Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:955

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
16/706339-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafzaak. Verdachte heeft zich met zijn mededader schuldig gemaakt aan het plegen van een gewapende woningoverval in Eemnes op 29 mei 2015. Bij de overval is de bewoner met een (nep)wapen bedreigd en geslagen. De verdachten hebben hem vervolgens vastgebonden achtergelaten. De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 24 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0045
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/706339-15 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 24 februari 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1995] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te Justitieel Complex Schiphol.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting dat heeft plaatsgevonden op 17 september 2015, 16 november 2015 en 10 februari 2016. Verdachte is bij de inhoudelijke behandeling op 10 februari 2016 in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. N. Hendriksen, advocaat te Purmerend.

Tevens zijn aanwezig: dhr. [slachtoffer 1] en mw. [slachtoffer 2] , beiden benadeelde partij.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in vereniging een gewapende woningoverval heeft gepleegd op 29 mei 2015 te Eemnes.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte, de verklaring van verdachte, de opnamen vertrouwelijke communicatie (OVC-gesprekken) en het proces-verbaal van bevindingen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – gelet op de verklaring van verdachte ter terechtzitting – het ten laste gelegde feit voor wat betreft de buit slechts bewezen kan worden verklaard tot een bedrag van € 5.000,- tot € 6.000,-. Verdachte dient te worden vrijgesproken van de diefstal van het verdere geldbedrag en de overige goederen, aldus de verdediging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

[slachtoffer 1] heeft, ook namens zijn vriendin [slachtoffer 2] , aangifte gedaan van een overval op zijn woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] en gepleegd op 29 mei 2015 rond 3:40 uur.2 [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij en zijn vriendin lagen te slapen toen hij ineens een paar harde klappen en glasgerinkel hoorde. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zijn vriendin hard gilde en de kamer uitrende. Hij zag dat er beweging was bij het raam bij het bed en zag dat er twee personen in zijn kamer stonden. Hij zag dat beide personen met op vuurwapen gelijkende voorwerpen liepen te zwaaien. Eén van de mannen riep: ‘Het alarm moet af, hoe gaat dat.’ De man zei dat [slachtoffer 1] naar het bedieningspaneel moest gaan.3 [slachtoffer 1] stond op en zag en voelde dat één van de mannen een vuurwapen tegen de rechterzijde van zijn hoofd drukte. [slachtoffer 1] heeft op de benedenverdieping het alarm uitgeschakeld. Er werd herhaaldelijk geroepen: ‘naar de kluis, geld geld’. [slachtoffer 1] liep de trap af naar de kelderruimte, met één van de mannen achter zich aan. [slachtoffer 1] stond ter hoogte van de kluis toen de man zei ‘maak de kluis open’. [slachtoffer 1] heeft de kluis opengemaakt. In de kluis lag onder andere geld en een Breitling horloge. [slachtoffer 1] trok alles uit de kluis. [slachtoffer 1] zag dat de man een zwarte sporttas pakte en de spullen daar in deed. Ook pakte de man zelf een horloge uit de kluis het stopte het in de tas. De man riep continu ‘geld, geld’ en zei ‘naar de tweede kluis’. [slachtoffer 1] antwoordde dat hij geen tweede kluis had. De man zei dat [slachtoffer 1] weer naar de slaapkamer moest. Ook de andere man riep: ‘kluis, tweede kluis, geld nog meer klokkies’. In de slaapkamer moest [slachtoffer 1] op de grond gaan liggen.4 Terwijl hij ging liggen, zag [slachtoffer 1] dat één van de mannen een Rolex horloge van het nachtkaste pakte. [slachtoffer 1] voelde ineens een klap met een hard voorwerp op zijn achterhoofd en één van de mannen zei vervolgens ‘we maken je kapot als je niet zegt waar het zit’. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de mannen eerst proberen zijn handen op zijn rug vast te binden. Toen dat niet lukte hebben de mannen tiewraps om de polsen en enkels van [slachtoffer 1] gebonden. Vervolgens hebben ze zijn handen en voeten met een tiewrap aan elkaar vastgebonden. De mannen probeerden via het gat in het raam naar buiten te gaan. De mannen schreeuwden dat [slachtoffer 1] het raam open moest maken, waarop [slachtoffer 1] heeft gezegd dat de sleutel in het kozijn lag. [slachtoffer 1] hoorde dat er iets met het raam werd gedaan en dat de mannen via het raam de kamer uitklommen.5 [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij later zag dat een ring van zijn vriendin en zijn portemonnee was weggenomen, met daarin zijn rijbewijs, bankpasjes, twee creditcards, verzekeringspas, vaarbewijs, duikbrevet en museumjaarkaart. In de kluis lag een totaal van ongeveer € 25.000,-.6

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij in de nacht van 28 op 29 mei 2015 bij aangever [slachtoffer 1] in Eemnes was.7 [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij in slaap was gevallen, dat ze plotseling een harde klap hoorde en wakker schrok. Ze hoorde meerdere klappen achter elkaar. Het geluid kwam vanaf de ramen. [slachtoffer 2] hoorde vervolgens glasgerinkel, is de slaapkamer uit gerend en heeft zich in het kantoor verstopt. Op een gegeven moment hoorde ze dat [slachtoffer 1] haar naam riep, waarna ze naar de hal is gekropen. Daar zag ze dat [slachtoffer 1] met vastgebonden voeten de trap af kwam lopen. Zij hoorde toen van [slachtoffer 1] dat twee mannen hem met een vuurwapen hadden bedreigd en dat hij ook was geslagen op zijn achterhoofd. [slachtoffer 1] zei tegen haar dat de mannen zijn Breitling horloge uit de kluis hadden meegenomen. Zij hoorde [slachtoffer 1] zeggen dat er ongeveer € 25.000,- in de kluis lag. [slachtoffer 1] zei dat de mannen zijn Rolex horloge vanuit de slaapkamer hadden weggenomen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij later met de politie in de slaapkamer is geweest en zag dat haar horloge, IPhone en twee ringen waren weggenomen.8

Op 29 mei 2015 heeft sporenonderzoek plaatsgevonden in de woning aan de [adres] in [woonplaats] .9 Er wordt geconstateerd dat het glas van het linkerslaapkamerraam geforceerd is.10 Op 1 juni 2015 zijn in de woning twee bloedvegen bemonsterd en veiliggesteld voor DNA-onderzoek. De monsters kregen de nummers AAIN5700NL en AAIN5701NL.11 Het NFI heeft deze monsters onderzocht en een match geconstateerd tussen het profiel uit de monsters en het in de databank aanwezige profiel van verdachte met een kans kleiner dan één op één miljard dat het spoor afkomstig is van iemand anders dan verdachte is.12

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een tip had gekregen dat er geld te halen viel op het adres van aangever [slachtoffer 1] . Hij heeft met zijn mededader het plan gemaakt om een overval te plegen. Verdachte wist dat er een nepwapen en tiewraps werden meegenomen. Verdachte heeft verklaard dat hij met de mededader naar het huis is gereden, dat de mededader een raam insloeg en dat hij daarbij in zijn gezicht werd geraakt door de hamer. Ze zijn samen naar binnen gegaan. Verdachte heeft verklaard dat hij toen tegen aangever heeft geschreeuwd dat hij op de grond moest gaan liggen. Verdachte heeft verklaard dat hij in de andere slaapkamers heeft gekeken of er iemand was en toen merkte dat hij bloedde. Zijn mededader is met aangever naar beneden geweest om de kluis leeg te halen. Verdachte heeft verklaard dat hij zag dat aangever was vastgebonden. Verdachte en zijn mededader zijn vertrokken via het slaapkamerraam. Ze hebben later samen de buit verdeeld. Verdachte heeft verklaard dat het eigenlijk allemaal is gegaan zoals vooraf de bedoeling was.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en dat alle in de tenlastelegging genoemde goederen zijn weggenomen. Verdachte heeft het feit bekend, maar daarbij verklaard dat de buit tussen de € 5.000,- en € 6.000,- bedroeg. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever [slachtoffer 1] dat er een veel groter geldbedrag en andere goederen zijn weggenomen. De verklaring van aangever wordt voor een deel bevestigd door de verklaring van getuige [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] heeft direct na de overval tegen haar gezegd welk geldbedrag en welke goederen door de mannen waren meegenomen. Verder heeft zij verklaard dat haar horloge, IPhone en twee ringen uit de slaapkamer waren weggenomen. Ook verklaren zij beiden dat [slachtoffer 1] na de overval de afvoer van het toilet op de eerste verdieping heeft laten onderzoeken door de aannemer en vervolgens nog eens door een rioleringsbedrijf, omdat de IPhone van [slachtoffer 2] mogelijk in dat toilet zou zijn gegooid. Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank ook de overtuiging dat de aangifte van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op dit punt de waarheid behelst.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 29 mei 2015 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, om ongeveer 3.40 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan de [adres] , alwaar verdachte en/of zijn medeverdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit voornoemde woning hebben/heeft weggenomen (onder andere) een hoeveelheid geld (ongeveer 25.000 euro) en/of een of meer horloges en/of (andere) sieraden en/of een portemonnee (bevattende onder andere een of meer bank- en/of creditcardpasjes en/of een zorgpas en/of een rijbewijs en/of andere waardepapieren) en/of een IPhone, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf hebben verschaft en/of dat/die geld en/of goederen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en/of zijn medeverdachte (nadat hij, verdachte en/of zijn medeverdachte rond 3.40 uur zich door middel van het vernielen van een of meer ruiten van de slaapkamer van die woning zich de toegang tot de slaapkamer van die op dat moment slapende [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] hadden/had verschaft)

  • -

    een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hebben/heeft gericht op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of gehouden op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] onder bedreiging van dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hebben/heeft gedwongen om het alarm van de woning uit te schakelen en/of naar de in die woning aanwezige kluis te lopen en/of die kluis te openen en/of tegen die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd: Wij maken je kapot als je niet verteld waar de tweede kluis is", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] met een hard voorwerp op/tegen diens hoofd hebben/heeft geslagen en/of

  • -

    de polsen en/of de benen van die [slachtoffer 1] hebben/heeft vastgebonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

diefstal, in vereniging en vergezeld door geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en de schuldige zich bij de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking en inklimming

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 6 jaar wordt opgelegd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd, recht doet aan de situatie. De verdediging heeft daarbij gewezen op de jeugdige leeftijd van verdachte, zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid en het intensieve begeleidingstraject van Topzorg wat hem na zijn vrijlating te wachten staat. Bij het opleggen van een straf of maatregel zou het investeren in de toekomst voorop moeten staan, aldus de raadsman.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich met zijn mededader schuldig gemaakt aan het plegen van een gewapende woningoverval. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij en zijn mededader ‘s nachts en gewapend met een (nep)vuurwapen naar de woning zijn gegaan, waar zij aangever [slachtoffer 1] gedurende de overval met het wapen hebben bedreigd en geslagen. Zij hebben hem vervolgens vastgebonden achtergelaten.

Het spreekt voor zich dat een dergelijke overval voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Ook veroorzaakt een feit als dit in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid. Uit de verklaring van de slachtoffers ter terechtzitting blijkt dat zij – nog steeds – erg aangedaan zijn door hetgeen er is gebeurd. De slachtoffers ondervinden nog dagelijks de (psychische) gevolgen van de overval. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van anderen, op deze manier snel aan geld en goederen te komen.

Verdachte is, zo blijkt uit het uittreksel justitiële documentatie van 31 december 2015, reeds eerder veroordeeld voor vermogensdelicten.

Verdachte is zowel door een psychiater, H.A. Gerritsen, als door een psycholoog, J.S.H. Stolk, onderzocht. Deze deskundigen constateren dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De psychiater voegt daaraan toe dat verdachte lijdt aan een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en antisociale trekken. Vanwege de – toen nog – ontkennende houding van verdachte hebben de deskundigen geen uitspraak kunnen doen over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De rechtbank heeft geen reden om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, maar houdt bij de strafoplegging wel in enige mate rekening met de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank verder rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Gelet daarop zou voor een overval op een woning met (licht) geweld en bedreiging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar passend zijn. De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat de overval in vereniging is gepleegd, volgens een vooropgezet plan waarbij met een (nep)vuurwapen is gedreigd. De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met zijn jeugdige leeftijd en voornoemde gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een (gedeeltelijk) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Met het voorwaardelijke gedeelte beoogt de rechtbank verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Ook maakt dit verplichte begeleiding en behandeling mogelijk, hetgeen de rechtbank gelet op de bij de verdachte geconstateerde persoonlijkheidsproblematiek in combinatie met zijn jeugdige leeftijd aangewezen acht. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 24 maanden voorwaardelijk.

De rechtbank acht het noodzakelijk dat verdachte, als hij vrijkomt, intensief wordt begeleid om recidive te voorkomen. De rechtbank legt om die reden strenge voorwaarden op, waaronder elektronische controle, waardoor verdachte ook dan slechts beperkte vrijheid geniet. Gezien de ernst van het feit en de persoon van verdachte acht de rechtbank een proeftijd van 3 jaar passend.

9 Vorderingen benadeelde partijen

9.1

Vordering [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 43.041,73, bestaande uit € 36.541,73 materiële schade en € 6.500,- immateriële schade.

9.1.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering volledig wordt toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is dat een geldbedrag van € 25.000,- bij de inbraak is weggenomen. De verklaring van verdachte – dat er een bedrag tussen de € 5.000,- en € 6.000,- is weggenomen – dient te worden gevolgd. De verdediging verzoekt het gevorderde bedrag van € 23.500,- voor geld uit te kluis te matigen tot een bedrag van € 6.000,-. Daar moet het bedrag dat door de verzekering is vergoed van worden afgetrokken. Zodoende kan een bedrag van € 4.500,- worden toegewezen.

De verdediging verzoekt om afwijzing van de post die ziet op de horloges, nu er onvoldoende bewijs is dat deze bij de inbraak zijn weggenomen.

De verdediging heeft bepleit dat er onvoldoende direct verband is tussen de overval en het niet kunnen werken, waardoor de post voor verlies van arbeidsvermogen moet worden afgewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op vergelijkbare uitspraken van deze rechtbank, de immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.500,-.

De verdediging heeft verder bepleit dat toepassing van de schadevergoedingsmaatregel achterwege moet blijven, nu bij verdachte sprake is van een zodanig geringe draagkracht dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel een louter vexatoir karakter zou hebben.

9.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat bij de inbraak een geldbedrag van € 25.000,- en horloges zijn weggenomen. Om die reden wijst de rechtbank de gevraagde vergoedingen hiervoor toe, te weten € 23.500,- voor het weggenomen geld uit de kluis en € 4.402,19 voor de gestolen horloges.

De rechtbank wijst een bedrag van € 4.880,54 toe voor schade aan de woning. Dit deel van de vordering is niet betwist en voldoende onderbouwd.

De rechtbank wijst ook het gevraagde bedrag van € 3.759,- toe voor het verlies van arbeidsvermogen. Het bedrag is onderbouwd en uit de stukken en de verklaring van [slachtoffer 1] ter zitting is voldoende gebleken dat dit verlies van arbeidsvermogen een direct gevolg is geweest van het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit tot een bedrag van € 2.500,- kan worden toegewezen. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. Voor dit deel kan de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het totaal door de rechtbank toegewezen bedrag wordt berekend op € 39.041,73. De rechtbank legt dit bedrag hoofdelijk op aan verdachte.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij. De rechtbank ziet in de gestelde geringe draagkracht van verdachte onvoldoende aanleiding de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. De rechtbank houdt wel rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte, zijn financiële situatie en de gestelde toekomstige draagkracht en stelt daarom de vervangende hechtenis vast op 35 dagen.

9.2

Vordering [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 3.621,01, bestaande uit € 2.371,01 materiële schade en € 1.250,- immateriële schade.

9.2.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering volledig wordt toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag van € 750,-. De verdediging heeft geen opmerkingen over de materiële schade.

De verdediging heeft verder bepleit dat toepassing van de schadevergoedingsmaatregel achterwege moet blijven, nu bij verdachte sprake is van een zodanig geringe draagkracht dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel een louter vexatoir karakter zou hebben.

9.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 2] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank wijst de gevorderde materiële schade volledig toe, nu deze schade niet is betwist en voldoende is onderbouwd. De rechtbank wijst zodoende een bedrag van € 2.371,01 aan materiële schade toe.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de immateriële schade, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, volledig kan worden toegewezen. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 1.250,- toe.

Het totaal door de rechtbank toegewezen bedrag aan materiële schade wordt berekend op € 3.621,01. De rechtbank legt dit bedrag hoofdelijk op aan verdachte.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij. De rechtbank ziet in de gestelde geringe draagkracht van verdachte onvoldoende aanleiding de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. De rechtbank houdt wel rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte, zijn financiële situatie en de gestelde toekomstige draagkracht en stelt daarom de vervangende hechtenis op 7 dagen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart de ten laste gelegde feiten bewezen, zodanig als hiervoor onder 5. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

diefstal, in vereniging en vergezeld door geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en de schuldige zich bij de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking en inklimming

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

- bepaalt dat het voorwaardelijk deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast;

- de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich niet houdt aan de navolgende voorwaarden:

- stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde moet zich melden bij Reclassering Nederland wanneer hij hiertoe uitgenodigd wordt. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    de veroordeelde wordt verplicht om zich in het kader van delictpreventie te laten behandelen bij De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    de veroordeelde zal zich niet bevinden op het adres [adres] te [woonplaats] , met een straal van vijf kilometer om dit adres heen. Het locatieverbod wordt gecontroleerd met een elektronisch controlemiddel, in de vorm van GPS. Het Openbaar Ministerie kan op advies van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen;

  • -

    de veroordeelde zal op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig zijn op het verblijfadres. Daarbij heeft hij op doordeweekse dagen een aaneengesloten blok van 12 uur ter invulling van zijn dagbesteding. In de weekenden heeft veroordeelde 4 uur per dag vrij te besteden. Wanneer veroordeelde op doordeweekse dagen geen dagbesteding heeft, heeft hij 2 uur vrij te besteden. De precieze tijdstippen worden vooraf vastgesteld door de reclassering, in overleg met betrokkene en afhankelijk van de dagbesteding. Het locatiegebod wordt gecontroleerd met een elektronisch controlemiddel, GPS. Het huidige verblijfadres is [adres] , [woonplaats] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Het Openbaar Ministerie kan op advies van de reclassering het locatiegebod laten vervallen of de genoemde bloktijden wijzigen;

  • -

    de veroordeelde wordt verplicht om een dagbesteding te hebben in de vorm van werk of een opleiding, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

- draagt Reclassering Nederland op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 39.041,73 ter zake van materiële en immateriële schade;

- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 39.041,73 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 35 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 3.621,01 ter zake van materiële en immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , € 3.621,01 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.A. Bos, voorzitter,

mr. J. Ebbens en mr. J.A. Spee, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2016.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 29 mei 2015 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, om ongeveer 3.40 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan De [adres] , alwaar verdachte en/of zijn medeverdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit voornoemde woning hebben/heeft weggenomen (onder andere) een hoeveelheid geld (ongeveer 25.000 euro) en/of een of meer horloges en/of (andere) sieraden en/of een portemonnee (bevattende onder andere een of meer bank- en/of creditcardpasjes en/of een zorgpas en/of een rijbewijs en/of andere waardepapieren) en/of een I-phone, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf hebben verschaft en/of dat/die geld en/of goederen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en/of zijn medeverdachte (nadat hij, verdachte en/of zijn medeverdachte rond 3.40 uur zich door middel van het vernielen van een of meer ruiten van de slaapkamer van die woning zich de toegang tot de slaapkamer van die op dat moment slapende [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] hadden/had verschaft)

  • -

    een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hebben/heeft gericht op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of gehouden op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] onder bedreiging van dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hebben/heeft gedwongen om het alarm van de woning uit te schakelen en/of naar de in die woning aanwezige kluis te lopen en/of die kluis te openen en/of tegen die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd: Wij maken je kapot als je niet verteld waar de tweede kluis is", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] met een hard voorwerp op/tegen diens hoofd hebben/heeft geslagen en/of

  • -

    de polsen en/of de benen van die [slachtoffer 1] hebben/heeft vastgebonden;

art 311 lid 1 aanhef en onder 3

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met proces-verbaalnummer 2015 163606 (onderzoek 032MEENT, sluitingsdatum 7 januari 2016) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering van 1 tot en met 800. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] d.d. 29 mei 2015, opgenomen op p. 61.

3 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] d.d. 29 mei 2015, opgenomen op p. 63.

4 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] d.d. 29 mei 2015, opgenomen op p. 64.

5 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] d.d. 29 mei 2015, opgenomen op p. 65.

6 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] d.d. 29 mei 2015, opgenomen op p. 66.

7 Proces-verbaal getuige [slachtoffer 2] d.d. 29 mei 2015, opgenomen op p. 74.

8 Proces-verbaal getuige [slachtoffer 2] d.d. 29 mei 2015, opgenomen op p. 75.

9 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 26 juni 2015, opgenomen op p. 109.

10 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 26 juni 2015, opgenomen op p. 110.

11 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 26 juni 2015, opgenomen op p. 111.

12 NFI-rapport d.d. 4 juni 2015, opgenomen op p. 129 en 130.