Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:995

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
26-02-2016
Zaaknummer
16/701913-13
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen witwassen. Toepassing 9a ivm eerder opgelegde langdurige gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/701913-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 25 februari 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1981] te [geboorteplaats] ,

uit andere hoofde gedetineerd te [verblijfplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting dat heeft plaatsgevonden op 15 september 2015, 16 november 2015, 12 januari 2016 en 11 februari 2016. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 12 januari 2016, waarbij zijn verschenen: verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K.M.S. Bal, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

De zaak is gelijktijdig – maar niet gevoegd – ter terechtzitting behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (16/659330-14), [medeverdachte 2] (16/701121-13), [medeverdachte 3] (16/701193-13) en [medeverdachte 4] (16/700690-13).

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 16 november 2012 in Groningen in vereniging een bedrag van € 4.500,- heeft witgewassen, subsidiair zich heeft schuldig gemaakt aan de opzetheling van dat bedrag.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op het feit dat het geld is overgemaakt naar de rekening van verdachte en hij vervolgens heeft geprobeerd het geld op te nemen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit, nu er geen actieve handelingen door verdachte zijn verricht en hij niet wist dat er geld op zijn rekening was gestort dat van misdrijf afkomstig was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Uit een bankafschrift van de rekening van verdachte blijkt dat op 16 november 2012 een bedrag van € 4.500,- is ontvangen en dat het vorig saldo een tekort was van € 5,49. Dit bedrag is afkomstig van [medeverdachte 1] en via een spoedbetaling overgemaakt onder de vermelding ‘zoals overeengekomen’.2

Op 16 november 2012 om 14.03 uur is met pas [nummer] geprobeerd een bedrag van € 4.500,- op te nemen van de rekening van verdachte aan de balie van een ING locatie in Groningen. Deze opname is niet gelukt omdat de pas geblokkeerd was. Diezelfde dag om 14.15 is met dezelfde pas een saldocheck gedaan bij een geldautomaat in Groningen. De pas is op dat moment ingenomen.3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bedrag van € 4.500,- heeft witgewassen. De feiten en omstandigheden – zoals deze uit de bewijsmiddelen blijken – zijn van dien aard dat er zonder meer sprake is van witwassen. Immers, er wordt € 4.500,- overgemaakt door [medeverdachte 1] onder vermelding van ‘zoals overeengekomen’ en op dezelfde dag probeert verdachte exact dat bedrag op te nemen terwijl hij voorafgaand aan die storting een tekort had op zijn rekening. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij niet weet wie [medeverdachte 1] is en dat hij niet weet waarom er geld vanaf diens rekening naar de rekening van verdachte is gestort.

Gelet op het voorgaande mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de (legale) herkomst van het geld. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de herkomst van het geld. Zodoende is geen andere conclusie mogelijk dan dat het bedrag van € 4.500,- onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Verdachte heeft verklaard dat hij geld – ongeveer € 500,- – van de belastingdienst zou terugkrijgen, dat hij dit ging pinnen en dat zijn bankpas werd ingeslikt. Deze verklaring komt echter niet overeen met de informatie van de ING Bank N.V., namelijk dat er eerst aan de balie van een ING locatie tevergeefs is geprobeerd € 4.500,- op te nemen en dat er 12 minuten later bij een geldautomaat een saldocheck is gedaan, waarbij de pas werd ingenomen. Gelet op het korte tijdsverloop tussen het proberen geld op te nemen en de saldocheck en de verklaring van verdachte dat zijn pas bij een geldautomaat werd ingenomen, moet het verdachte zijn geweest die heeft geprobeerd de € 4.500,- op te nemen. De rechtbank wordt in dat oordeel bevestigd door de verklaring van verdachte dat hij zijn bankpas niet kwijt is geweest. Verdachte wist zodoende dat er een bedrag van € 4.500,- op zijn rekening was gestort en had dat bedrag voorhanden.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met een ander plegen van dit feit, nu uit het dossier onvoldoende blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Primair

op 16 november 2012 te Groningen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van € 4.500,-, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat geldbedrag geheel onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als: witwassen.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte geen straf zal worden opgelegd, gelet op artikel 63 Wetboek van Strafrecht.

8.2

Het standpunt van de verdediging

Ook de verdediging heeft – mocht de rechtbank haar cliënt niet vrijspreken- toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht bepleit.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door een geldbedrag voorhanden te hebben dat afkomstig is uit misdrijf. Door de opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken, zonder dat die illegale herkomst daarvan zichtbaar wordt, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het witwassen door de verdachte het plegen van delicten, omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 4 augustus 2015, is hij eerder veroordeeld voor een vermogensdelict. Verdachte is namelijk op 6 februari 2014 door de meervoudige strafkamer in Groningen veroordeeld voor onder meer een woningoverval. Het hierboven bewezenverklaarde feit is reeds voor deze veroordeling gepleegd.

In beginsel acht de rechtbank een (voorwaardelijke) gevangenisstraf passend voor het bewezenverklaarde feit, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd. Gelet op het tijdsverloop en artikel 63 Wetboek van Strafrecht, acht de rechtbank een straf niet langer op zijn plaats. De rechtbank zal om die reden geen straf of maatregel aan verdachte opleggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde feit bewezen, zodanig als hiervoor onder 5. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: witwassen;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

- bepaalt dat aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J.P Schotman, voorzitter,

mr. P. Bender en mr. S.B. Smit-Colenbrander, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2016.

Mr. S.B. Smit-Colenbrander is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 16 november 2012 te Groningen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag van 4500 euro,

 de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of

 heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of

 heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of

 gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat voorwerp/geldbedrag geheel of gedeeltelijk onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf;

art 47 lid 1 ahf/ond 1 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 16 november 2012 te Groningen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een geldbedrag van 4500 euro, heeft verworven, (opzettelijk uit winstbejag) voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat geldbedrag wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met code 2012088647 (sluitingsdatum 19 februari 2014) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering van 1 tot en met 214. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een geschrift, te weten een rekeningafschrift, opgenomen op p. 195.

3 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens d.d. 17 september 2013, opgenomen op p. 213.