Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1151

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
16-660380-16
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verweer psychische overmacht toegewezen. poging doodslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16/660380-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 maart 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1982] te [geboorteplaats] (Iran),

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 22 februari 2017, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P.A. Kint, advocaat te Zoetermeer.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van officier van justitie mr. A.J.S. Visser en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij in of omstreeks de periode van 13 november 2016 tot en met 14 november 2016 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (de broer van verdachte) van het leven te beroven, met dat opzet

- meermalen, althans eenmaal met een hamer, in elk geval met een hard en/of stevig en/of puntig voorwerp, op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal (met geschoeide voet) met kracht tegen het hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 13 november 2016 tot en met 14 november 2016 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (de broer van verdachte) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - meermalen, althans eenmaal met een hamer, in elk geval met een hard en/of stevig en/of puntig voorwerp, op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal (met geschoeide voet) met kracht tegen het hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Uit het procesdossier kan immers niet worden opgemaakt met welke kracht verdachte heeft geslagen en op welke wijze hij heeft geslagen. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat het waargenomen letsel bij het slachtoffer van levensbedreigende aard was. Het subsidiaire feit kan wel bewezen worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank 1

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Slachtoffer [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 13 november 2016 naar zijn broer, verdachte, te Almere is gegaan. Hij heeft verklaard dat verdachte zo boos op hem werd dat verdachte hem met een hamer op zijn hoofd heeft geslagen,2 dit heeft verdachte meerdere keren gedaan.3

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een hamer heeft gepakt en het slachtoffer daarmee 2 à 3 keer heeft geslagen. Verdachte heeft verklaard dat het hem rood voor de ogen werd’.4

Verbalisanten hebben een snee van circa 10 centimeter waargenomen op het hoofd van het slachtoffer. De hoofwond is gehecht met vijf hechtingen.5

Uit onderzoek blijkt dat de hamer een gewicht van 798 gram had.6

Bewijsoverweging

Vast is komen te staan dat verdachte het slachtoffer meermalen met een (klauw)hamer op het hoofd heeft geslagen. Het gaat daarbij om een klauwhamer met een gewicht van 798 gram. Naar het oordeel van de rechtbank dient het meermalen slaan met een klauwhamer van dit gewicht op het hoofd te worden gekwalificeerd als poging tot doodslag. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Door iemand meermalen met een hamer met een gewicht van 798 gram op een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel als het hoofd te slaan wordt de aanmerkelijke kans in het leven geroepen en aanvaard dat een zodanige verwonding optreedt dat de dood het gevolg is. Het opzet van verdachte was derhalve in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer gericht. De omstandigheid dat niet exact is komen vast te staan met welke kracht verdachte heeft geslagen, doet daar niet aan af. Ditzelfde geldt voor wat betreft het feit dat het geconstateerde letsel bij het slachtoffer niet van levensbedreigende aard was. Het is voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag immers niet vereist dat er bij het slachtoffer sprake was van levensbedreigend letsel.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit derhalve wettig en overtuigend bewezen in die zin dat verdachte meermalen met een hamer op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen.


De rechtbank spreekt verdachte vrij van het schoppen of trappen tegen het hoofd, dan wel het lichaam van [slachtoffer] , wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer een knietje tegen het hoofd heeft gegeven, hetgeen niet hetzelfde is als schoppen of trappen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in de periode van 13 november 2016 tot en met 14 november 2016 te Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (de broer van verdachte) van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, met een hamer, op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen.

Van het onder primair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Poging tot doodslag.

7 STRAFBAARHEID

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan uit psychische overmacht en dat daarom ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. Kort gezegd komt zijn standpunt erop neer dat bij verdachte sprake was hevige stress, radeloosheid en slaaptekort als gevolg van de problematiek van en met zijn broer. Dit samen met zijn eigen psychiatrische problematiek maakte dat de druk zich gedurende langere tijd heeft opgebouwd totdat deze teveel werd en verdachte het tenlastegelegde feit pleegde.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat van psychische overmacht geen sprake is. Verdachte had anders moeten en kunnen reageren. De persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn toegelicht in de psychologische rapportage op grond waarvan verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat van psychische overmacht sprake is in geval van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarbij spelen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol, zij het minder streng dan bij de overmacht als noodtoestand. In het dossier en de persoon van de verdachte vindt de rechtbank aanwijzingen dat bij verdachte sprake was van psychische overmacht.

Uit het psychologisch onderzoek volgt dat verdachte sinds 2005 is gediagnosticeerd met schizofrenie en kwetsbaar wordt geacht. Hij kan slecht omgaan met stress en heeft veel tijd nodig om informatie te verwerken. In de aanloop naar het tenlastegelegde feit had verdachte steeds minder energie en depressieve klachten waren duidelijk aanwezig. De cognitieve vermogens die door zijn ziekte al verminderd waren, namen door de toename van depressieve klachten en het slaaptekort verder af als gevolg waarvan de vermogens om zijn agressieve emoties te reguleren eveneens afnamen. Het tenlastegelegde imponeert volgens de psycholoog als een wanhoopsdaad en geadviseerd wordt verdachte het tenlastegelegde verminderd toe te rekenen. Het risico op gewelddadig gedrag schat de rapporteur in het algemeen als laag in.

Na de diagnose schizofrenie in 2005 is verdachte tot 2014 in behandeling geweest bij [naam instelling 1] in [vestigingsplaats] . Nadien is hij steeds meer zelfstandig gaan wonen. Vanaf 2015 woonde hij volledig op zichzelf. In 2015 zijn de ouders en broer van verdachte naar Iran teruggekeerd. In 2016 kwam de broer van verdachte weer terug naar Nederland. Verdachte bood hem tijdelijk woonruimte aan en hielp hem met het contact met de diverse instanties. Al snel pakte de broer zijn XTC verslaving weer op en begonnen de problemen zich op te stapelen.

Aan het dossier is een proces-verbaal van bevindingen toegevoegd van de meldingen bij de politie die verdachte en zijn broer betreffen. Het betreft in totaal negen meldingen verspreid over de maanden september en oktober 2016. De volgende meldingen zijn tekenend:

- 4 september 2016 om 05:42 uur: melding op de [adres] waar verdachte woont, dat hij wordt lastiggevallen door zijn broer die constant op de deur bonkt. De broer had zich 31/08 vrijwillig laten opnemen bij [naam instelling 1] in verband met verslavingsproblematiek. Nu stond hij voor de deur voor een slaapplek. De broer aangetroffen in de achtertuin. Hij gaf aan dat hij een slaapplek, brood en drinken wilde. Verdachte wilde zijn broer niet binnen hebben waarop hij vertelde dat hij naar [naam instelling 3] zou gaan.

- 18 september 2016 05:48 uur: De broer zou dreigen een baksteen door het raam van de woning van verdachte te gooien. Verdachte wilde geen last meer van zijn broer. De broer wilde shag van verdachte maar had er geen begrip voor dat op dat tijdstip niemand hierop zat te wachten. Hierna is hij weggegaan.

- 21 oktober 2016 11:08 uur: De politieambtenaar ter plaatse is bekend met beide broers en geeft aan dat ze beide niet psychisch in orde zijn en gedragsproblemen hebben. De broer heeft geen baard meer en heeft een kruis tussen zijn wenkbrauwen getatoeëerd. Verdachte gaf aan dat zijn broer hem met een mes had bedreigd en dat hij nu echt te ver was gegaan. De broer heeft zijn spullen gepakt en is weggegaan. De politieambtenaar ter plaatse geeft aan dat de broer paranoïde en extreem alert was op alle bewegingen en geluiden.

- 28 oktober 2016 03:54 uur: De broer is al 2 uur op de deur van verdachte aan het bonken. De broer wilde graag slapen bij verdachte. Verdachte gaf aan dat hij dit niet wilde. De broer is hierna weggestuurd naar [naam instelling 3] .

- 28 oktober 2016 18:53 uur: De broer zou aan het schreeuwen zijn en tegen de deur aan het schoppen. Ter plaatste wordt hij aangetroffen, hij kwam verward over. Bij contact met [naam instelling 1] blijkt de broer te zijn weggelopen waarop de politie hem heeft teruggebracht.

In het dossier bevindt zich voorts een ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaring van [A] , de voormalig lerares Frans van verdachte. Zij begeleidt verdachte al lange tijd en is bekend met de familieproblematiek. Over de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde feit verklaart zij dat de broer van verdachte na zijn terugkomst in Nederland van verdachte stal en dat verdachte daarvan geen aangifte wilde doen. De broer verwachtte dat verdachte alles voor hem zou doen. Ook was de broer psychotisch. De broer was altijd bij verdachte. Overdag sliep hij en in de avond vertrok hij en kwam dan midden in de nacht weer thuis en bleef dan op de bel drukken. Verdachte heeft op enig moment het wijkteam ingeschakeld. Ook heeft de crisisdienst het huis bezocht. [A] was daarbij aanwezig. Er werd toen gezegd dat de broer geen gevaar vormde maar verdachte gaf aan dat hij gek werd van zijn broer en dat hij het niet vol hield. [A] heeft de broer toen meegenomen in de auto naar [naam instelling 3] . Tijdens de autorit merkte [A] hoe moeilijk het was met de broer en verklaart daarover: “Het was voor mij al niet te doen. Hij zat in een waanwereld”. [A] verklaart dat het voor verdachte niet vol te houden was. De broer was nachten lang aan het schreeuwen. Er waren klachten van de buren. Verdachte verschanste zich in zijn slaapkamer: “Het was een soort hol”.

Getuige [B] – Psycholoog bij [naam instelling 2] en op oproep onderdeel van het wijkteam dat betrokken was bij de problematiek van verdachte en zijn broer – verklaart ten overstaan van de rechter-commissaris over haar bezoek aan de woning van verdachte dat de tv er niet meer was en dat overal etensresten lagen. Er was duidelijk een gebrek aan geld want er werd ook alleen nog maar brood gegeten. Het was een achteruitgang in vergelijking tot de eerste keer dat ik er ben geweest, aldus [B] . Het huis werd verwaarloosd. De broers konden eigenlijk niet meer samenwonen. Het was moeilijk voor verdachte om het vol te houden. De woning was te klein, er was geen geld en slecht eten. De broer van verdachte had waanideeën. [B] verklaart dat zij er maar een uur was maar er toen al onrustig van werd. De broer hoorde dingen die er niet waren en praatte in zichzelf. Daar was ook geen touw aan vast te knopen. Ze waren met zijn tweeën gevangen in een woning. Verdachte deed erg zijn best voor zijn broer maar kreeg alle negativiteit over zich heen.

Verdachte zelf heeft ter zitting verklaard zijn broer nooit een haar te willen krenken. Voordat de broer naar Nederland kwam ging het redelijk goed met verdachte, hij had werk en zijn huis was schoon. Verdachte had het gevoel er alleen voor te staan met zijn broer. Soms werd de broer weggebracht maar dan kwam hij midden in de nacht weer terug. De broer had niemand en verdachte liet hem dan binnen. De nacht van het incident was verdachte kapot. Hij had die week nauwelijks geslapen. Zijn broer was discussies aan het uitlokken en schold verdachte uit. Verdachte stapte uit bed en deed de lampen aan. Zijn broer zat op de bank. Verdachte ging naar hem toe en vroeg hem of hij wilde ophouden. Dat deed hij niet. Het werd rood voor verdachtes ogen. Verdachte zag de hamer liggen op de grond. Hij pakte de hamer en sloeg zijn broer. Vervolgens vochten de broers om de hamer en verdachte zei op een gegeven moment dat het genoeg was geweest. De broer liet de hamer los. Verdachte liep naar zijn kamer en belde de ambulance. Het was een wanhoopsdaad, aldus verdachte.

Uit deze verklaringen, het onderzoek van de psycholoog en het overzicht van de politiemeldingen volgt dat sinds de terugkomst van de broer van verdachte uit Iran de situatie van verdachte steeds penibeler werd. Verdachte heeft getracht een oplossing te vinden voor de problemen met zijn broer door het inschakelen van de politie, het betrekken van [A] bij de situatie, het laten opnemen van zijn broer, gesprekken met het wijkteam en zelfs door zijn broer te negeren, maar dit heeft niet tot een oplossing geleid. De situatie werd voor verdachte ernstig bemoeilijkt door zijn eigen ziektebeeld. Het zorgen voor en opvangen van zijn drugsverslaafde en psychotische broer die leed aan waanideeën vroeg simpelweg te veel van verdachte. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachtes geestelijke evenwicht ernstig was aangetast in de maandenlange periode die voorafging aan het tenlastegelegde feit. De wanhoop en radeloosheid bereikten een hoogtepunt toen de broer na de slepende voorgeschiedenis verdachte opnieuw een nacht uit zijn slaap hield, hem uitschold en weigerde daarmee te stoppen. Verdachte moet zich als het ware met de rug tegen de muur hebben gevoeld doordat zijn moeizaam opgebouwde leven onmogelijk werd gemaakt door zijn broer en hij het gevoel had er helemaal alleen voor te staan terwijl hij zich tegelijk verplicht voelde voor zijn broer te zorgen en hem op te vangen. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat verdachte zijn broer met de hamer heeft geslagen als uiterste wanhoopsdaad. Het feit dat verdachte zelf de hulpdiensten heeft ingeschakeld toen hij weer bij zinnen was, onderstreept dit. Het gegeven dat verdachte geen voorgeschiedenis heeft met geweldsdelicten en de psycholoog rapporteert dat het risico op gewelddadig gedrag laag is, onderstreept naar het oordeel van de rechtbank het incidentele karakter van het tenlastegelegde feit.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte door de situatie met zijn broer in combinatie met zijn eigen (psychische) problematiek in een zodanige toestand van (een van buiten komende) psychische drang is komen te verkeren dat hij onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan. Het beroep op psychische overmacht zal dan ook worden gehonoreerd zodat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder primair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar, zodanig als hierboven onder 6 is gekwalificeerd;

- verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat hem dientengevolge van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mrs. W.S. Ludwig en G. van de Beek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. De Vita, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2016352750.

2 Blz. 1030.

3 Blz. 1006 en 1007.

4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 februari 2017.

5 Blz. 1007.

6 Blz. 1053 en 1054.