Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:1056

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
C/16/418972 / HA ZA 16-513
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

herstelvonnis; conclusie na voeging; instructie van de zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/418972 / HA ZA 16-513

Herstelvonnis van 8 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] (België),

eiser in conventie in de hoofdzaak,

verweerder in reconventie in de hoofdzaak,

verweerder in het incident ex artikel 223 Rv,

verweerder in het incident ex artikel 217 Rv,

advocaat mr. B.A. Sturm te Alphen aan den Rijn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde ] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

eiseres in het incident ex artikel 223 Rv,

verweerster in het incident ex artikel 217 Rv,

advocaat mr. M.H.J. Langerak te Utrecht,

en

[eiser in het incident] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in het incident ex artikel 217 Rv,

advocaat mr. J.P.C. van Ruiven te Enschede.

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde ] en [eiser in het incident] genoemd worden.

1 Het verzoek tot verbetering

1.1.

Bij brief van 27 januari 2017 is namens [eiser] aan de rechtbank verzocht om verbetering van het op 25 januari 2017 in deze zaak gewezen incidenteel vonnis, in die zin dat hij in plaats van [eiser in het incident] in de gelegenheid wordt gesteld om op de rol van 22 februari 2017 te concluderen voor antwoord in reconventie.

1.2.

De rechtbank heeft [gedaagde ] en [eiser] in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. Bij brieven van 16 februari 2017 en 17 februari 2017 hebben respectievelijk mr. Langerak namens [gedaagde ] en mr. Van Ruiven namens [eiser in het incident] aan de rechtbank bericht dat zij zich kunnen vinden in het verzoek van [eiser] .

2 De beoordeling

2.1.

In haar incidenteel vonnis van 25 januari 2017 onder 4.8 heeft de rechtbank de zaak in de hoofdzaak verwezen naar de rol van 22 februari 2017 voor het nemen van een conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van [eiser in het incident] . Het ligt naar het oordeel van de rechtbank immers in de rede om na toewijzing van de incidentele vordering tot voeging de interveniënt als eerste het woord te geven. In zijn incidentele conclusie heeft de interveniënt namelijk kunnen volstaan met het stellen van zijn belang tot voeging. Met een conclusie na voeging zal de interveniënt kunnen uitwerken hoe en waarom zijn belang moet worden gerespecteerd door het tezijnertijd te geven dictum in de hoofdzaak in reconventie tussen [gedaagde ] en [eiser] . Omdat [eiser in het incident] zich in de hoofdzaak in reconventie heeft gevoegd aan de zijde van eiseres in reconventie, [gedaagde ] , had de zaak echter niet moeten worden verwezen voor conclusie van antwoord in reconventie door [eiser in het incident] , maar voor conclusie na voeging in reconventie door hem. De rechtbank is van oordeel dat daarmee in het vonnis van 25 januari 2017 sprake is van een kennelijke fout, die zich voor eenvoudig herstel leent. [eiser in het incident] is het weliswaar eens met het verzoek van [eiser] om de zaak te verwijzen voor conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van [eiser] , maar daaruit blijkt niet dat hij zijn recht op een conclusie na voeging in reconventie heeft willen prijsgeven. De rechtbank zal het incidenteel vonnis dan ook wijzigen als hierna weergegeven. Daarbij wordt tevens de naam van [eiser in het incident] gecorrigeerd, die foutief was geschreven. Ook de roldatum wijzigt met dit herstelvonnis.

2.2.

Ter aanvulling op het incidenteel vonnis en ter instructie in de hoofdzaak merkt de rechtbank het volgende op. Op de rol van 22 februari 2017 heeft [eiser] een conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte in conventie genomen. Deze conclusie (met akte) is geweigerd omdat hij, zoals uit het voorgaande blijkt, (nog) niet aan de beurt was. Nadat [eiser in het incident] zijn conclusie na voeging in reconventie heeft genomen, zal de hoofdzaak verdergaan in de stand waarin deze zich voor de incidenten bevond, te weten het houden van een comparitie van partijen, zoals is beslist in het tussenvonnis van 26 juli 2016. Dat betekent dat de zaak twee weken na het nemen van de conclusie na voeging in reconventie door [eiser in het incident] weer op de rol zal komen voor het opgeven van verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de vier maanden vanaf de opgave, waarna (een nieuwe) dag en uur van de comparitie van partijen zullen worden bepaald. [eiser] is in de gelegenheid zijn conclusie van antwoord in reconventie ter comparitie te nemen. Hij dient deze conclusie uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie toe te zenden. Voorts zal de rechtbank, in afwijking van hetgeen in het tussenvonnis van 27 juli 2016 onder 2.6 is vermeld, partijen vanwege de complexiteit van de zaak in de gelegenheid stellen hun standpunt ter comparitie nader toe te lichten aan de hand van schriftelijke aantekeningen van beperkte omvang. Partijen kunnen er in plaats daarvan ook voor kiezen om hun standpunt nader toe te lichten in een ter comparitie te nemen akte. Deze moet dan uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie worden toegezonden.

2.3.

Het incidenteel vonnis zal daarom overeenkomstig het voorgaande met de hierna vermelde overweging 3.16 worden aangevuld.

2.4.

Met het voorgaande komt de rechtbank tegemoet aan het op de rol van 1 maart 2017 door [gedaagde ] gemaakte bezwaar tegen de door [eiser] op 22 februari 2017 bij zijn conclusie van antwoord in reconventie tevens genomen akte in conventie.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt dat beslissing 4.8 van het op 25 januari 2017 tussen [eiser] , [gedaagde ] en [eiser in het incident] gewezen vonnis, waar staat:

“bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 februari 2017 voor het nemen van een conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van [eiser in het incident] .”

wordt gewijzigd in:

“bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 april 2017 voor het nemen van een conclusie na voeging in reconventie aan de zijde van [eiser in het incident] .”,

3.2.

bepaalt dat het vonnis voorts wordt aangevuld met een overweging 3.16, luidende:

“Nadat [eiser in het incident] zijn conclusie na voeging in reconventie heeft genomen, zal de hoofdzaak verdergaan in de stand waarin deze zich voor de incidenten bevond, te weten het houden van een comparitie van partijen, zoals is beslist in het tussenvonnis van 26 juli 2016. Dat betekent dat de zaak twee weken na het nemen van de conclusie na voeging in reconventie door [eiser in het incident] weer op de rol zal komen voor het opgeven van verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de vier maanden vanaf de opgave, waarna (een nieuwe) dag en uur van de comparitie van partijen zullen worden bepaald. [eiser] is in de gelegenheid zijn conclusie van antwoord in reconventie ter comparitie te nemen. Hij dient deze conclusie uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie toe te zenden. Voorts zal de rechtbank, in afwijking van hetgeen in het tussenvonnis van 27 juli 2016 onder 2.6 is vermeld, partijen vanwege de complexiteit van de zaak in de gelegenheid stellen hun standpunt ter comparitie nader toe te lichten aan de hand van schriftelijke aantekeningen van beperkte omvang. Partijen kunnen er in plaats daarvan ook voor kiezen om hun standpunt nader toe te lichten in een ter comparitie te nemen akte. Deze moet dan uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie worden toegezonden.”

3.3.

bepaalt dat deze verbetering en aanvulling onder de vermelding van de datum 8 maart 2017 worden vermeld op de minuut van het vonnis van 25 januari 2017,

3.4.

gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 25 januari 2017 na ontvangst van dit herstelvonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.1

1 type: GvB (4333) coll: JK