Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:966

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
16/701193-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafzaak. De rechtbank veroordeelt een 24-jarige man voor oplichting in Emmeloord in 2012. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan witwassen. De rechtbank veroordeelt de man tot een taakstraf van 60 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/701193-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 25 februari 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1991] te [geboorteplaats] ,

wonende [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting dat heeft plaatsgevonden op 15 september 2015, 16 november 2015, 12 januari 2016 en 11 februari 2016. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 12 januari 2016, waarbij zijn verschenen: verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E. Uijt de Boogaardt, advocaat te Emmeloord.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

De zaak is gelijktijdig – maar niet gevoegd – ter terechtzitting behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (16/659330-14), [medeverdachte 2] (16/701913-13), [medeverdachte 3] (16/701121-13) en [medeverdachte 4] (16/700690-13).

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  1. in de periode van 30 oktober 2012 tot en met 4 november 2012 te Emmeloord in vereniging een bedrag van € 11.291,44 heeft witgewassen, subsidiair zich heeft schuldig gemaakt aan de opzetheling van dat bedrag;

  2. in de periode van 5 november 2012 tot en met 9 november 2012 te Emmeloord heeft gepoogd in vereniging een bedrag van € 2.140,78 wit te wassen, subsidiair heeft geprobeerd dat bedrag te helen;

  3. in de periode van 24 oktober 2012 tot en met 7 november 2012 te Emmeloord in vereniging [bedrijf] B.V. heeft opgelicht.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit, nu het dossier daarvoor onvoldoende wettig bewijs bevat. De officier van justitie acht de primair onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen, gelet op de diverse aangiftes en de verklaring van [medeverdachte 3] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit, nu de betrokkenheid van verdachte enkel volgt uit de kennelijk leugenachtige verklaring van [medeverdachte 3] . De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat verdachte in de onder 2 ten laste gelegde periode niet de beschikking had over de bankpas van [medeverdachte 3] .

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feit, nu verdachte in de ten laste gelegde periode van 5 tot en met 9 november 2012 niet langer de beschikking had over de bankpas van [medeverdachte 3] . Uit camerabeelden van een pinautomaat blijkt dat [medeverdachte 3] op 4 november 2012 een poging doet om geld te pinnen, waaruit blijkt dat hij weer de beschikking had over zijn bankpas. [medeverdachte 3] heeft ook verklaard dat hij op 4 november 2012 zijn pas terug gekregen heeft. Nu verdachte in de ten laste gelegd periode niet de beschikking had over de bankpas – en daarmee de rekening – van [medeverdachte 3] , acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde.

4.3.2

Het bewijs

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Feit 1

[aangever 1] heeft verklaard dat er een aantal overboekingen heeft plaatsgevonden, waar geen opdracht toe was gegeven. Op 1 november 2012 is vanaf de rekening van [winkel 1] een bedrag van € 727,84 overgeboekt naar rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [medeverdachte 3] . Diezelfde dag is vanaf de rekening van [winkel 2] BV een bedrag van € 955,33 overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte 3] . Op 2 november 2012 is vanaf de rekening van [winkel 3] BV een bedrag van € 728,76 overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte 3] .2

[aangever 3] heeft verklaard dat er op 1 november 2012 twee transacties waren klaargezet om te worden overgemaakt. Op 4 november 2012 zijn de twee bedragen – in totaal € 1.768.,63 – overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte 3] , in plaats van naar de eigenlijke begunstigden.3

[aangever 4] heeft verklaard dat er op 1 november 2012 een aantal bedragen is overgeboekt.4 Op 2 november 2012 zijn deze bedragen – in totaal € 4.071,02 – overgemaakt naar de rekening van [medeverdachte 3] , in plaats van naar de eigenlijke begunstigden.5 Ook blijkt er op 1 november 2012 een bedrag van € 847,16 te zijn overgemaakt naar [medeverdachte 3] .6

[aangever 5] heeft verklaard dat hij op 1 november 2012 een bedrag van € 343,38 wilde overmaken naar een leverancier.7 Het bedrag blijkt te zijn gestort op de rekening van [medeverdachte 3] .8

[aangever 6] heeft verklaard dat hij op 30 oktober 2012 een betaling had klaargezet.9 Op 2 november 2012 hoort [aangever 6] van de Rabobank dat er op 30 oktober 2012 en 1 november 2012 drie betalingen – in totaal € 1.849.32 – zijn gedaan aan [medeverdachte 3] . [aangever 6] heeft verklaard dat hij geen betalingen heeft gedaan aan [medeverdachte 3] .10

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij onder andere een rekening heeft bij Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] .11 [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij – vermoedelijk op 19 of 20 oktober 2012 – zijn bankpas en pincode heeft afgegeven aan verdachte. [medeverdachte 3] was op dat moment met verdachte bij een café in Marknesse. Verdachte had [medeverdachte 3] benaderd en gevraagd of hij geld kon gebruiken. [medeverdachte 3] zou 10% krijgen van wat er over zijn rekening zou gaan.12 [medeverdachte 3] kreeg op 4 november 2012 zijn bankpas terug van verdachte.13

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een bedrag van € 11.291,44. Verdachte heeft aan [medeverdachte 3] gevraagd om zijn bankpas en pincode en afgesproken dat [medeverdachte 3] 10% zou krijgen van wat er over diens rekening zou gaan. Verdachte had in de ten laste gelegde periode ook de beschikking over de rekening van [medeverdachte 3] en had zodoende voornoemd bedrag voorhanden.

De verdediging stelt dat de verklaring van [medeverdachte 3] als kennelijk leugenachtig moet worden aangemerkt. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat [medeverdachte 3] wisselend heeft verklaard en dat hij daar geen valide verklaring voor heeft. De rechtbank ziet dit anders. [medeverdachte 3] heeft aanvankelijk ontkend, maar heeft na confrontatie met feiten en beelden besloten openheid van zaken te geven. Daarbij wijst hij niet alleen naar verdachte, maar belast ook zichzelf. Zodoende heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 3] .

Feit 3

[aangever 2] heeft namens [bedrijf] B.V. aangifte gedaan van oplichting.14 Op 24 oktober 2012 is er een klantnummer aangemaakt op naam van mevrouw [A] , geboren op [1973] , en met het adres [adres] in [woonplaats] . Diezelfde dag is er kleding besteld. Deze bestelling is geleverd en gefactureerd, maar niet betaald.15

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat verdachte begin november 2012 heeft gevraagd of hij pakketjes mocht laten bezorgen op het adres van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] vond dit goed. Er is een aantal pakketjes bezorgd bij [medeverdachte 3] in Emmeloord. Op de pakketjes stond een andere naam, zoals [A] . De pakketjes waren onder andere van [bedrijf] . [medeverdachte 3] bewaarde de pakketjes, stuurde verdachte bericht dat er een pakketje binnen was en verdachte kwam het pakketje dan ophalen.16

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting van [bedrijf] , door onder een valse naam een bestelling te doen en deze niet te betalen. De rechtbank gaat ook hier uit van de verklaring van [medeverdachte 3] , omdat de rechtbank geen reden heeft – zoals hiervoor bij feit 1 overwogen – aan deze verklaring te twijfelen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

Primair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2012 tot en met 4 november 2012 te Emmeloord, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (van) (een) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), te weten één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 11.291,44 euro, althans enig geldbedrag)

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of

gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij (telkens) wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 oktober 2012 tot en met 7 november 2012 te Emmeloord, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf] ) B.V. heeft bewogen tot de afgifte van vier kledingstukken, althans (een) goed(eren) hebbende verdachte met voornoemd oogmerk – zakelijk weergegeven - (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid ten behoeve van voornoemde kledingstukken/goed(eren) een valse of vervalste naam en/of een valse of vervalste geboortedatum ingevuld, waaruit zou moeten blijken, dat [A] een koopovereenkomst met deze [bedrijf] ) B.V. aanging, zulks terwijl deze [A] hier niet van op de hoogte was, waardoor [bedrijf] ) B.V. (telkens) werd bewogen tot voornoemde afgifte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

feit 1 witwassen, meermalen gepleegd;

feit 3 oplichting.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 80 uren wordt opgelegd, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een geheel voorwaardelijke werkstraf passend is, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de forse overschrijding van de redelijke termijn.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. Door de opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken, zonder dat die illegale herkomst daarvan zichtbaar wordt, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het witwassen door de verdachte het plegen van delicten, omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij daarbij een ronselende rol heeft gehad. Verdachte heeft zich daarnaast ook schuldig gemaakt aan oplichting.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 4 augustus 2015, is verdachte niet eerder veroordeeld voor vermogensdelicten.

In beginsel acht de rechtbank een forse taakstraf of zelfs een gevangenisstraf passend voor de bewezenverklaarde feiten, mede gelet op de ronselende rol die verdachte gehad heeft en het feit dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven. Gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte – zijn baan en opleiding – acht de rechtbank een lagere straf dan geëist passend. De rechtbank legt aan verdachte een taakstraf van 60 uren op, met aftrek van de tijd die hij in verzekering heeft doorgebracht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 27, 57, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten bewezen, zodanig als hiervoor onder 5. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1 witwassen, meermalen gepleegd,

feit 3 oplichting;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht;

- beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden, naar de maatstaf van 2 uren taakstaf per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J.P Schotman, voorzitter,

mr. P. Bender en mr. S.B. Smit-Colenbrander, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2016.

Mr. S.B. Smit-Colenbrander is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

1.

Primair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2012 tot en met 4 november 2012 te Emmeloord, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (van) (een) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), te weten één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 11.291,44 Euro, althans enig geldbedrag)

 de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of

 heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of

 heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of

 gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij (telkens) wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 47 lid 1 ahf/ond 1 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2012 tot en met 4 november 2012 te Emmeloord, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 11.291,44 Euro, althans enig geldbedrag) heeft verworven, (opzettelijk uit winstbejag) voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat geldbedrag(en) (telkens) wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 november 2012 tot en met 9 november 2012 te Emmeloord, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om (van) (een) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), te weten één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 2140,78 Euro, althans enig geldbedrag)

 de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen en/of

 te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende is/was en/of

 te verwerven en/of voorhanden te hebben en/of over te dragen en/of om te zetten en/of

 gebruik te maken,

terwijl hij (telkens) wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

  • -

    beschikking heeft gekregen over de bankpas met bijbehorende pincode van de (bankrekening van) [medeverdachte 3] , en/of

  • -

    voornoemd(e) geldbedrag(en) op de bankrekening van [medeverdachte 3] , waarover hij, verdachte, kon beschikken, heeft overgeboekt/overlaten boeken boeken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/ond 1 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 november 2012 tot en met 9 november 2012 te Emmeloord, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) ter uitvoering van het door hem/hun voorgenomen misdrijf om één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 2140,78 Euro, althans enig

geldbedrag) te verwerven, (opzettelijk uit winstbejag) voorhanden te hebben en/of over te dragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat geldbedrag(en) (telkens) wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof,

  • -

    beschikking heeft gekregen over de bankpas met bijbehorende pincode van de (bankrekening van) [medeverdachte 3] , en/of

  • -

    voornoemd(e) geldbedrag(en) op de bankrekening van [medeverdachte 3] , waarover hij, verdachte, kon beschikken, heeft overgeboekt/overlaten boeken boeken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 oktober 2012 tot en met 7 november 2012 te Emmeloord, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf] ) B.V. heeft bewogen tot de afgifte van vier kledingstukken, althans (een) goed(eren) hebbende verdachte met voornoemd oogmerk – zakelijk weergegeven - (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid ten behoeve van voornoemde kledingstukken/goed(eren) een valse of vervalste naam en/of een valse of vervalste geboortedatum ingevuld, waaruit zou moeten blijken, dat [A] een koopovereenkomst met deze [bedrijf] ) B.V. aanging, zulks terwijl deze [A] hier niet van op de hoogte was, waardoor [bedrijf] ) B.V. (telkens) werd bewogen tot voornoemde afgifte,

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met code 2012079679 (sluitingsdatum 12 februari 2014) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering van 1 tot en met 345. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal aangifte [aangever 1] d.d. 14 november 2012, opgenomen op p. 68.

3 Proces-verbaal aangifte [aangever 3] d.d. 12 november 2012, opgenomen op p. 82.

4 Proces-verbaal aangifte [aangever 4] d.d. 6 november 2012, opgenomen op p. 88.

5 Proces-verbaal aangifte [aangever 4] d.d. 6 november 2012, opgenomen op p. 89.

6 Proces-verbaal aangifte [aangever 4] d.d. 6 november 2012, opgenomen op p. 89 en 101.

7 Proces-verbaal aangifte [aangever 5] d.d. 7 november 2012, opgenomen op p. 109.

8 Proces-verbaal aangifte [aangever 5] d.d. 7 november 2012, opgenomen op p. 110.

9 Proces-verbaal aangifte [aangever 6] d.d. 3 november 2012, opgenomen op p. 115.

10 Proces-verbaal aangifte [aangever 6] d.d. 3 november 2012, opgenomen op p. 116.

11 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 3] d.d. 6 februari 2013, opgenomen op p. 28 van de persoonsdossiers bij onderzoek 2012079679.

12 Proces-verhaal verhoor [medeverdachte 3] d.d. 7 februari 2013, opgenomen op p. 33 van de persoonsdossiers bij onderzoek 2012079679.

13 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 3] d.d. 7 februari 2013, opgenomen op p. 34 van de persoonsdossiers bij onderzoek 2012079679.

14 Proces-verbaal aangifte [aangever 2] d.d. 24 mei 2013, opgenomen op p. 185.

15 Proces-verbaal aangifte [aangever 2] d.d. 24 mei 2013, opgenomen op p. 186.

16 Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 3] d.d. 7 februari 2013, opgenomen op p. 34 van de persoonsdossiers bij onderzoek 2012079679.