Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:107

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
16-659830-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van poging doodslag en van zware mishandeling. Een gebroken rib levert geen zwaar lichamelijk letsel op als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Immers is geen sprake van letsel dat geen uitzicht op volkomen genezing overlaat of van voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van werk of bezigheden, terwijl uit een letselbeschrijving blijkt dat geen sprake zal zijn van een blijvende beperking van fysieke functies en voorts niet is gebleken van een noodzaak tot medisch ingrijpen.

Veroordeling voor zware mishandeling: het tweemaal met een hamer slaan in de linkerzijde van het slachtoffer.

De rechtbank heeft de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen en gelast dat een gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet worden ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16-659830-16

v.i.-zaaknummer: 99-000136-10

Vonnis van de meervoudige kamer van 11 januari 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1994] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Almere te Almere.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 5 oktober 2016 en 28 december 2016.

De rechtbank heeft op de zitting van 28 december 2016 kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. Z. Trokic en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.B. van Faassen, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 24 juni 2016 te Lelystad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

- in beide handen een hamer heeft vastgepakt en/of

- (meermalen) met twee hamers heeft geslagen in de richting van het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] en/of

- twee keer met een hamer heeft geslagen tegen/op de linkerzijde van het lichaam, althans het lichaam, van die [slachtoffer] ,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 juni 2016 te Lelystad, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken rib), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk

- (meermalen) met twee hamers te slaan in de richting van het hoofd en/of lichaam en/of

- twee keer met een hamer te slaan tegen/op de linkerzijde van het lichaam, althans het lichaam;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 24 juni 2016 te Lelystad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- in beide handen een hamer heeft vastgepakt en/of

- (meermalen) met twee hamers heeft geslagen in de richting van het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] en/of

- twee keer met een hamer heeft geslagen tegen/op de linkerzijde van het lichaam, althans het lichaam van die [slachtoffer] ,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van een bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewijsmiddelen

Op 24 juni 2016 doet [slachtoffer] aangifte van een strafbaar feit, gepleegd op 24 juni 2016 op de [adres] te [woonplaats] .2 Hij verklaart onder meer: “… Ik liep … over de galerij. … Opeens zag ik de man op mij af komen lopen. Ik zag dat hij in iedere hand een hamer vasthield. … De man wilde mij slaan. … Ik draaide weg en hij raakte mij in mijn linkerzijde. … Ik voelde hevige pijn aan mijn linkerzijde. Ik heb een gebroken rib. …”3

Aangever [slachtoffer] verklaart op 25 juni 2016: “Ik ben gisteren geslagen door een man met 2 hamers. Ik ben gisteren 2 maal geraakt met een hamer. Ik zag dat de man met de rechterhand eerst sloeg en mij raakte in mijn linkerzij. Hierdoor heb ik nu pijn in mijn linkerzij. … Ik zag dat de man mij ook nog met de linkerhand sloeg met de hamer. Deze was gekomen op dezelfde plek waar de man eerder had geslagen. …”4

In het dossier bevinden zich foto’s van (het letsel van) aangever [slachtoffer]5 en van de twee hamers.6

Uit een röntgenfoto van de borstkas van aangever [slachtoffer] blijkt dat hij een gebroken rib heeft.7

Getuige [getuige] heeft bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Zij verklaart onder meer: “… Ik zag iemand uit een deur komen en die loopt en die zie ik met twee hamers. Ik zag hem met twee hamers zo op die man aflopen. Met die man bedoel ik meneer [slachtoffer] . … Ik heb twee keer gezien dat hij geraakt is. ….8

Verdachte heeft ter terechtzitting van 28 december 2016 verklaard dat hij [slachtoffer] op 24 juni 2016 tweemaal met een hamer heeft geslagen en in zijn linkerzijde heeft geraakt.9

Overwegingen

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in beide handen een hamer heeft gehad, daarmee op [slachtoffer] is afgelopen en hem tweemaal met een hamer tegen de linkerzijde van het lichaam heeft geslagen.

Verdachte zal worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. In het dossier bevindt zich onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte een slaande beweging zou hebben gemaakt in de richting van het hoofd van [slachtoffer] , althans dat hij zou hebben gepoogd [slachtoffer] op een ander deel van het lichaam te raken dan in zijn (linker)zijde en dat hij anders zou hebben geslagen dan met horizontale bewegingen.

Van het subsidiair ten laste gelegde zal verdachte eveneens worden vrijgesproken nu het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel, een gebroken rib, geen zwaar lichamelijk letsel oplevert als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Immers is geen sprake van letsel dat geen uitzicht op volkomen genezing overlaat of van voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van werk of bezigheden. Uit de letselbeschrijving van forensisch arts N.C.A.M. Lachman blijkt dat geen sprake zal zijn van een blijvende beperking van fysieke functies terwijl voorts niet is gebleken van een noodzaak tot medisch ingrijpen.

De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Door meermalen met kracht met een hamer op [slachtoffer] in te slaan heeft verdachte opzettelijk geprobeerd het slachtoffer zwaar te verwonden.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Meer subsidiair

op 24 juni 2016 te Lelystad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- in beide handen een hamer heeft vastgepakt en

- twee keer met een hamer heeft geslagen tegen de linkerzijde van het lichaam van die [slachtoffer] ,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Het onder meer subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Meer subsidiair:

Poging tot zware mishandeling.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende rapporten:

  • -

    een rapport van 2 augustus 2016, opgemaakt door M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog;

  • -

    een rapport van 9 december 2016, opgemaakt door R. Bout, GZ-psycholoog.

De deskundige Van Willigenburg heeft gerapporteerd dat verdachte niet heeft willen meewerken aan het pro justitia onderzoek.

Het rapport van de deskundige Bout houdt onder meer in dat bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis, maar wel van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid. Verdachte is niet goed in staat negatieve emoties te verwoorden en heeft onvoldoende copingvaardigheden. Deze gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en heeft zijn gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed. Woede neemt bij verdachte in korte tijd toe en hij verliest dan de controle over zijn impulsen, waarna de opgekropte woede tot uiting komt. Vanuit zijn zwakbegaafdheid denkt verdachte onvoldoende na over de lange termijn consequenties voor zichzelf en andere. De deskundige is van mening dat verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank is, gelet op de conclusie van de deskundige Bout, van oordeel dat het hiervoor bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Nu niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit, is verdachte strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zake het door hem onder primair bewezen geachte feit gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

  • -

    een behandeling zal volgen bij De Waag, inclusief een agressieregulatietraining;

  • -

    zal deelnemen aan een begeleid wonen traject;

  • -

    medewerking zal verlenen aan begeleiding op het gebied van zijn financiën;

  • -

    medewerking zal verlenen aan (het vinden van) een dagbesteding.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de bepleite vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde en de referte ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde, verzocht om aan verdachte een vrijheidsstraf op te leggen voor de duur van maximaal zeven maanden in combinatie met een werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals uit voornoemde rapportage en ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende overwogen.

Verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem meermalen met een hamer te slaan. [slachtoffer] heeft hierdoor angst ondervonden en pijn en letsel bekomen. Met zijn handelen heeft verdachte een voor het slachtoffer bedreigende en onveilige situatie gecreëerd en heeft hij inbreuk gemaakt op diens geestelijke en lichamelijke integriteit. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld vaak nog lange tijd hinder ondervinden van de psychische gevolgen van hetgeen hen is overkomen. De rechtbank weegt hierbij mee dat het slachtoffer op het moment van het treffen zijn kleine kind op de arm had en ook angst had dat dit kind door verdachte zou worden geraakt.

In strafverzwarende zin weegt mee dat verdachte blijkens een uittreksel justitiële documentatie van 28 oktober 2016 reeds eerder is veroordeeld wegens een misdrijf waarbij sprake is geweest van geweld tegen personen. Deze veroordeling heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een geweldsdelict te plegen. Verdachte liep bovendien in een voorwaardelijke invrijheidstelling.

Alles overwegende is oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden passend en geboden. Van deze 10 maanden zal een gedeelte van 4 maanden in voorwaardelijke vorm worden opgelegd. De rechtbank acht het geïndiceerd aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaarden te verbinden betreffende een ambulante behandeling van verdachte, inclusief een agressieregulatietraining, een begeleid wonen traject en begeleiding door de reclassering. Nu uit het dossier niet blijkt van een reden tot het opleggen van een bijzondere voorwaarde op het gebied van financiën, zal de rechtbank de officier van justitie in dit deel van de vordering niet volgen.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.130,--, bestaande uit € 1.000,-- aan immateriële schade en € 130,-- aan materiële schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde.

Immateriële schade

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder meer subsidiair bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Verdachte heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering. De rechtbank zal de vordering van € 1.000,-- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 tot de dag van volledige betaling.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.000,--. Indien door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 20 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Materiële schade

[slachtoffer] heeft een bedrag van € 130,-- aan materiële schade gevorderd, bestaande uit de kosten van de aanschaf van een nieuw trainingspak. Hij heeft daartoe gesteld dat het jack van het trainingspak dat hij ten tijde van de aanval door verdachte droeg, is gescheurd en niet meer draagbaar is.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij wat betreft de gevorderde materiële schade afwijzen. Reden daarvoor is dat deze kosten niet zijn onderbouwd met bewijsstukken en verdachte deze kosten heeft weersproken.

Veroordeling in de kosten

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

10 VORDERING HERROEPING VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING

Bij vonnis van deze rechtbank van 25 oktober 2013 (parketnummer 16-659504-13) is verdachte veroordeeld tot - onder meer - een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest. De periode van voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht (hierna te noemen: v.i.) bedraagt 400 dagen en is verleend per 7 augustus 2015.

In het Besluit voorwaardelijke invrijheidsstelling van 30 juni 2015 zijn de volgende voorwaarden opgenomen:

- de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van een proeftijd van 400 dagen niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    hij medewerking zal verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, waarbij aan Reclassering Nederland opdracht is gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden;

- bijzondere voorwaarden zoals omschreven in het Besluit.

In het Wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 4 februari 2016 zijn (opnieuw) opgenomen de hiervoor omschreven algemene voorwaarden en de mededeling dat de veroordeelde zich nog altijd dient te houden aan die algemene voorwaarden. In het Wijzigingsbesluit is voorts meegedeeld dat de bijzondere voorwaarden zoals omschreven in het Besluit van 30 juni 2015 zijn komen te vervallen en zijn (vervangende) bijzondere voorwaarden opgenomen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 4 juli 2016 gevorderd de v.i.-periode van 400 dagen te herroepen. Daartoe is gesteld dat de veroordeelde de aan de v.i. gestelde algemene voorwaarde heeft overtreden, in die zin dat hij opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd. De officier van justitie heeft ter zitting van 28 december 2016 gepersisteerd bij de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bezwaar gemaakt tegen de vordering tot herroeping van de v.i.. Hij heeft gesteld dat de periode van de v.i. van 400 dagen lang is en dat de veroordeelde gedurende deze proeftijd lange tijd aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan. De raadsman heeft bepleit de v.i. gedeeltelijk te herroepen en deze herroeping te beperken tot 200 dagen.

De veroordeelde heeft gesteld dat hij na zijn detentie serieus aan de slag was gegaan om zijn leven (weer) op te bouwen. Het zou nog een jaar duren alvorens hij een eigen woning zou krijgen en daar zag hij naar uit.

Het oordeel van de rechtbank

Volgens artikel 15g van het Wetboek van Strafrecht kan de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien de veroordeelde de daaraan verbonden voorwaarden niet heeft nageleefd.

De veroordeelde heeft zich niet gehouden aan de aan de v.i. verbonden algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd van 400 dagen niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Immers heeft hij tijdens de proeftijd opnieuw een strafbaar feit gepleegd, zoals hiervoor in dit vonnis is omschreven.

De rechtbank zal de v.i. van de veroordeelde herroepen. Immers komen de consequenties van het niet naleven van de aan de v.i. verbonden voorwaarden geheel voor rekening en risico van de veroordeelde. Gelet op de omstandigheid dat de veroordeelde gedurende de eerste (ruim) 10 maanden van de proeftijd de aan de v.i. verbonden voorwaarden heeft nageleefd, ziet de rechtbank aanleiding te gelasten dat de v.i. niet geheel maar gedeeltelijk, te weten voor de duur van 300 dagen, alsnog moet worden ondergaan. De vordering van de officier van justitie zal in die zin worden toegewezen.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 15g, 15i, 15j, 27, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer subsidiair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 4 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:

* zich onder behandeling zal stellen van De Waag, althans een soortgelijke forensische polikliniek, op de tijden en plaatsen als door of namens die kliniek aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, van welke behandeling een agressieregulatietraining deel dient uit te maken (te geven door de forensische polikliniek onder wiens behandeling verdachte staat of door een door die kliniek aan te wijzen andere instelling);

* zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Vast en Verder van het Leger des Heils, althans een soortgelijke instelling, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf aan verdachte zullen worden gegeven en aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.000,-- (immateriële schade);

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 tot de dag van volledige betaling;

- wijst de vordering van [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde af;

- veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 1.000,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016 tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd voor zover hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling met v.i.-nummer 99-000136-10

- wijst de vordering tot herroeping toe;

- gelast dat een gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet worden ondergaan, te weten 300 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G. van de Streek, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. R.B. Eigeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 januari 2017.

Mr. Van de Streek is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal van voorgeleiding van 26 juni 2016, genummerd 2016194180, en opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 63. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina’s 1 en 2

3 Pagina’s 1 en 2

4 Pagina 4

5 Pagina’s 34 en 35

6 Pagina 19

7 Letselbeschrijving betreffende [slachtoffer] van 7 juli 2016, opgesteld door N.C.A.M. Lachman, forensisch arts FMG, GGD Flevoland

8 Proces-verbaal verhoor getuige van 21 november 2016, RC-nummer 16/3316, opgemaakt door rechter-commissaris mr. M.J. Grapperhaus en griffier M. de Bruijn, pagina’s 2 en 3

9 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 28 december 2016