Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1111

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
C/16/433355 / KG ZA 17-115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Relatieve bevoegdheid, forumkeuzebeding, doorverwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/433355 / KG ZA 17-115

Vonnis in kort geding van 8 maart 2017

in de zaak van

MR. JACOBUS JOHANNES THEODORUS PAULISSEN Q.Q.,

in diens hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap Banens Electro B.V., voorheen gevestigd Hobbelrade 30 te 6176 CH Spaubeek, gemeente Beek (Limburg),

woonplaats kiezende te Neerbeek, gemeente Beek (Limburg), aan het kantoor van de curator,

eiser,

advocaat mr. J.J.Th. Paulissen te Neerbeek, gemeente Beek (Limburg),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KYOTOCOOLING B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mrs. K.P. Hoogenboezem en J. Schreijer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de curator en Kyoto genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 februari 2017 met producties, genummerd 1 tot en met 6,;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 7 maart 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling

2.1.

De curator vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,:

primair

veroordeling van Kyoto tot betaling aan de curator van het bedrag van € 586.053,55, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente,

subsidiair

veroordeling van Kyoto tot betaling aan de curator van het bedrag van € 467.941,15, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente,

primair en subsidiair

te bepalen dat betaling dient plaats te vinden op de boedelrekening in het faillissement van Banens Electro B.V., onder de voorwaarde dat de curator niet zal overgaan tot aanwending van de zich op de faillissementsrekening bevindende, door Kyoto betaalde gelden, totdat in de bodemzaak in kracht van gewijsde over de vordering is beslist, dan wel betaling op de derdenrekening van de curator,

met veroordeling van Kyoto in de (na)kosten van deze procedure.

2.2.

Kyoto heeft vóór alle weren een beroep gedaan op de relatieve onbevoegdheid van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, daartoe stellende dat ingevolge artikel 7.2 van de ‘Loan Agreement’ zoals op 5 juli 2013 tussen partijen gesloten, de rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd is. De curator sluit zich hierbij aan. De curator en Kyoto hebben in dat verband ter zitting een overeenkomst overgelegd waarin uitdrukkelijk wordt bevestigd dat partijen het erover eens zijn dat doorverwijzing naar de rechtbank Amsterdam dient plaats te vinden.

2.3.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.4.

In artikel 7.2 van de Loan Agreement is het volgende bepaald:

"Any disputes that arise wih respect to or as a result of this agreement and its implementation, or further agreements resulting from this agreement, will in the first instance be heard by the competent court in Amsterdam, to the exclusion of any other court".

Voorts hebben partijen bij brief van 6 maart 2017 deze forumkeuze schriftelijk bevestigd.

2.5.

Ingevolge artikel 108 Rv is de forumkeuzerechter bevoegd van de zaak kennis te nemen en dient iedere andere rechter voor wie de zaak is gebracht, in het geval een beroep wordt gedaan op die forumkeuze, zich onbevoegd te verklaren. Ingevolge artikel 78 Rv is titel 2 "van toepassing op alle zaken (...) voor zover daarop niet een andere, bijzondere wettelijke regeling van toepassing is". Tot titel 2 behoren de artikelen 254-260 Rv die betrekking hebben op de procedure in kort geding. Uit die artikelen blijkt niet dat een andere, bijzondere wettelijke regeling van toepassing is verklaard, die afwijkt van artikel 108 Rv.

2.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat hij, gelet op voorgaande overwegingen, relatief onbevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen. Ingevolge artikel 110 lid 2 Rv zal de zaak in de stand waarin deze zich bevindt worden verwezen naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team handelszaken.

2.7.

De voorzieningenrechter overweegt dat de meest gerede partij aan de hiervoor bedoelde voorzieningenrechter een verzoek – conform het procesreglement – moet doen tot het bepalen van een nieuwe zittingsdatum en -tijdstip, onder vermelding van de verhinderdata van (de behandelend advocaten van) partijen over een periode van zes weken nadien.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering kennis te nemen;

3.2.

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team handelszaken,

3.3.

draagt de griffier op om de processtukken en een afschrift van dit vonnis te doen toekomen aan de griffier van de in r.o. 3.2. bedoelde voorzieningenrechter.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op

8 maart 2017.1

1 type: coll: