Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1175

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
422464 HA ZA 16-652
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Art. 2 lid 6: de vrouw heeft een recht op uitbetaling jegens de man. De man beroept zich op zijn 'schone lei' na toepassing van de Wet Schuldsanering Natruurlijke Personen. Redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/91
PFR-Updates.nl 2017-0099
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/422464 / HA ZA 16-652

Vonnis van 15 maart 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. E. Henkelman-de Mooy te Groningen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.R. van der Kolk te Hilversum.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 november 2016

  • -

    de comparitie heeft plaatsgevonden op 2 februari 2017. Partijen hebben daar hun standpunten nader toegelicht. Partijen hebben geantwoord op vragen van de rechter en hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 30 juni 1976 in gemeenschap van goederen. Het huwelijk van partijen is door echtscheiding ontbonden op 23 februari 2000 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 1 december 1999 van de rechtbank Amsterdam in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

De man heeft tijdens het huwelijk als werknemer in loondienst pensioen opgebouwd onder een polis bij Zwitserleven met nummer [nummer] .

2.3.

Partijen hebben niet binnen twee jaar na echtscheiding de in artikel 2 lid 2 Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (hierna: WVPS) bedoelde melding (van de scheiding en het tijdstip van de scheiding) gedaan bij Zwitserleven als pensioenuitvoerder. De man zal naar verwachting in 2012 de pensioengerechtigde leeftijd bereiken.

2.4.

Bij vonnis van 13 mei 2003 van de rechtbank Amsterdam is de man in staat van faillissement verklaard. Vervolgens is bij vonnis van 7 juni 2004 van dezelfde rechtbank het faillissement van de man opgeheven en is ten aanzien van de man de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

2.5.

Bij vonnis van 24 mei 2006 heeft de rechtbank Amsterdam de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd onder vaststelling dat de man als schuldenaar niet in de nakoming van één of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten. In de overwegingen van dit vonnis staat onder meer:

“(…) Nu de schuldenaar heeft voldaan aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal de rechtbank de schuldenaar een “schone lei” verstrekken (…)”.

2.6.

Bij brief van 16 maart 2016 heeft de advocaat van de vrouw de man verzocht zijn medewerking te verlenen om alsnog tot pensioenverevening te komen.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert, zoals blijkt uit de dagvaarding, nr. 17 en de namens haar gegeven toelichting tijdens de comparitie (inhoudend dat het door haar primair en subsidiair gevorderde dient te worden omgekeerd) samengevat - de man te veroordelen om:

I. zijn medewerking te verlenen aan verevening van de door hem tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten onder polis met nummer [nummer] bij Zwitserleven ten name van de man, voor zover het pensioenfonds genegen is om alsnog tot verevening te komen,

II. vanaf het moment dat de man met pensioen gaat, althans vanaf het moment dat hij (onder polis met nummer [nummer] ) van Zwitserleven pensioengeld ontvangt, de helft van deze bruto-uitkering aan de vrouw te betalen,

met compensatie van de proceskosten.

3.2.

De man voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar vordering, dan wel afwijzing van deze vordering, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vrouw wenst alsnog te komen tot pensioenverevening ter zake van de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten. Partijen zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen en hebben na hun echtscheiding (per 23 februari 2000) nagelaten om tijdig, dat wil zeggen binnen twee jaar nadien, mededeling van (het tijdstip van) de echtscheiding te doen aan de pensioenuitvoerder Zwitserleven. De vrouw wenst, kort gezegd, medewerking van de man om alsnog tot pensioenverevening te komen, zodat voor haar een eigen aanspraak jegens Zwitserleven ontstaat, en – indien laatstgenoemde daar niet aan wenst mee te werken – veroordeling van de man om vanaf pensioendatum van de man de helft van de bruto-uitkering aan de vrouw uit te betalen.

4.2.

De man heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat hij in 2004 – dus ruim vier jaar na ontbinding van het huwelijk – tot de schuldsanering is toegelaten en dat de toepasselijkheid daarvan in 2006 is geëindigd, waarbij aan de man de zogeheten “schone lei” is verstrekt. Nu de vrouw haar vordering jegens de man tot pensioenverevening (op grond van artikel 2 lid 6 WVPS) destijds niet ter verificatie in de schuldsanering heeft ingediend, geldt dat door de werking van de “schone lei” op de man geen verplichting jegens de vrouw meer rust tot pensioenverevening. De man heeft daarbij verwezen naar een arrest van het hof Leeuwarden van 5 april 2011 (ECLI:NL:GHARL:2011:BQ1320).

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt.

- Op grond van artikel 2 lid 1 WVPS heeft de vrouw recht op pensioenverevening ter zake van de door de man tijdens huwelijk opgebouwde pensioenrechten (zoals bedoeld in artikel 1 lid 4, 5 en 6 van die wet). Uit lid 2 van deze bepaling volgt dat voor de vrouw een recht ontstaat jegens het uitvoeringsorgaan op uitbetaling van de haar toekomende pensioentermijnen, mits binnen twee jaar na scheiding daarvan mededeling is gedaan aan het uitvoeringsorgaan. Uit artikel 2 lid 6 WVPS volgt dat, indien deze mededeling niet binnen de in lid 2 bedoelde termijn van twee jaar heeft plaatsgevonden, voor de vrouw een recht ontstaat jegens de man op uitbetaling van de haar toekomende pensioentermijnen.

- Vast staat dat de in artikel 2 lid 2 WVPS bedoelde melding – waardoor voor de vrouw een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan zou zijn ontstaan – niet tijdig heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat op grond van artikel 2 lid 6 WVPS de vrouw vanaf het verstrijken van de termijn van twee jaar (dus vanaf 23 februari 2002) in beginsel een recht op uitbetaling heeft jegens de man van een deel van elk van de in de toekomst nog door Zwitserleven aan de man uit te betalen pensioentermijnen.

- Vast staat dat de man op 7 juni 2004 tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten. Volgens artikel 299 lid 1 sub a Fw werkt de schuldsaneringsregeling ten aanzien van vorderingen op de schuldenaar die ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaan.

- Nu de vordering van de vrouw op grond van artikel 2 lid 6 WVPS vanaf 23 februari 2002 jegens de man bestond, heeft te gelden dat de schuldsaneringsregeling vanaf de uitspraak datum (7 juni 2004) ook werkt ten aanzien van deze vordering. De omstandigheid dat deze vordering van de vrouw jegens de man nog niet opeisbaar is, maar eerst vanaf het intreden van een opschortende voorwaarde (het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door de man), doet aan het bestaan van de vordering niet af. In het kader van de schuldsanering heeft te gelden dat deze vordering kan worden geverifieerd voor haar actuele waarde (artikel 130 en 131 Fw).

- De toepassing van de schuldsaneringsregeling is op 24 mei 2006 beëindigd onder vaststelling dat de man als schuldenaar niet in de nakoming van één of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten. Aan de man is op grond van artikel 358 lid 1 Fw een zogeheten schone lei is verstrekt. Dit betekent dat een onvoldaan gebleven vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, waaronder dus de vordering van de vrouw op grond van artikel 2 lid 6 WVPS, niet langer afdwingbaar is (onverschillig of de schuldeiser al dan niet in de schuldsanering is opgekomen en onverschillig of de vordering al dan niet is geverifieerd). Wat overblijft is een (rechtens niet afdwingbare) natuurlijke verbintenis in de zin van artikel 6:3 lid 2 sub a BW.

4.4.

De rechtbank is niettemin op grond van hetgeen hierna wordt overwogen van oordeel dat deze regel – namelijk dat afdwingbaarheid van de vordering van de vrouw ontbreekt – in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:2 lid 2 BW).

- De door de man opgebouwde pensioenaanspraken jegens het pensioenfonds (Zwitserleven), zijn reeds nu bestaande zelfstandige voorwaardelijke vermogensrechten (vgl. HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8462). Deze pensioenaanspraken zullen dus eerst in de toekomst vanaf de pensioendatum van de man tot uitkering aan hem leiden.

  • -

    In geval van de toepasselijkheid van de schuldsanering geldt als uitgangspunt dat de boedel alle goederen van de saniet omvat, alsmede de goederen die hij gedurende de toepassing van de schuldsanering verwerft (295 lid 1 Fw).

  • -

    Op laatstgenoemd uitgangspunt bestaat een uitzondering ter zake van pensioenrechten. Pensioenrechten zijn hoogstpersoonlijke rechten. Pensioen ter uitvoering van een pensioentoezegging door de werkgever of een wettelijk verplicht gestelde deelname aan een pensioenregeling valt daarom buiten de boedel in faillissement of schuldsanering (vgl. HR 30 mei 1997, NJ 1997, 573 en HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3423). Overigens geldt dat deze pensioenaanspraken ook niet afkoopbaar zijn (zie artikel 65 e.v. Pensioenwet).

- Uit het voorgaande volgt dat in het kader van de schuldsaneringsregeling (die voor de man van 2004 tot 2006 toepasselijk is geweest) de pensioenaanspraken van de man jegens Zwitserleven niet zijn aangewend (afgekocht) ter voldoening van zijn schuldeisers. De volledige pensioenaanspraken van de man behoren tot op heden dan ook nog tot zijn vermogen en zullen vanaf het moment dat de man de pensioengerechtigde leeftijd bereikt (in 2021) maandelijks ten volle tot uitkering en aan de man ten goede komen.

- Uitgangspunt van de WVPS is dat de opbouw van pensioenrechten tijdens het huwelijk een gezamenlijke inspanning is van beide echtgenoten teneinde na het 65e levensjaar te kunnen beschikken over een aanvullend ouderdomspensioen (memorie van toelichting WVPS, Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 893, nr. 3, p. 3). Partijen waren bovendien gehuwd in gemeenschap van goederen. In dat geval heeft te gelden dat de financiering van de pensioenaanspraken ook heeft plaatsgevonden vanuit de gemeenschap en in beginsel ook moet worden gezien als het resultaat van de gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten, en verband houdt met de zorg die de echtgenoten krachtens artikel 1:81 BW aan elkaar verschuldigd zijn (vgl. HR 27 november 1981, NJ 1982, 503, rov. 12).

De rechtbank is van oordeel dat het in dit bijzondere geval onaanvaardbaar zou zijn indien (na de schuldsanering) de man wel aanspraak kan blijven maken op zijn volledige pensioenaanspraken jegens het pensioenfonds, maar de daarmee nauw verband houdende tot natuurlijke verbintenis gereduceerde vordering van de vrouw jegens de man onvoldaan zou blijven (vgl. HR 31 januari 1992, NJ 1992, 686). Mede gelet op de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen, kan de man – ondanks de verkrijging van de schone lei in 2006 – alsnog worden aangesproken door de vrouw om de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken te verevenen.

4.5.

De rechtbank gaat verder voorbij aan het verweer van de man inhoudend dat de vrouw geen belang heeft bij haar vordering. Volgens de man geldt (indien hij tot uitbetaling verplicht is) reeds op grond van de wet dat hij daartoe verplicht is, zodat een veroordeling niet nodig is. Niet gebleken is dat de man zich onvoorwaardelijk bereid heeft verklaard aan de door vrouw verlangde pensioenverevening zijn medewerking te verlenen. Zoals hiervoor is gebleken heeft de man verweer gevoerd tegen de vordering van de vrouw. Uit artikel 3:296 lid 1 BW volgt dat hij die jegens een ander verplicht is iets te geven of te doen, daartoe op vordering van de gerechtigde wordt veroordeeld. Nu niet gebleken is van bereidheid van de man tot medewerking, heeft de vrouw belang bij toewijzing van haar vordering (artikel 3:303 BW).

4.6.

De rechtbank zal (zoals de vrouw ook heeft gevorderd) de proceskosten tussen partijen compenseren, aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de man zijn medewerking te verlenen aan verevening van de door hem tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten onder polis met nummer [nummer] bij Zwitserleven ten name van de man,

5.2.

veroordeelt de man – voor het geval Zwitserleven niet bereid blijkt om alsnog tot pensioenverevening over te gaan zoals bedoeld onder 5.1. – om vanaf het moment dat hij met pensioen gaat, althans vanaf het moment dat hij onder polis met nummer [nummer] bij Zwitserleven pensioengeld ontvangt, maandelijks telkens de helft van deze bruto-uitkeringen aan de vrouw uit te betalen,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de proceskosten tussen partijen, aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Beens en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.