Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:906

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
16/661432-14 en 16/002203-14 (gev.ttz.)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor bedreiging. Veroordeling voor poging tot doodslag. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het voorwaardelijk opzet op de dood van aangever had. Taakstraf 240 uren; gevangenisstraf 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/661432-14 en 16/002203-14 (gev.ttz.) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 februari 2016.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1983] ,

wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] , [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. H.P. Verheyen, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16/002203-14 :

op 14 juli 2013 te Utrecht [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht;

16/661432-14 :

op 25 april 2014 te Utrecht heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel heeft mishandeld.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat het ten laste gelegde feit onder parketnummer 16/002203-14 en het primair ten laste gelegde feit onder parketnummer 16/6611432-14 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/661432-14 primair ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie betoogd dat verdachte het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het onder parketnummer 16/002203-14 ten laste gelegde feit omdat, aldus de verdediging, gelet op alle feiten en omstandigheden de bedreiging louter is geroepen ter verdediging en in de hoop dat hij, verdachte, [slachtoffer] ertoe zou kunnen brengen om niet de portiekflat in te gaan.

Met betrekking tot het ten laste gelegde onder parketnummer 16/661432-14 heeft de verdediging betoogd dat het dossier geen eenduidige verklaringen bevat waaruit blijkt op welk lichaamsdeel [slachtoffer] is geraakt door de nummertjespaal, en dat het de vraag is of verdachte het hoofd van [slachtoffer] wel kon raken gelet op de positie van [slachtoffer] ten tijde van het zwaaien met de nummertjespaal. De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak 16/002203-14

Voor een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij - voor zover hier van belang - het slachtoffer zou kunnen worden van enig misdrijf tegen het leven gericht of van zware mishandeling.

De rechtbank is, gelet op de omstandigheden van het geval, van oordeel dat verdachte een opmerking heeft gemaakt met een in voorwaardelijke zin bedreigend karakter. Door het optreden van [slachtoffer] had verdachte de vrees dat [slachtoffer] zich via de portiekdeur de toegang wilde verschaffen tot het centrale trappenhuis en zodoende tot de voordeur van de woning van verdachte kon geraken. Met de bedoeling om [slachtoffer] ervan te weerhouden zich de toegang tot het portiek te verschaffen, heeft verdachte vanaf het balkon van zijn woning de gewraakte woorden “Als je een stap in de flat zet sla ik je kop in met een ijzeren buis” of woorden van gelijke strekking, geroepen. Op dat moment stond [slachtoffer] nog buiten het portiek op geruime afstand van verdachte en was er geen situatie ontstaan waarin verdachte zijn dreigementen ten uitvoer zou brengen. Onder deze omstandigheden kon er op dat moment naar het oordeel van de rechtbank bij [slachtoffer] in redelijkheid geen vrees zijn ontstaan dat hij het slachtoffer zou kunnen worden van een misdrijf. Daarom is in het onderhavige geval geen sprake geweest van bedreiging. Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde.

Bewijsmiddelen 16/661432-14

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 26 april 2014 heeft [slachtoffer] aangifte2 gedaan van een poging doodslag. Daarbij heeft aangever verklaard dat hij zich op 25 april 2014 in apotheek [naam apotheek] aan de [straatnaam] te Utrecht bevond, dat hij zag dat verdachte in de apotheek stond, dat hij nadat hij zijn medicatie had gekregen de apotheek uit wilde lopen, dat hij kort voordat hij een klap kreeg iets in zijn ooghoek heeft zien aankomen, maar dat hij vanaf het moment van de klap niets meer weet omdat hij het bewustzijn heeft verloren.

Uit de geneeskundige verklaring3 van 28 april 2014 komt naar voren dat aangever een zwelling op de rechterzijde van zijn gelaat had, dat er sprake was van inwendig bloedverlies namelijk een epiduraal hematoom, en van bewustzijnsverlies in de acute fase. De geschatte duur van de genezing zal, aldus de verklaring, weken tot maanden duren.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard4 dat zij op vrijdag 25 april 2014 werkzaam was in de apotheek, dat zij twee mannen luid tegen elkaar hoorde praten, dat man 1 bij de ingang stond en man 2 iets verder in de hal op ongeveer een meter afstand stond, dat man 1 ineens richting het nummertrek-apparaat liep, het apparaat optilde en in versnelde pas naar man 2 liep waarbij man 1 de stang van het apparaat vasthield en de voet daarvan omhoog hield. Getuige [getuige 1] zag dat man 1 met veel kracht een slaande beweging maakte richting man 2, zag dat man 2 werd geraakt tegen de rechterzijde van zijn gezicht, en zag dat man 2 meteen in elkaar zakte.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard5 dat zij zag dat verdachte met kracht de voet van het bonnetjesapparaat op het hoofd van aangever sloeg en dat zij aan de zwelling in het gezicht van aangever zag dat aangever in zijn gezicht was geraakt.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft het nummerapparaat als volgt omschreven6. Het apparaat is geheel van staal en in de kleur zwart. De onderzijde is een ronde stalen plaat van een diameter van ongeveer 40 centimeter en daarop twee verticale stalen buizen ter hoogte van ongeveer 1,40 meter. Aan het eind van de buizen is een roodkleurig nummerapparaat bevestigd. Volgens verbalisant [verbalisant 2] had het nummerapparaat een metalen holle voet7.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het nummerapparaat heeft opgepakt en dat hij met een zwiepende beweging aangever heeft geslagen.8

Bewijsoverwegingen 16/661432-14

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever.

Van voorwaardelijk opzet op de dood is sprake als uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen aangever zou komen te overlijden. De vraag of sprake is geweest van een ‘aanmerkelijke kans’ hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de aard van de handeling en de omstandigheden waaronder deze handeling is verricht. Niet alleen is vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van zijn gedraging bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicatie - niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte met kracht met de stalen/metalen voet van een zogenoemd nummerapparaat tegen het hoofd van aangever heeft geslagen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar en uiterst vitaal deel is van het menselijk lichaam. Eén harde slag tegen het hoofd kan al tot de dood leiden.

Het is ook een feit van algemene bekendheid dat de voet van een nummerapparaat verzwaard is om te voorkomen dat het apparaat omvalt als er volgnummers worden getrokken.

Bij een krachtige zwieper met een stalen/metalen voet van een nummerapparaat tegen het hoofd acht de rechtbank dan ook de aanmerkelijke kans aanwezig dat het slachtoffer dodelijk wordt getroffen. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte zozeer is gericht op het toebrengen van fataal letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever heeft aanvaard. Onder deze omstandigheden en gezien de aard van de gedraging is dan ook voldaan aan het vereiste van het voorwaardelijk opzet op de dood.

De rechtbank acht het verweer van de verdediging dat niet duidelijk is op welk lichaamsdeel aangever met de voet van het nummerapparaat is geraakt en dat het de vraag is of verdachte het hoofd van aangever wel kon raken, weerlegd door bovengenoemde bewijsmiddelen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 25 april 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met kracht met een ijzeren/metalen statief/buis (voet van een zgn. nummerapparaat), in elk geval met een hard voorwerp, op/tegen het gezicht, althans op/tegen hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

poging tot doodslag

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gelet op het door de verdediging ingenomen standpunt over de bewezenverklaring, betoogd dat kan worden volstaan met een werkstraf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van geweld, dat heeft plaatsgevonden in een openbare ruimte. Verdachte heeft het slachtoffer met een metalen/stalen voorwerp tegen het hoofd geslagen en daarbij voor lief genomen dat het slachtoffer zou overlijden. Het slachtoffer heeft aanzienlijk letsel opgelopen, heeft aanvankelijk erge last van hoofdpijn gehad en heeft nog concentratieproblemen, zo blijkt uit de slachtofferverklaring.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 december 2015. Gelet op de ouderdom van de vermelde veroordelingen en de hiervoor onder 4 genoemde vrijspraak voor de ten laste gelegde bedreiging van 14 juli 2013, beschouwt de rechtbank verdachte als een zogenoemde ‘first offender’.

In het reclasseringsadvies van 12 januari 2016 wordt vermeld dat verdachte zich in 2014 in een vrijwillig kader heeft laten behandelen bij De Waag, welke behandeling onder meer was gericht op agressieproblematiek. De Waag acht verdere behandeling gericht tegen agressie niet nodig.

Voorts weegt de rechtbank mee dat het bewezen geachte feit inmiddels bijna twee jaar geleden heeft plaatsgevonden.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat oplegging van een straf als hierna opgenomen, passend en geboden is.

De rechtbank komt tot een andere en lagere straf dan door de officier van justitie is geëist omdat zij tot een andere bewezenverklaring is gekomen en omdat zij in meerdere mate rekening wil houden met de omstandigheid dat sprake is van een oud feit.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van [slachtoffer] strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het bewezen geachte feit, te weten een totaalbedrag van € 7.521,24, waarvan € 6.000,00 ter zake van immateriële schade en € 1.521,24 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de executiekosten en de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen.

De verdediging heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren althans af te wijzen. Daarbij heeft de verdediging betoogd dat de door de benadeelde partij opgevoerde kosten en schade - kort gezegd - onvoldoende zijn onderbouwd.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 1.019,95 (duizendennegentien euro en vijfennegentig eurocenten), te weten € 19,95 aan materiële schade (kapot shirt) en € 1.000,00 aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2014.

De rechtbank acht de benadeelde partij voor het overige van de gevorderde materiële en immateriële schade niet-ontvankelijk, omdat die schade onvoldoende is onderbouwd, en de behandeling van dit restant van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan het restant van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van hetgeen hem onder parketnummer 16/002203-14 is ten laste gelegd;

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 16/661432-14 primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot doodslag;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 (tweehonderdenveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderd en twintig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren, en bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

Benadeelde partij [slachtoffer] (parketnummer 16/661432-14)

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.019,95 (zegge duizendennegentien euro en vijfennegentig eurocenten);

- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, vermeerderd met de wettelijke rente berekend van 25 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] , € 1.019,95 (zegge duizendennegentien euro en vijfennegentig eurocenten) aan de Staat te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

- bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere betalingsverplichting is vervallen;

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. Frieling, voorzitter,

mrs. A. van Maanen en G.D. Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 februari 2016.

Mr. Kleijne is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

16/002203-14

hij op of omstreeks 14 juli 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: ,Als je een stap in de flat zet sla ik je kop in met een ijzeren buis', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of heeft verdachte (daarbij) dreigend een (ijzeren) stofzuigerstang getoond/vastgehouden;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

16/661431-14

Primair

hij op of omstreeks 25 april 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met kracht met een ijzeren/metalen statief/buis (voet van een zgn. nummerapparaat), in elk geval met een hard voorwerp, op/tegen het gezicht, althans op/tegen hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 25 april 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht met een ijzeren/metalen statief/buis (voet van een zgn. nummerapparaat), in elk geval met een hard voorwerp, op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 25 april 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (met kracht) met een ijzeren/metalen statief/buis (voet van een zgn. nummerapparaat), in elk geval met een hard voorwerp, op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier PL0900-2014097224 (pv voorgeleiding) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering van pagina 1 tot en met 62. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 26 april 2014, pagina 30-32

3 De geneeskundige verklaring d.d. 28 april 2014, pagina 40.

4 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 25 april 2014, pagina 18-19, in het bijzonder pagina 19.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 27 april 2014, pagina 41-44, in het bijzonder pagina 42, 5de alinea.

6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2014 met bijlagen, pagina 8-12, in het bijzonder pagina 9 onderste alinea, alsmede pagina 11-12 (foto’s).

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2014, pagina 5-7, in het bijzonder pagina 6, 2de alinea.

8 Het proces-verbaal van de zitting van 8 februari 2016.