Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:939

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
16/661532-15(P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafzaak. Verdachte wordt veroordeeld voor het veroorzaken van een verkeersongeval in Kortenhoef op 24 oktober 2014. Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto zeer onvoorzichtig en onachtzaam gereden. Bij het verkeersongeval zijn vijf andere voertuigen betrokken geraakt. Twee slachtoffers hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Niet bewezen kan worden dat verdachte zodanig onder invloed verkeerde van middelen dat daardoor zijn rijvaardigheid werd of kon worden beïnvloed.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Daarnaast legt de rechtbank een rijontzegging op van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661532-15(P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 23 februari 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1980] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres]

thans uit andere hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden te Zoetermeer

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2015 en 9 februari 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting van 9 februari 2016 laten bijstaan door mr. E.N. Bouwman, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair

op 24 oktober 2014 te Kortenhoef als bestuurder van een personenauto zich – terwijl hij onder invloed verkeerde van een stof die de rijvaardigheid kon beïnvloeden -zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen;

subsidiair

op 24 oktober 2014 te Kortenhoef als bestuurder van een personenauto - terwijl hij onder invloed verkeerde van een stof die de rijvaardigheid kon beïnvloeden - gevaar op de weg heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen;

feit 2

op 24 oktober 2014 te Kortenhoef als bestuurder van een personenauto – terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed verkeerde van een stof die de rijvaardigheid kon beïnvloeden – geweigerd heeft mee te werken aan een bloedonderzoek.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het sub 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, in die zin dat er sprake is geweest van zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag van verdachte ten gevolge waarvan twee personen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en een andere persoon letsel heeft opgelopen.

Niet wettig en overtuigend bewezen kan worden – aldus de officier - dat verdachte roekeloos heeft gehandeld en dat hij onder invloed van middelen verkeerde.

Verdachte dient van deze onderdelen vrijgesproken te worden.

Verdachte dient voorts vrijgesproken te worden van het onder 2 ten laste gelegde feit.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de uitslagen van het NFI betreffende het urine onderzoek uitgesloten dienen te worden van het bewijs, nu de afname van de urine niet is verlopen volgens de daartoe gestelde regels en voorschriften. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de voornoemde uitslag niet bruikbaar is voor enige conclusie.

De raadsman heeft gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde roekeloze rijgedrag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte iets naar links is uitgeweken om te kijken of hij kon inhalen en daarbij de auto van [slachtoffer 1] heeft geraakt. Verdachte kwam daarbij slechts 20 centimeter over de wegas en heeft zeker niet volledig op de linker weghelft gereden. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van het onder 1 primair tenlastegelegde.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte geweigerd heeft mee te werken aan een bloedproef na een daartoe gegeven bevel. Uit het dossier volgt enkel dat een verbalisant aan verdachte een verzoek heeft gedaan tot medewerking. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat door een daartoe bevoegde (hulp)officier van justitie aan verdachte, zoals gesteld in artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994, een bevel is gegeven tot medewerking aan een bloedproef.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

4.3.2

Het oordeel over het onder 1 primair ten laste gelegde

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 24 oktober 2014 vond er op de N201, de Vreelandseweg te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren, een ongeval plaats.2 Bij dit ongeval waren de navolgende voertuigen betrokken: voertuig 1: een Audi a6 Avant, kenteken [kenteken] (bestuurder [verdachte] ), voertuig 2: een Volkswagen Fox3 (bestuurder [slachtoffer 1] ), voertuig 3: een Ford Ka (bestuurder [benadeelde 1] ), voertuig 4: een BMW (bestuurder [slachtoffer 3] )4, voertuig 5: een Suzuki Alto (bestuurder [slachtoffer 2] ) en voertuig 6: een Skoda Octavia (bestuurder [benadeelde 2] ).5

De Vreelandseweg bestond ter plaatse van het ongeval uit een rijbaan van 7 meter breed en was door middel van een onderbroken witte dubbele as-streep verdeeld in twee rijstroken.6

Ter plaatse gold een inhaalverbod (artikel 62 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in verband met bord F1 van bijlage 1 van het RVV 1990).7

Voertuig 1 reed op de N201, de Vreelandseweg, komende uit de richting van Vreeland.

De oorzaak van de aanrijding is gelegen in het feit dat de bestuurder van voertuig 1 op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terecht is gekomen. Voertuig 1 bevond zich op de weghelft voor het tegemoet komende verkeer en is met de linkervoorzijde tegen de linkervoorzijde van voertuig 2 gebotst. Na deze aanrijding is voertuig 1 doorgegleden en tegen voertuig 3 en vervolgens tegen voertuig 4 en 5 gebotst. Door de aanrijding met voertuig 1 is voertuig 5 teruggestoten en tegen voertuig 6 gebotst.8

Ter plaatse van het ongeval is onder andere een krasspoor (spoor 4) aangetroffen dat is afgetekend door de linker wielophanging van zowel voertuig 1 als voertuig 2 op het moment dat deze met elkaar verhaakten.9

De rechtbank stelt vast dat voornoemd krasspoor zich ongeveer in het midden van de rijstrook van het tegemoetkomende verkeer (de rijstrook van de voertuigen 2 tot en met 6) bevond.

Op het moment van de eerste aanrijding bevond het voertuig van verdachte zich grotendeels op de noordelijke rijstrook, de rijstrook bestemt voor het tegengestelde verkeer.10

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 24 oktober 2014 in zijn auto, een Audi a6 met het kenteken [kenteken] , over de Vreelandseweg reed en daar betrokken is geraakt bij een aanrijding. De Vreelandse weg kent hij zeer goed en het was daar op dat moment druk.11

[slachtoffer 1] reed in haar auto, een Volkswagen, over de N201, rijdende in de richting van Vreeland. Zij zag dat er bij de tegenliggers geen ruimte was om in te voegen en zag een donkere auto vanuit tegengestelde richting aan komen rijden. De auto reed volledig op haar weghelft.12

Uit de geneeskundige verklaring volgt dat [slachtoffer 1] ten gevolge van het ongeval een klaplong, een nierbloeding en een gebroken bekken heeft opgelopen. De geschatte genezingsduur bedraagt meer dan drie maanden.13 Op 26 oktober 2014 heeft [slachtoffer 1] aangegeven dat zij nog in het ziekenhuis lag. Zij heeft ten gevolge van de aanrijding een zware hersenschudding, een gescheurde milt en een gescheurde heup opgelopen. Van haar ruggenwervels zijn enkele uitsteeksels afgebroken.14 Op 8 januari 2015 heeft zij verklaard dat zij aan haar bekken is geopereerd. Zij mocht helemaal niets doen en het herstel zou zeker nog vier weken duren.15

[benadeelde 1] reed in haar auto, een Ford Ka, op de N201, komende vanuit de richting van [geboorteplaats] . Zij zag dat een donkere auto, komende van de andere kant, steeds meer op haar weghelft reed. De auto kwam dichterbij en reed voor driekwart op haar weghelft. Zij zag dat deze auto vol tegen de voor haar rijdende auto knalde. Zij zag beide auto’s op haar afkomen en voelde een harde knal tegen haar auto.16

[slachtoffer 3] reed in zijn auto, een BMW, op de N201, rijdende in de richting van Vreeland en komende uit de richting [geboorteplaats] . Hij zag dat het druk was op de weg en dat er geen kans was om in te halen, dat was ook zo bij het tegemoet komende verkeer. Plotseling zag hij dat een donkere Audi station uit tegengestelde richting over de middellijn en deels op zijn weghelft komen. Hij zag dat de Audi zijn voorligger raakte.17 Hij zag dat de Audi op hem af kwam rijden en voelde dat de linkerzijde van zijn auto werd geraakt.18

Uit de geneeskundige verklaring volgt dat [slachtoffer 3] ten gevolge van het ongeval gekneusde ribben heeft opgelopen. Daardoor ondervindt hij hinder in de dagelijkse werkzaamheden, werken lukte niet. De geschatte duur van de genezing bedraagt 8 weken.19

[slachtoffer 2] reed in haar auto, een Suzuki, op de N201, rijdende in de richting van Vreeland. Zij zag dat het druk was op de weg en dat er geen kans was om in te halen, dat was ook zo bij het tegemoet komende verkeer. Plotseling zag zij een zwarte Audi vanuit tegengestelde richting over de middellijn heen komen. Zij zag dat de Audi 2 of 3 auto’s die voor haar reden ramde. Vervolgens zag zij de Audi op haar af komen.20 De Audi ramde haar vol aan de voorzijde.

Ten gevolge van het ongeval heeft zij onder andere twee snijwonden in haar liezen en een zwaar gekneusde borstkas opgelopen.21

Uit de geneeskundige verklaring volgt dat [slachtoffer 2] ten gevolge van het ongeval in het ziekenhuis is opgenomen en twee gebroken rugwervels heeft opgelopen. De meest gunstige genezingsduur wordt geschat op drie tot vier maanden.22

[benadeelde 2] reed in haar auto op de N201, de Vreelandseweg, komende vanuit de richting van [geboorteplaats] . Zij zag dat de auto voor haar, een Suzuki, tegen daarvoor rijdende auto botste. De Suzuki kaatste terug en kwam met de achterzijde tegen haar auto.23

(bewijs)overwegingen

schuld

Om ter zake van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen, is vereist dat verdachte schuld heeft aan de aanrijding, hetgeen is tenlastegelegd als het zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam gedragen. Gelet op het standaardarrest van de Hoge Raad van 1 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO5822) zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De volgende feiten en omstandigheden zijn in dit kader relevant.

De Vreelandse weg bestond ter hoogte van het ongeval uit een relatief smalle rijbaan die door middel van een onderbroken dubbele as-streep was verdeeld in twee rijstroken. Ter plaatse gold een inhaalverbod. Op het moment van het ongeval regende het.

De verklaring van verdachte dat hij dacht dat hij ter plaatse wel mocht inhalen, acht de rechtbank, gelet op de situatie ter plaatse en het feit dat verdachte goed bekend is met de Vreelandse weg, onaannemelijk.

Op het moment van het ongeval was het druk op de Vreelandse weg. De getuigen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] verklaren voorts dat er geen enkele ruimte was om in te halen.

Verdachte heeft, ondanks voornoemde omstandigheden, toch geprobeerd de voor hem rijdende voertuigen in te halen, heeft naar links gestuurd en is op de weghelft voor het tegemoet komende verkeer gaan rijden en blijven rijden.

De rechtbank concludeert op grond van al deze omstandigheden dat verdachte zeer onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld. Het verkeersongeval is derhalve aan verdachtes schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, te wijten.

zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank is van oordeel dat het door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , ten gevolge van de aanrijding, opgelopen letsel gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, zoals hierna is weergegeven.

partiele vrijspraak

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zodanig onder invloed verkeerde van middelen dat daardoor zijn rijvaardigheid werd of kon worden beïnvloed. Uit het NFI rapport betreffende de uitslagen van het urine onderzoek van verdachte volgt niet wat de concentraties waren van de in de urine van verdachte aangetroffen sporen van cocaïne en benzodiazepinen. Evenmin kan uit het rapport worden afgeleid of en zo ja, in welke mate deze stoffen van invloed waren op het rijgedrag van verdachte.

Nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging behoeft het verweer van de raadsman tot bewijsuitsluiting van de resultaten van het NFI onderzoek geen verdere bespreking.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, voorts van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte roekeloos heeft gereden, het dossier bevat daartoe onvoldoende aanknopingspunten.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van voornoemde onderdelen van het onder 1 primair tenlastegelegde.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1 primair

op 24 oktober 2014, te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk Audi, gekentekend [kenteken] ), daarmede rijdende en/of heeft gereden over de weg, de Vreelandseweg aldaar, welke weg bestaat uit één rijbaan met twee rijstroken voor verkeer in tegengestelde richting, gescheiden door een dubbele onderbroken witte asstreep, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, doordat hij zeer onvoorzichtig en onachtzaam, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een verbod inhoudt, immers heeft hij, verdachte, in strijd met het bord F1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een voor hem -verdachte- rijdend motorvoertuig (personenauto)) ingehaald,

en

vervolgens op een rijstrook van die genoemde Vreelandseweg, bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, is gaan rijden en blijven rijden en aldus tegen de rijrichting in is gaan en blijven rijden, ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan tussen de door hem bestuurde personenauto en de hem vijf tegemoetkomende personenauto's, waardoor

[slachtoffer 1] (bestuurder personenauto van het merk Volkswagen) zwaar lichamelijk letsel (te weten een zware hersenschudding, een gescheurde milt, een klaplong, een gescheurde heup, gebroken bekken en van een aantal van haar rugwervels zijn enkele uitsteeksels afgebroken) werd toegebracht,

en

[slachtoffer 2] (bestuurder personenauto van het merk Suzuki) zwaar lichamelijk letsel (te weten twee gebroken rugwervels, een zwaar gekneusde borstkas en twee snijwonden in haar liezen) werd toegebracht,

en

[slachtoffer 3] (bestuurder personenauto, merk het merk BMW) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

feit 1 primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van voorarrest;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de strafmaat aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan vervolgens in het bijzonder laten meewegen dat verdachte – zoals hiervoor bewezen verklaard - als bestuurder van een personenauto zeer onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden waardoor hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij vijf andere voertuigen betrokken zijn geraakt. Ten gevolge hiervan hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en een derde slachtoffer gekneusde ribben, waardoor tijdelijke verhindering in de dagelijkse bezigheden is ontstaan.

Uit de ter terechtzitting voorgehouden slachtofferverklaringen volgt dat het ongeval en de door hen opgelopen letsels, zowel lichamelijk als psychisch, een enorme impact hebben gehad. Zij, en met hen hun gezinsleden, ondervinden tot op heden nog steeds de gevolgen daarvan.

[slachtoffer 1] heeft aangegeven dat haar leven ten gevolge van het ongeval overhoop ligt en dat zij nog steeds pijn ondervindt. Zij was na haar operatie aan haar bekken voor haar dagelijks functioneren volledig afhankelijk van anderen. Na een lange tijd kon zij haar werkzaamheden weer aanvangen en langzaam weer opbouwen. Haar hobby’s kan zij ten gevolge van de pijn en verminderde lichamelijk mobiliteit niet meer uitoefenen zoals zij dit voor het ongeval deed.

Uit de verklaring van [slachtoffer 2] volgt dat haar hele leven en dat van haar gezin, overhoop is gegooid. Zij ondervindt nog dagelijks pijn en gebruikt daarvoor zware medicatie. Zij is extreem moe en slaapt ook overdag. Zij kan niet zonder hulp functioneren en is niet in staat te werken. Middels een zwaar revalidatieprogramma zal zij zowel psychisch als lichamelijk moeten revalideren.

Verdachte heeft door zijn handelen mensenlevens in gevaar gebracht. Dat er geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen, is een gelukkige omstandigheid, die niet is te danken aan verdachte en zijn handelen.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van een verkeersmisdrijf en een verkeersovertreding.

Verdachte heeft na het ongeval geen contact gezocht met de slachtoffers. Ter terechtzitting heeft verdachte zijn spijt betuigd aan de slachtoffers, in het bijzonder aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Na het ongeval was hij zich er niet zo bewust van dat hij een fout had begaan. Inmiddels ziet hij dat anders.

Om te bevorderen dat landelijk voor vergelijkbare feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld. Deze oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) adviseren in geval van het veroorzaken van een verkeersongeval met als gevolg zwaar lichamelijk letsel door zeer onvoorzichtig rijgedrag (grove verkeersfout) een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen van 160 uren een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 1 jaar onvoorwaardelijk. Dit uitgangspunt ligt beduidend lager dan de strafeis van de officier van justitie.

Met name gelet op het feit dat het hier om meerdere slachtoffers gaat en dat uit het dossier volgt dat verdachte kort voor het ongeval opgefokt was en zeer hinderlijk en gevaarlijk rijgedrag vertoonde, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten van het LOVS. Gelet op de in vergelijkbare gevallen opgelegde straffen, zal de rechtbank hier echter minder vergaand van afwijken dan de officier van justitie heeft gedaan.

Alles overziend acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en een werkstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien de werkstraf niet wordt uitgevoerd, passend en geboden.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

9 Benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert als schadevergoeding een voorschot van

€ 2.500,00, ter zake van immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering in zijn geheel toe te wijzen, met daarbij de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 primair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gevorderde immateriële schade van € 2.500,00, bij wijze van voorschot, naar billijkheid kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 24c, 22c, 22d, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot:

- een gevangenisstraf van drie (3) maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van honderdtachtig (180) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen,

met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vierentwintig (24) maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot zes (6) maanden van deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 2.500,00 bij wijze van voorschot, ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 24 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , € 2.500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 24 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 35 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. de Stigter, voorzitter, mr. P. Bender en mr. S.B. Smit-Colenbrander, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 februari 2016.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1. primair

hij op of omstreeks 24 oktober 2014, te Kortehoef, gemeente Wijdemeren, althans in het arrondissement Midden-Nederland,als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk Audi, gekentekend [kenteken] ), daarmede rijdende en/of heeft gereden over de weg, de Vreelandseweg aldaar, welke weg bestaat uit één rijbaan met twee rijstroken voor verkeer in tegengestelde richting, gescheiden door een dubbele onderbroken witte asstreep, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, doordat hij roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam (terwijl verdachte onder invloed verkeerde van een stof(fen) die de rijvaardigheid kan/kunnen verminderen en/of beïnvloeden, te weten cocaïne en/of benzodiazepinen), geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers heeft hij, verdachte, in strijd met het bord F1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een voor hem -verdachte- rijdend motorvoertuig (personenauto)) ingehaald,

en/of

(vervolgens) op een rijstrook van die genoemde Vreelandseweg, bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, is gaan rijden en/of blijven rijden en aldus tegen het verkeer/de rijrichting in is gaan en/of blijven rijden (zogenaamd spookrijden), tengevolge waarvan een aanrijding is ontstaan tussen de door hem bestuurde personenauto en (de) hem (vijf) tegemoetkomende personenauto's, waardoor

[slachtoffer 1] (bestuurder personenauto van het merk Volkswagen) zwaar lichamelijk letsel (te weten een zware hersenschudding, een gescheurde milt, een klaplong, een gescheurde heup, gebroken bekken en van een aantal van haar rugwervels zijn enkele uitsteeksels afgebroken) werd toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,en/of

[slachtoffer 2] (bestuurder personenauto van het merk Suzuki) zwaar lichamelijk letsel (te weten twee gebroken rugwervels, een zwaar gekneusde borstkas en twee snijwonden in haar liezen) werd toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en/of

[slachtoffer 3] (bestuurder personenauto, merk het merk BMW) zwaar lichamelijk letsel (te weten gekneusde ribben) werd toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 24 oktober 2014, te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende en/of heeft gereden op de weg, de Vreelandseweg, welke weg bestaat uit één rijbaan met twee rijstroken voor verkeer in tegengestelde richting, gescheiden door een dubbele onderbroken witte asstreep,

(terwijl verdachte onder invloed verkeerde van een stof(fen) die de rijvaardigheid kan/kunnen verminderen en/of beïnvloeden, te weten cocaïne en/of benzodiazepinen) geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers heeft/is hij in strijd met het bord F1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een voor hem, verdachte,

rijdend voertuig (personenauto)) gaan inhalen,

en/of

(vervolgens) op een rijstrook van die genoemde Vreelandseweg die bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer, is gaan rijden en blijven rijden en/of aldus tegen het verkeer/de rijrichting in is gaan en/of blijven rijden (zogenaamd spookrijden),

en/of

waarbij het over die weghelft/rijbaan rijdend(e) (tegemoetkomend) verkeer (één of meerdere personenauto('s) (sterk en/of hard) moesten (af)remmen en/of uitwijken, teneinde een aanrijding met de personenauto van hem, verdachte, te voorkomen, tengevolge waarvan een aanrijding is ontstaan tussen de door hem bestuurde personenauto en de hem tegemoetkomende personenauto's, waarbij (zwaar lichamelijk) letsel aan personen (te weten [slachtoffer 1] , geboren op [1977] en/of [slachtoffer 2] , geboren op [1979] en/of [slachtoffer 3] , geboren op [1965] ) is ontstaan en/of schade aan goederen is toegebracht, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 24 oktober 2014 te gemeente Wijdemeren als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een andere in artikel 8, eerste lid van genoemde wet bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeerde, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0900-2014302961 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aanrijding, pagina 2.

3 Proces-verbaal van aanrijding, pagina 3.

4 Proces-verbaal van aanrijding, pagina 4.

5 Proces-verbaal van aanrijding, pagina 5.

6 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 16.

7 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 55.

8 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 55.

9 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 21 en pagina 56.

10 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, pagina 57.

11 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting 9 februari 2016.

12 Proces-verbaal van verhoor betrokkene, pagina 109.

13 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een afschrift van een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 1] , pagina 117.

14 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 119.

15 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 120.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 121

17 Proces-verbaal verhoor betrokkene, pagina 123.

18 Proces-verbaal verhoor betrokkene, pagina 124.

19 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een afschrift van een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 3] , pagina 128.

20 Proces-verbaal verhoor betrokkene, pagina 129.

21 Proces-verbaal verhoor betrokkene, pagina 10.

22 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een afschrift van een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 2] , pagina 134.

23 Proces-verbaal van verhoor betrokkene, pagina 141.