtoffers en in de maatschappij en zorgen voorts voor financiële schade en overlast bij de benadeelden.

Voorts volgt uit het strafblad van verdachte dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder soortgelijke feiten. De eerder opgelegde (voorwaardelijke) straffen hebben verdachte er niet van kunnen weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van een strafbaar feit.

Uit de eerder onder punt 7 genoemde rapportages van F.M.J. Bruggeman en D.W.M. Kragt volgt voorts – kort weergegeven – dat het recidiverisico hoog is. D.W.M. Kragt stelt dat om toekomstige problemen en recidive te voorkomen het van belang is dat verdachte behandeling krijgt voor zijn problematiek, pyromanie en zijn alcohol- en cannabisafhankelijkheid. Het verblijf bij [instelling] , zijn medicatie en de ondersteuning van het FACT-team Altrecht komt onvoldoende tegemoet aan hetgeen verdachte nodig heeft. Om deze redenen zal ambulante behandeling ook niet volstaan. Verdachte heeft nu veel vrijheden, maar is juist gebaat bij veel duidelijkheid, structuur en bescherming. Een eerder verblijf op een FPA, waar verdachte veel structuur en bescherming kreeg aangeboden, voorkwam echter ook niet dat verdachte herhaaldelijk brand stichtte. Daarom is meer veiligheid en bescherming noodzakelijk. Plaatsing binnen een forensisch psychiatrische setting heeft meer kans van slagen dan plaatsing binnen een open setting, omdat op die manier de negatieve vicieuze cirkel waarin verdachte zich bevindt, kan worden doorbroken.

Beide deskundigen adviseren verdachte als bijzondere voorwaarde een klinische opname bij een FPK op te leggen.

[D] heeft ter terechtzitting het reclasseringsadvies van 16 februari 2017 en het advies aan opdrachtgever toezicht van 23 februari 2017, beiden opgesteld door de Reclassering Nederland, toegelicht.

[instelling] wil en zal het verblijf van verdachte op korte termijn beëindigen, voornamelijk omdat verdachte aangeeft behoefte te hebben om brand te willen stichten en [instelling] niet de mogelijkheden heeft om (veiligheids)maatregelen te bieden. De problematiek van verdachte lijkt te ernstig en de behandeling van het Forensisch FACT niet toereikend om het recidiverisico in te perken. Verdachte kan met ingang van 27 februari 2017 geplaatst worden in de forensische psychiatrische kliniek (FPK) Assen, hiervoor is reeds een indicatiestelling afgegeven.

De reclassering acht verdachte, gelet op zijn psychische/psychiatrische problematiek niet in staat een taakstraf te verrichten en adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een klinische opname voor de duur van twee jaar in de FPK in Assen, of soortgelijke instelling.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een straf zoals door de officier van justitie is geëist passend en geboden is. De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf van 90 dagen opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Een deel daarvan, groot 36, dagen zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren. Deze voorwaardelijke straf maakt de noodzakelijke behandeling en begeleiding van verdachte – zoals door de reclassering en de deskundigen geadviseerd - mogelijk.

Uit het advies van de reclassering volgt dat een advies over de behandelduur moeilijk te geven is gezien de complexe problematiek. Gelet daarop zal de rechtbank de maximale duur van de klinische behandeling conform het advies en de eis van de officier van justitie op twee jaar stellen.

9 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 1.521,39, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

Ter terechtzitting heeft [benadeelde 1] namens [benadeelde 2] , aangegeven dat de vordering uitgebreid dient te worden met een bedrag van € 76,00, zijnde de kosten gemaakt ter vervanging van de beschadigde band. [benadeelde 1] heeft hiertoe ter terechtzitting aanvullende stukken overgelegd. Het totale schadebedrag komt hiermee op € 1.597,39.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij in het geheel toe te wijzen, met daarbij de gevorderde rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gelet op de bepleite vrijspraak gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard. De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering, gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de in de vordering gegeven toelichting, voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 1.597,39 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 november 2016.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 14a, 14b, 14c, 14d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair

- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 54 dagen, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 36 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde/voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van drie jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

* zich binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te (3533 JE) Utrecht, danwel – indien verdachte verblijft in de Forensische Psychiatrische Kliniek te

Assen – binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis, telefonisch zal melden bij de Reclassering Nederland op telefoonnummer 088 – 8041101. Verdachte moet zich vervolgens gedurende de proeftijd blijven melden bij de reclassering zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich verplicht zal laten opnemen in de Forensisch Psychiatrische Kliniek te Assen, althans een soortgelijke intramurale zorginstelling, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van de behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling aan verdachte zullen worden gegeven. De opname duurt maximaal 2 jaren of zoveel korter als de leiding van de zorginstelling in overleg met de reclassering dit wenselijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 1.597,39 bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 10 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 1.597,39 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 november 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, mrs. C.E.M. Nootenboom-Lock en M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 maart 2017.

Mr. M.H.M. Collombon is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1. Primair

hij op of omstreeks 10 november 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht op/aan een personenauto (merk Volkswagen, type Golf, met kenteken [kenteken] , eigendom van [benadeelde 2] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandbare stof of een brandbaar voorwerp op een wiel/band van voornoemde auto gelegd en/of

(vervolgens) opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met voornoemde stof / voornoemd voorwerp, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemde personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde personenauto, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 10 november 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Volkswagen, type Golf, met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en /of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk een brandbare stof of een brandbaar voorwerp op een wiel/band van voornoemde auto te leggen en/of die brandbare stof / dat brandbare voorwerp vervolgens aan te steken, in elk geval door brand te stichten op/aan die personenauto;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. Primair

hij op of omstreeks 30 mei 2016 te Den Dolder, gemeente Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in / aan een (leegstaand) (bedrijfs)pand, gelegen op het terrein aan de Dolderseweg 164 aldaar (eigendom van Altrecht), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) houten pla(a)t(en) (die was/waren

aangebracht voor de ramen van voornoemd pand), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemd pand geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 mei 2016 te Den Dolder, gemeente Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (leegstaand) (bedrijfs)pand, gelegen op het terrein aan de Dolderseweg 164 aldaar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Altrecht, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk (open) vuur in aanraking te brengen met, (een) houten pla(a)t(en) (die was/waren aangebracht voor de ramen van voornoemd pand), in elk geval door brand te stichten in/aan voornoemd pand;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2016349599, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 188. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde 1] .

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 10.

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 11.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] door de rechter-commissaris d.d. 13 februari 2017, pagina 2

6 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , pagina 51.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] door de rechter-commissaris d.d. 13 februari 2017, pagina 2

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 66.