Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:940

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
C/16/370770 / HA ZA 14-461
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verbouwing villa op Ibiza. Partijen hebben vanaf april 2013 tot begin 2014 weliswaar gecommuniceerd en gecorrespondeerd over een eventuele aannemingsovereenkomst ten behoeve van de verbouwing van de villa, maar uiteindelijk is het niet tot het sluiten van een dergelijke overeenkomst tussen partijen gekomen. De rechtbank is van oordeel dat partijen in het onderhavige geval het stadium, waarin de partij die de onderhandelingen afbreekt de door de wederpartij gemaakte kosten dient te vergoeden, hebben bereikt. De door de aannemer gemaakte kosten stijgen ver uit boven hetgeen een aannemer in het algemeen als normale (acquisitie)kosten voor zijn rekening zal willen nemen. De rechtbank wijst de vordering deels toe tot een bedrag van € 21.497,60, plus beslagkosten en proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/139
RVR 2016/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/370770 / HA ZA 14-461

Vonnis van 24 februari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J. van Oijen te Etten-Leur ,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. drs. C. Hellingman te Amsterdam.

Eiseres zal [bedrijf 1] worden genoemd. Gedaagden zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd en gezamenlijk [gedaagden] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 17 december 2014;

  • -

    de akte van [bedrijf 1] met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek met producties;

  • -

    de antwoordakte van [bedrijf 1] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De heer [X ] (hierna: [X ] ) is directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] is op 24 mei 2013 opgericht.

2.2.

[X ] is tevens bestuurder van [bedrijf 2] (hierna ook: [bedrijf 2] ), waarvan [bedrijf 3] ( [bedrijf 3] ) enig aandeelhouder is. [X ] is enig bestuurder van [bedrijf 3] . [bedrijf 2] is directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf 4] (hierna ook: [bedrijf 4] ).

2.3.

[gedaagde 1] is een professionele voetballer. [gedaagde 2] is onder meer een in Nederland bekende televisiepresentatrice.

2.4.

[gedaagden] liet zijn zaken tot juli 2013 behartigen door [management 1] en [management 2] en sindsdien door de heer [A] (hierna: [A] ) van het bureau [management 3]

2.5.

Op 31 augustus 2007 is de vader van [gedaagde 2] overleden. Tot de nalatenschap behoorde de villa op Ibiza met bijbehorende terreinen genaamd [naam 1] (hierna ook: [naam 1] ). Begin 2014 heeft de eigendomsoverdracht van [naam 1] aan [gedaagde 2] en haar mede-erfgenamen plaatsgevonden.

2.6.

[gedaagden] heeft [naam 1] gekocht. Tot op heden heeft de eigendomsoverdracht van [naam 1] aan [gedaagden] nog niet plaatsgevonden.

2.7.

In januari 2013 komt [gedaagden] tijdens een vakantie op Ibiza via een zakenpartner van [X ] in contact met [X ] . [gedaagden] en [X ] hebben gesproken over de verbouwing van [naam 1] .

2.8.

Bij brief van 25 april 2013 met als referentie “Onze ref: [naam 2] ” hebben [X ] en [B] (hierna: [B] ) namens [bedrijf 4] [gedaagden] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Naar aanleiding van jullie uitnodiging, ons prettig bezoek en onderhoud op Ibiza, hebben wij jullie prachtige nieuwe aangekochte villa mogen bekijken. Dit om vrijblijvend een basis kosten begroting met schets ontwerpen te mogen maken.

Als bijlage hebben wij deze basis kosten indicatie meegestuurd en reeds hebben jullie al een deel van het schetsontwerp van [B] mogen ontvangen.

Zoals jullie weten en waarschijnlijk ook wel zullen begrijpen willen we beide een persoonlijke toelichting geven hoe wij tot deze opzet zijn gekomen. Kijken of deze ontwerpen en uitgangspunten aansluiten aan jullie wensen pakket in combinatie met de nog te maken kosten.

Nadrukkelijk wil ik melden dat ik in de kosten calculatie uit ben gegaan van een basis luxe en zeer degelijke uitvoering naar Nederlandse maatstaven. In het bouwproces maken we wel degelijk gebruik van goedkopere Spaanse werknemers, alleen als ik dat verantwoord vind. Daarnaast maak ik dan ook veelvuldig gebruik van het betere geselecteerde personeel. (…)

Dagelijks houden we contact met onze Spaanse relatie op het eiland die namens ons bedrijf de aansturing en coördinatie voor zijn rekening krijgt. (…)

We zullen post voor post persoonlijk moeten doorspreken om beide het goede gevoel te krijgen en dit eventueel naar wens bijsturen. (…)”.

Als bijlage bij genoemde brief is een eerste kosten opzet gedateerd 25 april 2013 meegezonden, waarbij de totale verbouwingskosten door [bedrijf 4] zijn begroot op
€ 879.618,69.

2.9.

Bij brief van 21 mei 2013 met als referentie “ [naam 2] ” en die op 20 mei 2013 door [X ] namens [bedrijf 1] is ondertekend, heeft [X ] namens [bedrijf 1] [gedaagden] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Hierbij doen wij U onze offerte / opdrachtbevestiging toekomen na aanleiding van de grote exclusieve renovatie van uw villa te [naam 1] .

Een en ander volgens:

- De door ons opgemaakte globale perspectieven d.d. 01-05-2013

- Bespreking op locatie te Ibiza / 6 april 2013 en te Istanbul op 10-5-2013

- Kosten overzicht d.d. 25-04-2013, inclusief realistische opgenomen stelposten

- Onderstaande omschrijving (welke prevaleert)

(…)

Totaal aangenomen prijs: € 879.600,00 excl. btw


Het bovengenoemde bedrag is exclusief btw, tijdens de uitvoering (en op de facturen) van de werkzaamheden wordt het dan thans geldende btw tarief van Spanje aan U doorbelast. Thans geldende BTW tarief 21% (…)

Deze offerte heeft een geldigheid duur van 4 weken na 21-05-2013. (…)

Betalingsvoorwaarden:

- 1e termijn, 10% bij opdracht / start inzake werkvoorbereiding, huisvesting aankoop en bestelling van materialen.

- Per week wordt er naar rato voortgang werk een bedrag gefactureerd van € 20.000,00 excl.btw

- Betalingstermijn, per omgaande na ontvangst factuur per mail

(…)

Start werkzaamheden gepland: juni 2013

Gereed werk gepland: maart 2014 (…)

Indien U akkoord gaat met deze overeenkomst verzoeken wij U alle pagina’s te voorzien van beide uw handtekening en retour te sturen, U ontvangt daarna van ons een kopie.”.

Als bijlage bij genoemde brief is een eerste kosten opzet gedateerd 23 april 2013 meegezonden, waarbij de totale verbouwingskosten zijn begroot op € 879.618,69.

2.10.

In een sms-bericht van 22 juni 2013 heeft [gedaagde 2] [X ] onder meer het volgende geschreven:

“(…) We hebben nu alle officiële papieren dat 2 e verdieping legaal is. Alleen doen ze nu moeilijk over de grote van het zwembad!!! Ze zijn zo streng geworden. Ze hebben ons aangeraden pas september oktober te beginnen met bouwen! Het is misschien wel handig als we nog een keer samen naar het huis kunnen en dan alles kunnen vast legen om in die tijd te gaan beginnen? Wat denken jullie? (…)”.

2.11.

In een e-mailbericht van 1 juli 2013 met als onderwerp “Project [naam 1] , voortgang en info” heeft [X ] namens [bedrijf 1] onder meer [gedaagden] voor zover van belang het volgende geschreven:

“(…) Allereerst nogmaals bedankt voor het gestelde vertrouwen en de prachtig gegunde opdracht, we gaan er echt iets fantastisch van maken.

Onze opzet (begroting) en werkwijze geeft jullie te allen tijde de gelegenheid om tussendoor je pakket van eisen of persoonlijke wensen aan te passen en/of bij te sturen. Dus maakt je niet al teveel zorgen om de genomen beslissingen of nog te maken keuzes! (…)

16 juli aanstaande ben ik samen met twee collega’s 1 dag op het eiland om de definitieve opstart voor te bereiden. Ook onze Spaanse relatie van Ibiza, die ons gedurende het hele project ondersteund, zal er ook bij aanwezig zijn.

Hierna, willen we 20 juli definitief starten op locatie met onze mensen uit Nederland. Ik ben momenteel bezig met het zoeken van huisvesting voor hun. Twee werknemers zullen nagenoeg altijd verblijven op de locatie zelf voor de veiligheid. (…)

Kunnen jullie wel, voor de formaliteit, zorgdragen voor het ondertekend retourneren van mijn afgegeven opdrachtbevestiging met bijbehorende begroting. Alle pagina’s gelieve ondertekend retourneren per mail/ of per fax gelieve uiterlijk 8 juli aanstaande.

Er moet ontzettend veel besteld en gereserveerd gaan worden, dus je zult begrijpen dat een ondertekening dan ook noodzakelijk is. Ook om misverstanden te voorkomen. (…)”.

2.12.

Hierop heeft [gedaagde 2] [X ] in een sms-bericht van 1 juli 2013 onder meer het volgende geschreven:

“(...) Helemaal super! We gaan ze van de week tekenen en naar je faxen! (…)”.

2.13.

In een e-mailbericht van 9 juli 2013 heeft [X ] namens [bedrijf 1] [gedaagden] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Waarschijnlijk is het door de drukte aan jullie aandacht ontsnapt, maar in onderstaande mail had ik jullie verzocht om uiterlijk gisteren, 8 juli, de verstrekte opdracht, schriftelijk ondertekend terug te willen ontvangen.

Dit om misverstanden te voorkomen en om de voortgang niet te belemmeren.

Kunnen jullie hier per omgaande voor zorgdragen, gelieve alle pagina’s ondertekenen en per mail of fax terugsturen.

Zodat we direct flink gas kunnen gaan geven. (…)”.

2.14.

Hierop heeft [gedaagde 2] [X ] / [bedrijf 1] in een e-mailbericht van
10 juli 2013 onder meer het volgende geschreven:

“(…) Je hebt helemaal gelijk!! Sorry!! Morgen zal ik alles tekenen en door sturen naar je oke? En ik ga even achter woning aan zodat jullie de 16e kunnen gaan kijken. (…)”.

2.15.

Vervolgens heeft [gedaagden] in juli 2013 de begeleiding van het project uit handen gegeven aan zaakwaarnemer [A] .

2.16.

Na een gesprek met [A] heeft [X ] namens [bedrijf 1] [gedaagden] in een e-mailbericht van 11 juli 2013 onder meer het volgende geschreven:

“(…) Volgens afspraak zou ik, na het gesprek met jullie nieuwe adviseur [A] , nog even een reactie geven.

Ik heb vanmorgen een zeer prettig onderhoud gehad met [A] , we hebben nagenoeg dezelfde visie en werkwijze.

Nadat hij volledige inzage heeft gehad in jullie persoonlijke dossiers, gaf hij mij aan dat het onmogelijk was om op korte termijn te starten met de bouw en verbouwwerkzaamheden van jullie villa in [naam 1].

Er moet nog teveel geregeld worden om het definitieve eigendom te realiseren en daarnaast moet er qua nalatenschap ook nog erg veel georganiseerd worden in Spanje.

Dan nog niet te spreken over alle fiscale aspecten en keuzes die gemaakt dienen te worden om alles in de juiste en goede banen te leiden.

Ik vind een halve start ook geen goede beslissing en wil ook waken dat jullie hierdoor in bepaalde problemen kunnen geraken.

Wel hadden we samen besproken om aankomende week, met mijn collega’s, gewoon naar Ibiza af te reizen om alles in kaart te brengen om een start werk te plannen en voor te bereiden.

Wanneer jullie alle formaliteiten geregeld hebben kunnen we direct verantwoord starten met de overeengekomen uit te voeren werkzaamheden.

Daarnaast kunnen we hem, na dit bezoek, op maat rapporteren om de huidige staat van het onroerend goed juist vast te leggen. Wat later weer gebruikt kan worden voor de vaststelling van erfbelastingen en andere fiscale aspecten.

Oftewel ik kan me geheel vinden om even de vervolg werkzaamheden op hold te zetten en gezamenlijk de juiste startdatum te bepalen.

Wanneer jullie daar als opdrachtgever een andere mening over hebben, zal ik dat altijd respecteren. Als er dan maar rekening wordt gehouden met de te nemen risico’s. (…)

Ik zie een goede start van alle bouwaktiviteiten, na nog wat te nemen kleine hobbels voor jullie, dan ook zeer positief tegemoet. (…)”.

2.17.

[A] heeft [X ] in een e-mailbericht van 12 juli 2013 onder meer geschreven:

“(…) Bedankt voor je mail en begrip voor deze nieuwe situatie.

Het blijkt dat we allebei het beste met [gedaagde 1] / [gedaagde 2] voor hebben en dat we de volgende stappen gaan maken;

1. Afhandeling nalatenschap en eigendom

2. Aanvraag ‘lichte’ vergunning op Ibiza

3. Definitieve offerte renovatie

4. Financiering renovatie

5. Voorbereidingsfase renovatie

6. Uitvoering renovatie

7. Oplevering en BBQ (…)”.

2.18.

Bij e-mailbericht van 15 juli 2013 heeft [X ] namens [bedrijf 1] [A] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Bedankt voor je mail en het stappenplan. We zullen morgen duidelijke foto’s maken die je kunt gebruiken voor de juridische en fiscale overdracht en mogelijke taxatie.

Zoals ik je vorige week donderdag ook al heb meegedeeld, tijdens ons persoonlijk onderhoud in Amstelveen, heeft de daadwerkelijke gunning van de opdracht al eerder plaats gevonden.

Ook zouden we definitief, in overleg bepaald, starten met de werkzaamheden op 21 juli aanstaande.

Oftewel, het punt nummer 3, definitieve offerte renovatie, is niet correct.

Het betreft hier een gegunde definitieve opdracht.

Ik heb reeds eerder aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een offerte gepresenteerd met als bijlage een uitgebreide open begroting. Oftewel gedurende het gehele bouwproces is alles nog aanpassen en bij te sturen aan hun persoonlijke wensen. Wij geven tijdig de tijdslijn aan wanneer er definitieve keuzes gemaakt moeten worden als deze afwijken van de offerte. Daar we anders de offerte met begroting gewoon dienen te volgen. Zo kunnen we heel flexibel meedenken en kan er nog erg veel worden gewijzigd of worden aangepast. Want een optimaal en goed resultaat voor de opdrachtgever telt alleen voor ons!(…)”.

2.19.

In een e-mailbericht van 26 juli 2013 heeft [A] [X ] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Ik wacht het definitieve rapport met foto’s in week 34 wel af.

Heb jij nog iets op papier van de ‘verstrekte’ vergunning?

En is er een bestek van het project gemaakt?

Ik wil voorkomen dat zij tegen tegenvallers gaan aanlopen en de geplande kosten inzichtelijk houden. Hun financiële man Sieto Jonkers gaat daar bij mij zeker om vragen.

Ik vind het vervelend dat jij na blijkbaar de gegunde definitieve opdracht nu met ons te maken krijgt, maar wij gaan dit proces goed begeleiden en daarom zullen wij nog wel meer vragen hebben. Uiteindelijk met als doel dat iedereen tevreden is. Het is daarom zeker goed om elkaar volgende week even te zien. (…)”

2.20.

Hierop heeft [X ] namens [bedrijf 1] als volgt gereageerd, voor zover van belang:

“(…) Prima, geef maar aan wanneer het je schikt. Ik ben er tot 15 augustus. (…)”.

2.21.

Bij brief van 23 augustus 2013 heeft [X ] namens [bedrijf 1] [A] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Betreft:

Start werkbezoek d.d. 16 juli 2013, die al reeds gepland stond in verband met de reeds eerder geplande startdatum bouwproject [naam 1] .

Middels deze rapportage en meegestuurde foto opnames willen we onder de aandacht brengen de zeer slechte staat van villa te [naam 1] . (…)

Onze hele offerte d.d. 25-04-2013 / opdrachtbevestiging 21 mei 2013 (zie bijlage) is opgebouwd uit stelposten daar opdrachtgever zich nog niet voldoende heeft verdiept in hun wensen pakket, keuzes, afwerking niveau en materialen. Daarom zijn wij uitgegaan van een hoogwaardig afwerkingniveau, volgens genoemde stelposten volgens onze begroting.

Al deze zaken zijn nog aan en bij te sturen in onderling goed overleg. Dit is het voordeel van onze bijgesloten open begroting. Deze begroting is wel zeer zorgvuldig opgesteld op basis van de werkelijke uitvoering en gemaakte tekeningen, en uitvoerige artist impressions van [B] van [naam 3]

Nogmaals uitgaande van A-kwaliteit uitvoering en hoogwaardig afwerking niveau. Na definitieve start zullen we wekelijks goed in overleg met elkaar treden om het project aan en bij te sturen en te praten over te maken exacte keuzes van kwaliteit en afwerking.

Er is geen bestek gemaakt van het project. Aan de hand van het impressie / foto boek en onze open begroting heeft de calculatie plaats gevonden. Het wensen pakket van hun is vertaald in het artistimpressie boekwerk, tekeningen en sfeerbeelden, op basis hiervan kunnen wij het werk gewoon opstarten en uitvoeren. (…)

In onze begroting is ook rekening gehouden met het vergunning traject richting gemeente aldaar, de opdrachtgever heeft er nadrukkelijk voor gekozen om dit persoonlijk zelf af te wikkelen gezien relatie aldaar. Dit is ook al reeds door hun uitgevoerd. (…)

Jullie willen voorkomen dat jullie en onze opdrachtgever gaan aanlopen tegen flinke tegenvallers en willen de geplande kosten inzichtelijk houden, dat willen wij ook, vandaar dat wij hebben afgesproken met opdrachtgever dat we wekelijks inzichtelijk de voortgang en kosten van het bouwproces bespreken, aanleveren. Op ieder moment kan er bij ongenoegen gestopt worden met de reeds gegeven opdracht. Wel na wekelijkse afrekening en betaling voor akkoord gegeven en reeds bestelde materialen welke opgenomen in de wekelijkse planning.

Kortom, dit geeft een situatie voor beide partijen die nooit zal eindigen in een geschil wat het vertrouwen in het eindresultaat ten goede komt.

Wij zien erg uit naar een spoedige start nadat jullie daadwerkelijk alles voor onze opdrachtgevers qua fiscaliteit, eigendom en controle afgegeven vergunningen hebben geregeld. Let wel op dat wij onze calculatie hebben gebaseerd op start juli 2013 en dat bij een flinke vertraging we wel te maken kunnen gaan krijgen met kostprijs verhogingen. (…)”.

2.22.

Hierop heeft [A] [bedrijf 1] in een e-mailbericht van 24 augustus 2013 onder meer geschreven:

“(…) Bedankt voor je verslag van het [naam 1] project.

Laten we begin september met elkaar afspreken om de voortgang te bewaken. Deze week zit ik met hun financieel adviseur om de status van het nalatenschap te bespreken, zodat ik daarna met jou kan afspreken. Wellicht met de adviseur erbij.

Mijn uitgangspunt is heel simpel.

Wat zijn de kosten voor het verbouwen van het huidige huis, zodat het aan de minimale eisen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voldoet om er voorlopig in te kunnen wonen tijdens de vakanties?

En dat niet in een open begroting, maar in een begroting die maximaal 10-20% mag afwijken van het voorgestelde bedrag. (…)”.

2.23.

Begin 2014 heeft de afwikkeling van de nalatenschap van de overleden vader van [gedaagde 2] plaatsgevonden.

2.24.

In een e-mailbericht van 17 januari 2014 heeft [A] [X ] van [bedrijf 1] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Kun je ook een opgave doen van de reeds gemaakte kosten? Anders blijft dat ook steeds benoemd worden en we kunnen nu beter alles benoemen. (…)”.

2.25.

Op 19 januari 2014 heeft [X ] namens [bedrijf 1] [A] onder meer het volgende geschreven:

“(…) De goedkeuring voor de brandveiligheid en evt. de vergunning nemen wij mee tijdens de bouw. En zit in onze calculatie opgenomen. Wij dragen zorg dat het verzekeringstechnisch geen problemen mag opleveren.

Nog even terugkomend op al onze energie, teken, calculatie werkzaamheden en overige kosten die we hebben moeten maken om tot een offerte te kunnen komen, dit hebben we geheel doorberekend in de reeds gemaakte aanbieding. (…)”.

2.26.

Op diezelfde datum heeft [A] [bedrijf 1] geschreven voor zover van belang:

“(…) Prima dat het is meegenomen in de offerte, maar ik krijg zeker de vraag voor welk bedrag dan.

We zouden toch transparant gaan werken? Benoem het gewoon dat is er achteraf nooit een misverstand. Ze zijn 10 jaar lang ‘klein’ gehouden en dat is nu niet nodig. Ze weten heus wel dat het opmeten, locatiebezoek, bouwtekeningen, etc geld kost.

Verder krijg ik nu veel vragen over de kwaliteit van de verf en de elektra. Het is zeker goed om nog een keer bij elkaar te komen. (…)”.

2.27.

In een sms-bericht van 4 februari 2014 verzonden om 12.02 uur heeft [gedaagde 2] [X ] onder meer het volgende geschreven:

“(…) “Wat???? Hoe bedoel je??? Jullie zouden toch juist gaan praten om te gaan beginnen??? Ik ga nu [A] bellen!!!:( (…)”.

2.28.

Vervolgens heeft [A] in een e-mailbericht van 4 februari 2014 verzonden om 21.23 uur [X ] het volgende geschreven:
“(…) Er lijkt sprake van een misverstand. Wij hebben geen overeenkomst van aanneming van werk met [bedrijf 1] gesloten voor een verbouwing van de villa [naam 1]. Die overeenkomst moet overigens een bedenktijd van drie dagen bevatten, waarbinnen wij altijd de opdracht kunnen ontbinden. Van een vaste overeenkomst kan dus onmogelijk sprake zijn.

Zonder volledig te zijn wijs ik je erop, dat er nogal wat gronden zijn om aan te nemen dat wij niet alleen niet gehouden zijn met jou in zee te gaan, maar ook dat het bestaan van zo’n overeenkomst onmogelijk is. Allereerst is de grond (en het huis) zoals je zeer goed weet niet hun eigendom. Bovendien is jouw offerte niet definitief. Ook ontbreekt de wettelijk voorgeschreven schriftelijke overeenkomst van aanneming van werk. Voorts ben ik volledig gemachtigd namens [gedaagde 1] & [gedaagde 2] onderhandelingen aan te gaan en/of af te breken. (…)

Ik beëindig hiermee de verdere onderhandelingen. Het spijt mij je niet anders te kunnen berichten. (…)”.

2.29.

Hierop heeft [X ] [bedrijf 1] [A] bij e-mailbericht van 4 februari 2014 verzonden om 21.51 uur onder meer het volgende geschreven:

“(…) Zoals je zult begrijpen, kan ik me totaal niet verenigen met de inhoud en zijn ze absoluut geen juiste weergave van de werkelijkheid. (…)”.

2.30.

Vervolgens heeft [gedaagde 1] [X ] bij e-mailbericht van 5 februari 2014 onder meer het volgende geschreven:

“(…) [Y] ik vind deze situatie meer dan vervelend. (…) Wij wilden inderdaad zsm beginnen en dat willen we nog steeds. Ik vooral wil het huis afhebben als ik terugkom van het WK. Ik heb de druk bij zowel [gedaagde 2] als mijn financieel adviseurs opgevoerd in de afgelopen maanden.

Wij werden belemmert door Spaanse rechten en Prive zaken in de erfenis van [gedaagde 2] ’s vader. We moesten geduld hebben wat vrij logisch was. Nu we alles weer kunnen gaan oppakken en [naam 1] helaas niet ons enige grote project is willen wij het goed doen en de kosten zo veel mogelijk drukken. (…)

Ik sta nog steeds achter mijn besluit. Als mijn financieel adviseurs zeggen dat alles voor minder ook kan en ook helderder vooral zodat alles goed overzichtelijk is dan snap ik dat. Als ik zo de mails terug lees is het contact tussen jullie inderdaad niet prettig geweest. Er kwamen geen duidelijke antwoorden en jullie relatie werd er kennelijk niet beter op. Zoals elk goed financieel en levens adviseur zou doen, heeft [A] meerdere opties bekeken. En blijkt alles voor minder waar gemaakt te kunnen worden. (…)

Zij en ik wilden graag met jullie werken. En als jullie zeggen met een fixed bedrag van rond de 4 ton hetzelfde waar te kunnen maken dan zullen mijn adviseurs zeker met jullie rond te tafel gaan zitten om alles nogmaals te bespreken. Maar een open begroting van zo’n groot bedrag is nu voor ons niet te doen en veel te risico vol. Ik hoop dat je dat begrijpt. (…) Wij willen voor alle kosten die jullie gemaakt hebben gewoon netjes betalen. Daar is geen eens een discussie over. Ook willen we kijken of jullie voor dat fixed bedrag hetzelfde waar kunnen maken. Zo niet is dat begrijpelijk maar dan moeten jullie ook begrijpen dat wij verder moeten zoeken naar een partij die dat wel kunnen. (…)”.

2.31.

In een e-mailbericht van 6 februari 2014 heeft [X ] namens [bedrijf 1] [gedaagden] onder meer het volgende geschreven:

“(...) Maar [A] wilde alleen zijn eigen wil doordrammen, zonder duidelijke argumenten! Hij heeft nog nooit concreet heel onze open begroting doorgelopen of aangegeven welke werkzaamheden er nu exact wel en welke niet moeten worden uitgevoerd. Niemand heeft ons dat tot op heden gemeld. Oftewel wij zijn van ons gehele luxe plan uitgegaan met open stelposten op basis van voor jullie zichtbare m2 of strekkende meters, Deze kunnen heel simpel naar beneden worden bijgesteld. Geen probleem zoals eerder besproken.

Deze heb ik ook een half jaar geleden helemaal met kengetallen doorgenomen in Turkije, is ook een onderdeel van de overeenkomst.

En heb toen ook al nadrukkelijk gemeld dat dit altijd minder kan worden maar nooit meer. (…)”.

2.32.

Op 30 april 2014 heeft [bedrijf 1] conservatoir beslag gelegd op de aan [gedaagden] ieder voor de helft in eigendom toebehorende onroerende zaak te Hilversum aan de [adres] , sectie Q, nummer 1168 en 1169).

2.33.

Verder heeft [bedrijf 1] op 1 en 2 mei 2014 ten laste van [gedaagde 1] conservatoir derdenbeslag gelegd onder de vereniging Koninklijke Nederlandse Voetbalbond.

2.34.

Op 13 mei 2014 zijn in opdracht van [bedrijf 1] de hiervoor onder 2.32 en 2.33 gelegde conservatoire (derden) beslagen doorgehaald.

3 Het geschil

3.1.

[bedrijf 1] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van;

I. primair een bedrag van € 139.120,27, althans subsidiair een bedrag van € 135.949,10, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoel in artikel 6:119a BW, althans subsidiair de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 6 maart 2014, althans subsidiair vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

II. de beslagkosten ten bedrage van € 1.891,71, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de 15de dag na de dag van de uitspraak;

III. de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.512,50, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de 15de dag na de dag van de uitspraak;

IV. de kosten van dit geding, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de 15de dag na de dag van de uitspraak, alsmede

V. de nakosten ter hoogte van € 131,00 dan wel, mocht betekening van de uitspraak plaatsvinden, €199,00.

3.2.

[bedrijf 1] legt aan haar vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. Primair stelt [bedrijf 1] dat zij met [gedaagden] een aannemingsovereenkomst heeft gesloten, dat [gedaagden] deze op 4 februari 2014 heeft opgezegd en dat [gedaagden] op grond van het bepaalde in artikel 7:764 lid 2 BW is gehouden de door [bedrijf 1] gemaakte kosten, de verrichte arbeid en de winst die zij over het gehele werk zou hebben gemaakt aan haar te vergoeden.

Subsidiair legt [bedrijf 1] aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn (betalings)verplichtingen, die voortvloeien uit de tussen haar en [gedaagden] gesloten aannemingsovereenkomst. De dientengevolge door [bedrijf 1] geleden schade dient door [gedaagden] te worden vergoed, aldus [bedrijf 1] .

In het geval wordt geoordeeld dat geen sprake zou zijn van een tussen [gedaagden] en [bedrijf 1] gesloten aannemingsovereenkomst, maakt [bedrijf 1] jegens [gedaagden] meer subsidiair aanspraak op betaling van schadevergoeding (inclusief gederfde winst) wegens het onrechtmatig afbreken van de onderhandelingen door [bedrijf 1] , een en ander als bedoeld in artikel 6:162 BW.

Tot slot baseert [bedrijf 1] haar vorderingen uiterst subsidiair op een tussen haar en [gedaagden] gesloten overeenkomst op grond waarvan [gedaagden] is gehouden om de kosten van [bedrijf 1] zonder enige discussie te vergoeden.

Op voormelde gronden maakt [bedrijf 1] verder aanspraak op de wettelijke (handels)rente en op de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten.

3.3.

[gedaagden] voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de (overige) stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsgeldige aannemingsovereenkomst

4.1.

SBT heeft haar vorderingen primair en subsidiair gegrond op een tussen haar en [gedaagden] gesloten (mondelinge) aannemingsovereenkomst ten behoeve van de verbouwing van [naam 1] .

4.2.

[gedaagden] heeft tot zijn verweer aangevoerd – kort weergegeven – dat partijen wel onderhandelingen hebben gevoerd over een te sluiten aannemingsovereenkomst, maar dat een dergelijke overeenkomst nimmer tot stand is gekomen.

4.3.

Het debat tussen partijen spitst zich dan ook allereerst toe op de vraag of tussen hen een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen (volgens [bedrijf 1] ) of niet (volgens [gedaagden] ). In het geval deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is vervolgens de vraag (primair) of [gedaagden] deze heeft opgezegd en dientengevolge gehouden is de door [bedrijf 1] gemaakte kosten te vergoeden, en (subsidiair) of [gedaagden] in de nakoming van die aannemingsovereenkomst is tekortgeschoten en op die grond jegens [bedrijf 1] is gehouden tot vergoeding van de dientengevolge door [bedrijf 1] geleden schade.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 6:217 BW een overeenkomst tot stand komt door een aanbod van de ene partij en een daarop aansluitende aanvaarding van de andere partij. De totstandkoming van een overeenkomst vereist wilsovereenstemming tussen partijen. Bij de beoordeling van de vraag of onderhandelende partijen een (stilzwijgende) overeenkomst hebben gesloten komt het er voorts op aan wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden.

4.5.

De rechtbank is op grond van de hiervoor onder 2.8 en verder weergegeven feitelijke gang van zaken en mede in aanmerking genomen de onder 4.4 genoemde maatstaf van oordeel dat tussen [bedrijf 1] en [gedaagden] (nog) geen rechtens bindende aannemingsovereenkomst is ontstaan. De rechtbank overweegt als volgt.

4.6.

[bedrijf 1] heeft wel gesteld dat zij [gedaagden] bij brief van 25 april 2013 een aanbod tot het sluiten van een aannemingsovereenkomst heeft gedaan, dat [gedaagden] dit aanbod tijdens een bespreking in [woonplaats] op 10 mei 2013 mondeling heeft aanvaard en dat zij de mondelinge aannemingsovereenkomst in haar brief van 21 mei 2014 heeft bevestigd, maar zij heeft haar stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagden] onvoldoende onderbouwd.

Ook indien moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling dat [bedrijf 1] [gedaagden] bij brief van 25 april 2013 een aanbod tot sluiten van een aannemingsovereenkomst heeft gedaan, hetgeen door [gedaagden] gemotiveerd is betwist, is niet komen vast te staan dat [gedaagden] dit aanbod op enig moment mondeling heeft aanvaard. Dit kan in ieder geval niet worden afgeleid uit de nadien gezonden brief van 21 mei 2013 van [bedrijf 1] . Er wordt in genoemde brief wel verwezen naar twee besprekingen, één op Ibiza op 6 april 2013 en één op 10 mei 2013 in [woonplaats] , maar dat [gedaagden] op een van die data het eerdere aanbod van [bedrijf 1] mondeling zou hebben aanvaard, zoals door [bedrijf 1] is gesteld en door [gedaagden] is betwist, blijkt op geen enkele wijze. In meergenoemde brief van 21 mei 2013 wordt met geen woord gerept over een reeds eerder tussen partijen gesloten (mondelinge) aannemingsovereenkomst. Volgens de tekst van deze brief doet [bedrijf 1] [gedaagden] slechts een aanbod tot het sluiten van een aannemingsovereenkomst. Dit blijkt ondubbelzinnig uit de zinsneden “Deze offerte heeft een geldigheid duur van 4 weken na 21-05-2013” en “Indien U akkoord gaat met deze overeenkomst verzoeken wij U alle pagina’s te voorzien van beide uw handtekening en retour te sturen, U ontvangt daarna van ons een kopie.”. Op 21 mei 2013 was zodoende sprake van een aan [gedaagden] uitgebrachte offerte en zou eerst een rechtsgeldige aannemingsovereenkomst ontstaan op het moment dat [gedaagden] (alle pagina’s van) de offerte binnen een termijn van vier weken ondertekend aan [bedrijf 1] retourneerde.

Mede in het licht van het voorgaande leiden de enkele door [bedrijf 1] gebezigde bewoordingen “offerte/opdrachtbevestiging” niet tot een ander oordeel. Deze bewoordingen zijn immers niet ongebruikelijk bij het uitbrengen van een offerte. Zodra [gedaagden] de offerte zou ondertekenen en retourneren werd dezelfde offerte omgezet in een opdrachtbevestiging. Dat sprake is van een standaardbrief waarin het woord “offerte” is opgenomen, leidt in het onderhavige geval niet tot een ander oordeel, nu juist in de gegeven omstandigheden en gelet op de verdere inhoud van meergenoemde brief daadwerkelijk moet worden uitgegaan van een offerte. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken.

4.7.

Zoals hiervoor is overwogen bestond naar het oordeel van de rechtbank op

21 mei 2013 nog geen (mondelinge) aannemingsovereenkomst tussen partijen en was (in beginsel) eerst sprake van een rechtsgeldige aannemingsovereenkomst op het moment dat [gedaagden] (alle pagina’s van) de bij brief van 21 mei 2013 uitgebrachte offerte binnen een termijn van vier weken ondertekend aan [bedrijf 1] retourneerde. Dat bedoelde offerte binnen de vereiste vier weken of op enig moment daarna ondertekend is geretourneerd of anderszins door [gedaagden] is aanvaard, is echter niet komen vast te staan. De ná 21 mei 2013 tussen partijen gevoerde (e-mail)correspondentie en verzonden sms-berichten, zoals hiervoor weergegeven onder 2.8 en verder, bieden hiervoor in ieder geval geen steun. Na 21 mei 2013 heeft [bedrijf 1] [gedaagden] tweemaal verzocht de offerte ondertekend te retourneren, namelijk eerst in het e-mailbericht van 1 juli 2013 en vervolgens in het e-mailbericht van
9 juli 2013. Dat de door [bedrijf 1] verzochte ondertekening ná 9 juli 2013 heeft plaatsgevonden is gesteld noch gebleken.

4.8.

De rechtbank overweegt verder dat uit de in het geding gebrachte stukken niet blijkt dat de offerte op andere wijze dan door ondertekening door [gedaagden] is aanvaard. Ook hiervoor bieden de ná 21 mei 2013 tussen partijen en tussen [bedrijf 1] en (namens [gedaagden] ) [A] gevoerde (e-mail)correspondentie en verzonden sms-berichten, zoals hiervoor weergegeven onder 2.8 en verder, geen steun.

[bedrijf 1] heeft in dit kader in het bijzonder verwezen naar het sms-bericht van 1 juli 2013 en het e-mailbericht van 10 juli 2013 van [gedaagde 2] , maar deze verwijzing kan haar niet baten. [gedaagde 2] heeft [bedrijf 1] in genoemde berichten weliswaar geschreven dat “alles” zou worden ondertekend, maar dit is voor het bewijs dat op dat moment reeds sprake was van volledige overeenstemming tussen partijen en van een rechtsgeldige aannemingsovereenkomst evenwel onvoldoende.

Anders dan door [bedrijf 1] is gesteld, kan ook uit de tussen [A] en [bedrijf 1] gevoerde e-mailcorrespondentie niet worden afgeleid dat [gedaagden] de door [bedrijf 1] uitgebrachte offerte heeft aanvaard. Dit kan in ieder geval niet worden afgeleid uit het e-mailbericht van 26 juli 2013 van [A] aan [bedrijf 1] , waarin de zinsnede “blijkbaar de gegunde definitieve opdracht” is opgenomen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit dezelfde gevoerde (e-mail)correspondentie kan worden afgeleid dat op een aantal essentiële punten nog geen duidelijkheid of overeenstemming bestond. Zo heeft [bedrijf 1] in haar e-mailbericht van 11 juli 2013 erkend dat er nog veel geregeld diende te worden om het definitieve eigendom van [naam 1] te realiseren en de nalatenschap van de overleden vader van [gedaagde 2] in Spanje af te wikkelen. Daarnaast heeft [bedrijf 1] erkend dat er onzekerheid over de fiscale aspecten van een en ander bestond en dat er keuzes gemaakt moesten worden. In haar brief van 23 augustus 2013 heeft [bedrijf 1] [A] geschreven dat [gedaagden] haar nog geen wensenpakket, keuzes, afwerkingsniveau en materialen had doorgegeven, dat er nog geen bestek van het project was gemaakt en dat de door [bedrijf 1] gemaakte begroting om die reden volledig uit stelposten bestond. [A] heeft [bedrijf 1] hierop in zijn e-mailbericht van 24 augustus 2013 geschreven dat de kosten voor de verbouwing niet in een open begroting moeten worden vastgesteld maar in een begroting die maximaal 10-20% mag afwijken van het voorgestelde bedrag. Vervolgens hebben [bedrijf 1] en (namens [gedaagden] ) [A] eerst in januari 2014 weer met elkaar gecommuniceerd. Dat [bedrijf 1] en [gedaagden] (al dan niet via [A] ) in de periode eind augustus tot januari 2014 hebben onderhandeld is, anders dan door [bedrijf 1] is gesteld, met de tot op heden in het geding gebrachte stukken niet komen vast te staan. [A] heeft in zijn e-mailberichten van 17 en 19 januari 2014 [bedrijf 1] onder meer uitdrukkelijk verzocht een opgave te doen van de door haar reeds gemaakte kosten. [bedrijf 1] heeft op eerstgenoemd e-mailbericht op 19 januari 2014 als volgt geantwoord: “Nog even terugkomend op al onze energie, teken, calculatie werkzaamheden en overige kosten die we hebben moeten maken om tot een offerte te kunnen komen, dit hebben we geheel doorberekend in de reeds gemaakte aanbieding.”. Anders dan door [bedrijf 1] is gesteld kan uit de in januari en februari 2014 door [gedaagde 2] aan [X ] gestuurde sms-berichten (overgelegd als productie 25 bij conclusie van repliek) niet meer worden afgeleid dan dat zij contact hebben gehad over de inrichting van [naam 1] en over de aanwezigheid van [X ] tijdens de opnames van de reality soap van [gedaagde 2] . Een en ander vormt echter onvoldoende aanknopingspunten voor het reeds bestaan van een aannemingsovereenkomst. Uiteindelijk heeft [A] op 4 februari 2014 de onderhandelingen met [bedrijf 1] afgebroken.

Bij dit alles is verder van belang dat niet is gesteld en ook niet is gebleken dat [bedrijf 1] , ook al was de offerte niet ondertekend, is gestart met de uitvoering van de door haar gestelde aannemingsovereenkomst. Ook dit duidt erop dat kennelijk ook volgens [bedrijf 1] nog geen sprake was van volledige overeenstemming.

4.9.

Nu [bedrijf 1] geen andere concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, is in het licht van al het voorgaande de conclusie gerechtvaardigd dat partijen vanaf april 2013 tot begin 2014 weliswaar hebben gecommuniceerd en gecorrespondeerd over een eventuele aannemingsovereenkomst ten behoeve van de verbouwing van [naam 1] , maar dat het uiteindelijk niet tot het sluiten van een dergelijke overeenkomst tussen partijen is gekomen. Nadere bewijslevering door [bedrijf 1] is onder deze omstandigheden niet aan de orde. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het ter zake door [bedrijf 1] gedane bewijsaanbod.

4.10.

Nu de door [bedrijf 1] gestelde aannemingsovereenkomst niet tot stand is gekomen, geldt dat de daarop gebaseerde door [bedrijf 1] gestelde opzegging van de aannemingsovereenkomst en de toerekenbare tekortkoming van [gedaagden] evenmin vast staat, zodat [bedrijf 1] dit ten onrechte aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.

Onrechtmatigde daad

4.11.

[bedrijf 1] heeft meer subsidiair het standpunt ingenomen dat [gedaagden] jegens haar is gehouden tot betaling van schadevergoeding wegens het onrechtmatig afbreken van de onderhandelingen door [gedaagden] Volgens [bedrijf 1] mocht zij er in de gegeven omstandigheden zonder meer gerechtvaardigd op vertrouwen dat een aannemingsovereenkomst tot stand zou komen. De onderhandelingen tussen partijen tot het sluiten van de in rechtsoverweging 4.4 vermelde wilsovereenstemming ten aanzien van de aannemingsovereenkomst met de door [bedrijf 1] gestelde inhoud verkeerden in een dermate vergevorderd stadium dat het afbreken daarvan onrechtmatig was, althans dat het afbreken daarvan zonder een al dan niet gehele kostenvergoeding onrechtmatig was. [bedrijf 1] heeft in dit verband gewezen op hetgeen zij ter onderbouwing van haar primaire en subsidiaire stellingen heeft aangevoerd. [gedaagden] had al toegezegd de aannemingsovereenkomst te ondertekenen en de plannen waren al tot in detail uitgewerkt. In de gegeven omstandigheden mocht zij er zonder meer gerechtvaardigd op vertrouwen dat een aannemingsovereenkomst tot stand zou komen, aldus nog steeds [bedrijf 1] .

4.12.

[gedaagden] heeft deze stellingen van [bedrijf 1] betwist.

4.13.

De rechtbank stelt voorop dat als – strenge en tot terughoudendheid nopende – maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen, die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen, vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Als de afbrekende partij veel heeft bijgedragen aan het vertrouwen van de wederpartij, door bijvoorbeeld investeringen te doen, is de kans groter dat de onderhandelingen niet zomaar afgebroken mogen worden. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen (HR 12 augustus 2005, LJN AT7337, NJ 2005/467, rechtsoverweging 3.6).

4.14.

Aan haar stellingen heeft [bedrijf 1] naar de rechtbank begrijpt geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd dan ten aanzien van haar primaire en subsidiaire stellingen. Zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom deze feiten en omstandigheden, indien zij niet zouden kunnen leiden tot de conclusie dat een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen, wel zouden meebrengen dat het afbreken van de onderhandelingen door [gedaagden] onaanvaardbaar zou zijn in verband met het bij [bedrijf 1] opgewekte, gerechtvaardigd vertrouwen in het tot stand komen van de aannemingsovereenkomst. Een en ander brengt mee dat de rechtbank goeddeels kan volstaan met hetgeen hiervoor onder rechtsoverwegingen 4.5 tot en met 4.9 is overwogen. Daaraan wordt toegevoegd dat in hetgeen door [bedrijf 1] is gesteld onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden die ertoe zouden kunnen leiden dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat tussen haar en [gedaagden] een aannemingsovereenkomst tot stand zou komen. De stelling van [bedrijf 1] dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een aannemingsovereenkomst tot stand zou komen, aangezien de verbouwingsplannen tot in detail waren uitgewerkt, wordt verworpen. [bedrijf 1] heeft haar stelling onvoldoende onderbouwd. [bedrijf 1] heeft ter onderbouwing van haar standpunt wel een grote hoeveelheid computerfoto’s overgelegd bij akte van 28 januari 2015, maar deze foto’s kunnen niet worden beschouwd als gedetailleerde verbouwingsplannen. Bovendien staat de stelling van [bedrijf 1] dat de verbouwingsplannen tot in detail waren uitgewerkt haaks op het door haar ingenomen standpunt dat geen bestek van het verbouwingsproject is opgemaakt en dat de begroting volledig uit stelposten bestond. Verder weegt mee dat onweersproken is gebleven dat [gedaagden] een gerechtvaardigd belang had de onderhandelingen af te breken op het moment dat duidelijk werd dat [bedrijf 1] de werkzaamheden niet voor een bedrag van
€ 400.000,-- wilde uitvoeren. De enkele omstandigheid dat [gedaagde 2] in het sms-bericht van 1 juli 2013 en het e-mailbericht van 10 juli 2013 heeft geschreven dat de offerte zou worden ondertekend, doet aan het voorgaande niet af. Voor zover uit genoemde berichten al een toezegging is af te leiden, brengt dit – anders dan door [bedrijf 1] is gesteld – niet zonder meer mee dat [gedaagden] onder de hiervoor weergegeven omstandigheden erop mocht vertrouwen dat een aannemingsovereenkomst tot stand zou komen. Nu [bedrijf 1] verder geen bijkomende feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, is de conclusie dat tussen partijen geen aannemingsovereenkomst bestond en [bedrijf 1] er ook niet op mocht vertrouwen dat deze tot stand zou komen.

4.15.

Nu met het voorgaande niet is komen vast te staan dat bij [bedrijf 1] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat een aannemingsovereenkomst zou worden gesloten, stond het [gedaagden] in beginsel vrij om op 4 februari 2014 de onderhandelingen af te breken. Het afbreken van de onderhandelingen door of namens [gedaagden] was op zichzelf dan ook niet onaanvaardbaar en daarmee niet onrechtmatig. Uit dien hoofde heeft [bedrijf 1] geen recht op schadevergoeding.

4.16.

De vraag is vervolgens of [gedaagden] desondanks de kosten, die [bedrijf 1] in de onderhandelingsfase heeft gemaakt, dient te vergoeden. [bedrijf 1] heeft gesteld dat de onderhandelingen in ieder geval door [gedaagden] zijn beëindigd in een situatie waarin [gedaagden] deze niet meer mocht afbreken zonder de door [bedrijf 1] gemaakte kosten en schade te vergoeden.

4.17.

De rechtbank overweegt dat voorafgaand aan het stadium waarin het afbreken van de onderhandelingen onrechtmatig is, de onderhandelingen weliswaar nog niet in laatstbedoeld stadium zijn geraakt (zoals in het onderhavige geval), maar reeds wel in een stadium dat de partij die de onderhandelingen afbreekt de door zijn wederpartij gemaakte kosten dient te vergoeden. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat de kosten die men in de precontractuele fase maakt in beginsel voor eigen rekening komen. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan het zo zijn dat de afbrekende partij de door de wederpartij gemaakte kosten moet vergoeden (zie arrest HR 18 juni 1982, NJ 1983/723 en HR 29 februari 2008, LJN BC1855).

4.18.

De rechtbank is van oordeel dat partijen in het onderhavige geval laatstbedoeld stadium, waarin de partij die de onderhandelingen afbreekt ( [gedaagden] ) de door de wederpartij ( [bedrijf 1] ) gemaakte kosten dient te vergoeden, hebben bereikt. Bij onderhandelingen is weliswaar uitgangspunt dat een partij die bij onderhandelingen kosten maakt (in de hoop en verwachting om deze kosten via de te verwerven opdracht terug te kunnen verdienen) in geval de opdracht niet aan hem gegund wordt, deze kosten als zijnde vergeefse (acquisitie)kosten zelf dient te dragen. Echter, naar ook [gedaagden] behoorde te begrijpen, stegen in het onderhavige geval de door [bedrijf 1] gemaakte kosten ver uit boven hetgeen een aannemer in het algemeen als normale (acquisitie)kosten voor zijn rekening zal willen nemen. Daarbij is onder meer van belang dat [bedrijf 1] op verzoek van [gedaagden] naar het buitenland is afgereisd voor de uitwerking van de verbouwingsplannen en kosten heeft gemaakt voor het ontwerpen en verkrijgen van de benodigde vergunningen. [gedaagden] was ook bekend met en heeft toegestaan dat derden zoals [naam 3] door [bedrijf 1] werden ingeschakeld. Een en ander is door [gedaagden] niet weersproken. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagden] op het maken van bedoelde kosten enige rem heeft gezet.

Verder is van belang dat [gedaagden] , al dan niet via [A] , heeft toegezegd dat de door [bedrijf 1] gemaakte kosten zouden worden vergoed. In eerdergenoemde e-mailberichten van 17 en 19 januari 2014 heeft [A] immers expliciet naar een kostenopgave voor de door [bedrijf 1] verrichte voorbereidende werkzaamheden gevraagd. In zijn e-mailbericht van

5 februari 2014 heeft ook [gedaagde 1] zich bereid verklaard de door [bedrijf 1] gemaakte kosten te vergoeden.

4.19.

Op grond van het voorgaande is de conclusie dat zich in de onderhavige zaak de situatie voordoet dat het afbreken van de onderhandelingen door [gedaagden] op
4 februari 2014 zonder vergoeding van de door [bedrijf 1] gemaakte kosten onaanvaardbaar moet worden geacht. [bedrijf 1] kan derhalve uit hoofde van het bepaalde in artikel 6:162 BW in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de door haar gemaakte kosten.

4.20.

[bedrijf 1] heeft de door haar in de onderhandelingsfase van april 2013 tot 4 februari 2014 met [gedaagden] gemaakte kosten begroot op een bedrag van € 139.118,31. Dit bedrag is volgens [bedrijf 1] als volgt opgebouwd, steeds inclusief BTW:

a. a) Kosten [naam 3] € 15.125,00

b) Vergunningstekeningen € 5.142,50

c) Reis- en verblijfskosten € 27.396,10

d) Calculatie en werkvoorbereiding € 27.505,00

e) Gederfde winst € 15.100,75

f) Dekking algemene kosten € 45.679,77

Totaal € 139.118,31

4.21.

[gedaagden] heeft (de omvang van) de door [bedrijf 1] gestelde kosten gemotiveerd betwist. Volgens [gedaagden] dient de eventueel door hem aan [bedrijf 1] te vergoeden schade te worden verminderd met de immateriële schade die [gedaagden] heeft geleden ten gevolge van de media bemoeienis van [bedrijf 1] .

4.22.

De rechtbank stelt voorop dat voor vergoeding van het positief contractsbelang in het onderhavige geval geen plaats is, nu [bedrijf 1] niet erop mocht vertrouwen dat een aannemingsovereenkomst uit de onderhandelingen zou resulteren, een en ander zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.15 is overwogen. In het onderhavige geval kan [bedrijf 1] (in beginsel) aanspraak maken op vergoeding van het negatief contractsbelang.

4.23.

Daarnaast geldt dat de rechter ingevolge artikel 6:97 BW de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en, wanneer de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, de schade wordt geschat.

4.24.

Tegen deze achtergrond zal de rechtbank de stellingen en verweren ten aanzien van hiervoor onder 4.20 sub a) tot en met sub f) genoemde kosten beoordelen.

Ad a) Kosten [naam 3]

4.25.

[gedaagden] heeft niet betwist dat [bedrijf 1] praatprenten, schetsontwerpen en rendering tekeningen heeft gemaakt en dat [bedrijf 1] in dat verband aanspraak kan maken op een bedrag van € 7.500,--, exclusief BTW, derhalve € 9.075,-- inclusief BTW. [bedrijf 1] heeft dit bedrag met de in het geding gebrachte factuur van 2 juli 2013 van [naam 3] overgelegd als productie 16 bij dagvaarding ook genoegzaam onderbouwd.

4.26.

Ten aanzien van het resterende deel van de vordering heeft [bedrijf 1] in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagden] onvoldoende aangetoond dat [naam 3] deze werkzaamheden daadwerkelijk heeft verricht. Het had op de weg van [bedrijf 1] geleden haar vordering, gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagden] , op deugdelijke wijze nader te onderbouwen. De enkele omstandigheid dat deze kosten in de begroting behorend bij de offerte van 21 mei 2013 waren verdisconteerd laat onverlet dat [bedrijf 1] dient aan te tonen dat zij deze kosten daadwerkelijk aan [naam 3] is verschuldigd.

4.27.

De conclusie is dat een bedrag van € 9.075,-- (inclusief BTW) toewijsbaar is.

Ad b) Vergunningstekeningen

4.28.

[gedaagden] heeft de door [bedrijf 1] gevorderde kosten in dit verband niet betwist. Derhalve is een bedrag van € 5.142,50 inclusief BTW toewijsbaar.

Ad c) Reis- en verblijfskosten

4.29.

[bedrijf 1] heeft aanspraak gemaakt op de door haar gemaakte reis-, verblijf- en vliegkosten. [bedrijf 1] heeft ter zake verwezen naar het door haar als productie 19 bij dagvaarding in het geding gebrachte kostenoverzicht en de als productie 28 bij conclusie van repliek in het geding gebrachte bewijsstukken.

[bedrijf 1] heeft aanspraak gemaakt op de volgende kosten, alles inclusief BTW:

- totaal vlieg, hotel en verblijfkosten € 7.280,10

- totaal uren [X ] op locatie € 17.480,00

- totaal uren [M] (uitvoerder) € 440,00

- totaal uren chauffeur (vliegveld) € 540,00

- totaal km auto € 1.656,00

totaal € 27.396,10

4.30.

[gedaagden] heeft (de omvang van) de schade betwist.

4.31.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagden] de door [bedrijf 1] gestelde vlieg-, hotel- en verblijfkosten ten bedrage van € 7.280,10 onvoldoende gemotiveerd betwist, terwijl [bedrijf 1] deze kosten genoegzaam heeft onderbouwd met onderliggende stukken overgelegd als productie 28 bij conclusie van repliek. De inhoud van laatstbedoelde stukken zijn door [gedaagden] onvoldoende bestreden. Voor zover [gedaagden] het verweer heeft gevoerd dat een aantal door [bedrijf 1] opgevoerde reizen geen betrekking heeft op de tussen partijen gevoerde onderhandelingen, wordt dit verweer gepasseerd. [gedaagden] heeft nagelaten zijn verweer op dit punt genoegzaam met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen, hetgeen in de gegeven omstandigheden wel op zijn weg had gelegen. Zo heeft [gedaagden] wel aangevoerd dat [bedrijf 1] ten onrechte aanspraak maakt op vergoeding van kosten voor een reis van [X ] naar Ibiza in verband met een bezoek van een verjaardag, maar hij heeft dit verder niet toegelicht aan de hand van specifieke data. Dit alles leidt ertoe dat het gevorderde tot een bedrag van € 7.280,10, inclusief BTW, toewijsbaar is.

4.32.

De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] de door haar gestelde kosten in verband met de door [X ] en [M] gemaakt uren, mede bezien in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagden] , onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Deze kosten zijn bovendien inherent aan het voeren van onderhandelingen en dienen dan ook, in beginsel, voor rekening van [bedrijf 1] dienen te blijven. Bijzondere omstandigheden dat dit in het onderhavige anders moet worden geoordeeld zijn gesteld noch gebleken. De enkele omstandigheid dat deze uren niet in Nederland zijn gemaakt rechtvaardigt op zich geen vergoeding van deze uren.

4.33.

De kosten in verband met gemaakte kilometers zijn op geen enkele wijze nader inzichtelijk gemaakt, hetgeen wel op de weg van [bedrijf 1] had gelegen. De in dit verband gevorderde kosten worden reeds daarom afgewezen.

4.34.

De kosten ten behoeve van een chauffeur komen in redelijkheid niet voor vergoeding in aanmerking, nu zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt te begrijpen waarom het noodzakelijk was dat [bedrijf 1] gebruik maakte van een chauffeur. Om die reden strandt dit deel van de vordering.

4.35.

De conclusie is op grond van het hiervoor overwogene dat een bedrag van

€ 7.280,10, inclusief BTW, toewijsbaar is.

Ad d) Calculatie en werkvoorbereiding

4.36.

[bedrijf 1] heeft ter onderbouwing van deze kosten gesteld dat zij op voorbereidingen heeft getroffen voor de aanvang van de verbouwing van [naam 1] . [bedrijf 1] heeft in dit verband verwezen naar de producties 20 en 20A bij dagvaarding. [gedaagden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.37.

De rechtbank is van oordeel dat voor vergoeding van de door [bedrijf 1] gemaakte kosten op dit punt geen plaats is, nu [bedrijf 1] haar vordering op onvoldoende wijze heeft onderbouwd of gespecificeerd. Weliswaar heeft [bedrijf 1] een door [bedrijf 2] opgemaakte urenstaat in het geding gebracht (productie 20 bij dagvaarding), alsmede een factuur van

14 mei 2014 ten bedrag van € 27.505,-- van [bedrijf 2] , maar dit is voor het bewijs onvoldoende. Het urenoverzicht dat door [bedrijf 2] is opgesteld is onvoldoende gespecificeerd. Zo kan uit bedoeld urenoverzicht niet worden afgeleid of en welke werkzaamheden daadwerkelijk ten behoeve van [gedaagden] in het kader van de onderhandelingen zijn verricht. De door [bedrijf 1] gevorderde kosten in verband met werkvoorbereiding en calculatie komen reeds op grond van het voorgaande niet voor toewijzing in aanmerking. Een en ander nog daargelaten het antwoord op de vraag of deze kosten op zichzelf inherent zijn aan het voeren van onderhandelingen en bedoelde kosten ook op die grond, in beginsel, voor rekening van [bedrijf 1] dienen te blijven.

Het voorgaande leidt ertoe dat het gevorderde op dit punt dient te worden afgewezen.

Ad e) Gederfde winst

4.38.

Voor vergoeding van de gederfde winst, zoals [bedrijf 1] heeft gevorderd, is geen plaats. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden, die in deze zaak zijn gesteld noch gebleken, kan het afbreken van onderhandelingen noodzaken tot vergoeding van het positief contractsbelang. Zoals hiervoor is overwogen mocht [bedrijf 1] er niet langer op vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen en behoefde hij niet in een toestand te worden gebracht als ware het contract wel tot stand gekomen.

Ad f) Dekking algemene kosten.

4.39.

Ook voor vergoeding van de door [bedrijf 1] gestelde algemene kosten is in het onderhavige geval met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 4.38 geen plaats. De rechtbank volstaat op dit punt met een verwijzing naar laatstgenoemde rechtsoverweging.

De conclusie

4.40.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank de volgende kostenposten ten bedrage van in totaal € 21.497,60 toewijsbaar:

- [naam 3] € 9.075,00

- vergunningstekeningen € 5.142,50

- reis- en verblijfkosten € 7.280,10

totaal € 21.497,60

4.41.

Voor zover [gedaagden] tot zijn verweer heeft aangevoerd dat hij immateriële schade heeft geleden die [bedrijf 1] aan hem dient te vergoeden, dient dit verweer te worden verworpen, nu [gedaagden] in dit geding terzake geen (reconventionele) vordering heeft ingesteld strekkende tot betaling van de door hem geleden immateriële schade. Ook het door [gedaagden] gedane beroep op verrekening van het door hem aan [bedrijf 1] verschuldigde bedrag met hetgeen [bedrijf 1] aan immateriële schade aan hem is verschuldigd, dient te worden verworpen, nu deze schade niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, een en ander als bedoeld in artikel 6:136 BW. Hiervoor zal uitgebreide bewijslevering noodzakelijk zijn.

4.42.

Het gevorderde hiervoor onder rechtsoverweging 3.1 sub I is aldus toewijsbaar tot een bedrag van € 21.497,60.

4.43.

De gevorderde wettelijke rente hierover is toewijsbaar met ingang van 5 juni 2014.

4.44.

De uiterst subsidiaire grondslag behoeft overigens gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

De beslagkosten

4.45.

[bedrijf 1] heeft gevorderd [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten ten bedrage van € 1.891,71. Ingevolge het bepaalde in artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kunnen beslagkosten van de beslagene worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig is. De rechtbank stelt dat niet is bestreden dat de conservatoire (derde)beslagen met inachtneming van de wettelijke vereisten zijn gelegd. Nu de vordering van [bedrijf 1] gelet op hetgeen hiervoor is overwogen toewijsbaar is, zijn de door haar gelegde conservatoire (derden)beslagen niet onrechtmatig of ongegrond. Om die reden zijn de door [bedrijf 1] gevorderde beslagkosten ten bedrage van

€ 1.891,71, waarvan de omvang verder door [gedaagden] niet is weersproken, dan ook toewijsbaar.

De buitengerechtelijke incassokosten

4.46.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II - worden afgewezen. [bedrijf 1] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

De kosten waarvan [bedrijf 1] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

De proceskosten

4.47.

De rechtbank ziet aanleiding de proceskosten te compenseren, nu [bedrijf 1] in het gelijk is gesteld ten aanzien van grondslag van het gevorderde, maar haar vordering grotendeels wordt afgewezen.

De nakosten

4.48.

De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar als na te melden.

Uitvoerbaar bij voorraad verklaring

4.49.

[gedaagden] heeft verzocht de betalingsveroordelingen niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren in verband met het restitutierisico. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] onvoldoende heeft onderbouwd dat er daadwerkelijk sprake is van een restitutierisico. Voorts wordt overwogen dat het enkele feit dat een bankgarantie is gesteld onvoldoende is voor toewijzing van het verzoek om de betalingsveroordelingen niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek derhalve passeren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [bedrijf 1] te betalen een bedrag van € 21.497,60, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 5 juni 2014 tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [bedrijf 1] te betalen een bedrag van € 1.891,71 aan beslagkosten, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [bedrijf 1] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op
24 februari 2016.1

1 type: He/4069 coll: