Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1104

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
C/16/428626 / FT RK 16/2281 en C/16/428627 / FT RK 16/2282
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek dwangakkoord. Het aanbod voldoet niet aan het uitgangspunt dat schuldeisers met gelijke rechten gelijk worden behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/104

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

locatie Utrecht

zaaknummers: C/16/428626 / FT RK 16/2281 en C/16/428627 / FT RK 16/2282

uitspraakdatum: 28 februari 2017

uitspraak op grond van artikel 287a van de Faillissementswet (‘dwangakkoord’)

enkelvoudige kamer

in de zaak van

[verzoeker 1] ,

geboren op [1983] te [geboorteplaats] ,

en

[verzoekster 2] ,

geboren op [1982] te [geboorteplaats] ,

beide wonende te [adres]

[postcode] [woonplaats] ,

hierna tezamen ook te noemen: verzoekers,

tegen

1 De door verzoekers niet nader aangeduide onderneming met de handelsnaam

[verweerster sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: [verweerster sub 1] , en

2. Hollandsche Disconto Voorschotbank N.V.,

gevestigd te Amsterdam ,

hierna: HDV .

1 De procedure

1.1.

Verzoekers hebben op 5 december 2016 tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het uitspreken van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw) jegens – onder meer – [verweerster sub 1] en HDV , hierna: het verzoek. Het verzoek is ingetrokken voor zover het betrekking had op andere schuldeisers dan de twee laatstgenoemde.

1.2.

Bij faxbericht van op 10 januari 2017 heeft [verweerster sub 1] de rechtbank laten weten dat zij alsnog instemt met het aanbod.

1.3

Op 18 januari 2017 is het verzoek ter zitting behandeld. Hierbij zijn verzoekers en mevrouw [A] , schuldhulpverlener van [naam adviesbureau] , verschenen.

1.4.

HDV is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1.

Verzoekers zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben samen twee kinderen van 9 en 4 jaar oud. [verzoeker 1] (33 jaar) werkt als zelfstandige onder de naam ‘De Huisklussenier’. [verzoekster 2] (34 jaar) is thans in verwachting. Zij ontvangt op dit moment een ZW-uitkering, maar werkt doorgaans parttime bij een buitenschoolse opvang.

2.2.

Verzoekers zijn eigenaar van een woning. Op deze woning is volgens opgave van verzoekers een eerste hypotheekrecht gevestigd ten behoeve van The Royal Bank of Scotland. Ten behoeve van HDV is op de woning een tweede hypotheekrecht gevestigd.

2.3.

De schuldenlast van verzoekers bestaat volgens hun opgave uit één preferente en 14 concurrente vorderingen en bedraagt in totaal € 161.466,52. In die schuldenlast is de vordering van HDV met een beloop van € 83.451,15 meegenomen als concurrente schuld.

2.4.

Verzoekers hebben op 25 oktober 2016 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in dat een Bbz-krediet van netto € 33.186,-- aan de schuldeisers ter beschikking wordt gesteld. Dit leidt tot een uitkering van 18,60 % aan de concurrente schuldeisers. De preferente schuldeiser krijgt het dubbele.

2.5.

De onder 2.3. bedoelde schuldregeling is (inmiddels) door alle schuldeisers behalve HDV aanvaard.

3 Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

3.1.

Verzoekers hebben in het verzoek om toepassing van de schuldsanering de rechtbank verzocht onder andere HDV te bevelen in te stemmen met de onder 2.4. bedoelde schuldregeling. Verzoekers hebben zich hierbij op het standpunt gesteld dat de schuldeisers bij toepassing van de wettelijke schuldsanering (hierna: ‘Wsnp’) een lagere uitkering hebben te verwachten.

3.2.

Naar verwachting is het inkomen van [verzoeker 1] lager in de Wsnp, omdat hij in die regeling waarschijnlijk zijn werkzaamheden als zelfstandige zal moeten staken. Ook zijn de kosten van de Wsnp hoger. Een en ander leidt tot een lager aanbod aan de crediteuren dat is begroot op 5,5 % bij gelijkblijvend inkomen van [verzoekster 2] en een minimuminkomen voor [verzoeker 1] , aldus - kort samengevat - verzoekers.

4 De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

4.1.

Nu [verweerster sub 1] alsnog heeft ingestemd met de aangeboden schuldregeling hebben verzoekers geen belang meer bij hun verzoek voor zover het zich richt tegen [verweerster sub 1] . Het verzoek zal dan ook voor zover het deze schuldeiser betreft worden afgewezen.

4.2.

Voor zover het verzoek zich tegen HDV richt overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de overgelegde producties blijkt dat namens HDV slechts is verklaard dat HDV niet akkoord gaat met het voorstel. Volgens verzoekers heeft HDV telefonisch de weigering nader toegelicht: HDV weigert het aanbod te aanvaarden gelet op de jonge leeftijd van verzoekers en gelet op het feit dat zij een eigen woning en een auto hebben, aldus verzoekers.

De rechtbank leidt uit toelichting af dat HDV het aanbod in het minnelijk traject te laag vindt omdat in dat aanbod de mogelijkheid van verzoekers om, gezien hun leeftijd, hun verdiencapaciteit langjarig aan te wenden ten behoeve van de schuldeisers onvoldoende tot uitdrukking komt en voorts dat, omdat het aanbod uitgaat van behoud van de woning en auto door verzoekers, verzoekers vermogen buiten het aanbod houden in plaats van dat ten behoeve van hun schuldeisers contant te maken.

4.3.

Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als HDV in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Hierbij is het uitgangspunt dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van haar vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan.

4.4.

Tot zekerheid voor de nakoming van hun verplichtingen jegens HDV hebben verzoekers bij het aangaan van die verplichtingen destijds een tweede recht van hypotheek op hun woning gevestigd ten behoeve van HDV . Verzoekers hebben HDV hetzelfde aanbod gedaan als hun concurrente schuldeisers zonder zekerheidsrecht. Aan de eerste hypotheekhouder, Royal Bank of Scotland, hebben zij geen aanbod gedaan: het aanbod gaat uit van behoud van de woning. Uit het aanbod van verzoekers van 25 oktober 2016 blijkt dat de eerste hypotheek is verleend tot een bedrag van € 208.000,00 en dat aan de eerste hypothecaire geldlening een spaarpolis is gekoppeld met een waarde van (op dat moment) ongeveer € 12.000,00. Voorts hebben verzoekers in dat aanbod aangegeven dat de woning in augustus 2016 is getaxeerd op een onderhandse verkoopwaarde van ongeveer € 200.000,00.

4.5.

Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun keuze om HDV hetzelfde aanbod te doen als hun concurrente schuldeisers zonder zekerheidsrecht - samengevat - gesteld dat de waarde van de woning zo laag is dat de vordering van HDV ‘ongedekt’ is. Bij verkoop van de woning krijgt HDV dus niets op haar vordering uitgekeerd, waardoor deze vordering feitelijk nu al kan worden aangemerkt als een ‘gewone’ concurrente vordering.

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat een aanbod tot buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gedaan aan alle schuldeisers, dus ook aan de schuldeisers die in de wettelijke schuldsaneringsregeling hun rechten op grond van artikel 299 lid 3 juncto 57 Fw kunnen uitoefenen alsof de schuldsaneringsregeling niet van toepassing is verklaard.

Van een buitengerechtelijke schuldregeling mag, wil zij kunnen leiden tot een bevel tot instemming als bedoeld in artikel 287a Fw, wel worden verlangd dat zij schuldeisers met gelijke rechten gelijk behandeld. Dat vloeit voort uit het in artikel 3:277 van het Burgerlijk Wetboek vastgelegde beginsel dat schuldeisers een gelijk recht hebben om uit de verkoopopbrengst van een goed van de schuldenaar te worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang.

Dat dat beginsel niet aan kracht inboet, blijkt uit de buitengerechtelijke schuldregelingen die thans in voorbereiding zijn op nationaal en Europees niveau: zowel artikel 369 lid 2 van het Voorstel tot Wet voor de Wet continuïteit ondernemingen II, als artikel 9 lid 2 van het Voorstel voor een herstructureringsrichtlijn van de Europese Commissie (COM/2016/0723final) verankeren het uitgangspunt dat - samengevat - schuldeisers met gelijke rechten in de voorgestelde schuldregelingen een gelijke positie (en dus stem) moeten hebben.

4.7.

Verzoekers scharen in de door hun aangeboden schuldregeling HDV als tweede hypotheekhouder onder de concurrente schuldeisers zonder voorrang, omdat de vordering van HDV , volgens verzoekers, niet (ook niet gedeeltelijk) kan worden voldaan uit de verkoopopbrengst van de woning. Voor die conclusie is het echter nog te vroeg.

De vraag of er sprake is van over- of onderwaarde kan pas na verkoop definitief worden beantwoord. Dat betekent dat ook de vraag of, en zo ja voor welk gedeelte, de vordering van HDV onder de werking van de schuldsaneringsregeling valt pas na verkoop definitief kan worden beantwoord. De rechtbank verwijst in dat verband naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1135).

Zolang de woning niet is verkocht hebben de eerste en de tweede hypotheekhouder dezelfde positie ten opzichte van de overige schuldeisers. Hun onderlinge rangorde doet daar niet aan af.

4.8.

De door verzoekers aangeboden schuldregeling voldoet niet aan het in 4.6. gemelde uitgangspunt dat schuldeisers met gelijke rechten gelijk worden behandeld. Dat betekent dat

HDV in redelijkheid heeft kunnen komen tot weigering van instemming met de schuldregeling. Het verzoek zal dus ook voor zover het zich richt tegen HDV worden afgewezen.

4.9.

Verzoekers hebben verklaard na eventuele afwijzing van het verzoek tot vaststellen van een dwangakkoord hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te handhaven. Op dat toelatingsverzoek wordt bij afzonderlijk vonnis beslist.

5
5. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op

28 februari 2017.