Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:854

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
4703611 UE VERZ 15-621
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van werkgever vanwege verstoring van de arbeidsverhouding met werknemer. Toekenning van transitievergoeding en billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0196 met annotatie van S.S.M. Peters
AR 2016/526
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4703611 UE VERZ 15-621 GLK/1126

Beschikking van 18 februari 2016

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Infrastructure Services & Projects B.V., handelend onder de naam SPIE-ICS,

gevestigd te Houten,

verder ook te noemen SPIE-ICS,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. R.P. Gasseling,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. S.I. Janssen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de akte overlegging producties van 25 januari 2016 van [verweerder] ;

  • -

    de akte overlegging producties van 27 januari 2016 van SPIE-ICS;

  • -

    de pleitnota van SPIE-ICS;

  • -

    de pleitnota van [verweerder] ;

  • -

    de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 28 januari 2016.

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen is eerder geprocedeerd. Op 25 juni 2015 heeft [verweerder] een verzoek strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend op grond van een verstoorde arbeidsrelatie. In de beschikking op dit ontbindingsverzoek van 31 augustus 2015 zijn de onder 2.2 tot en met 2.12 opgenomen feiten vastgesteld.

2.2.

[verweerder] , geboren op [1965] , is op 1 januari 1997 in dienst getreden van een rechtsvoorganger van SPIE-ICS, te weten PTT Telecom B.V. (het latere KPN). Begonnen als monteur, is [verweerder] in de loop der jaren doorgegroeid naar leidinggevende functies in het management op het niveau van ‘Field Manager’. Zo heeft hij vanaf 1 januari 2009 de functie van Manager Detachering Zuid West (bij KPN Detachering) vervuld. Laatstelijk, vanaf 1 januari 2012, was hij werkzaam als Detachering Unit Manager Interim Beheer 2 (hierna: DU-manager) bij de business unit Telecom Management (TM) van SPIE-ICS. Het laatstgenoten salaris bedraagt € 3.959,74 bruto per maand. Dit loon wordt maandelijks aangevuld met een ‘CAO-budget’ van € 491,01 bruto. In dat bedrag is mede de vakantiebijslag (van 8%) begrepen. SPIE-ICS heeft in de vier afgelopen jaren aan [verweerder] gemiddeld een bonus van € 639,17 bruto per jaar toegekend.

2.3.

[verweerder] heeft de bedongen arbeid steeds naar behoren verricht. Als Manager Detachering Zuid West bij KPN is zijn functioneren als ‘goed’ (2009), ‘goed (voldoet aan de vereisten; heeft taak voor 100% vervuld)’ (2010) en ‘zeer goed (overtreft de vereisten meestal; boven verwachting, levert zeer goede bijdrage)’ (2011) beoordeeld. In zijn functie van DU-manager heeft de heer [A] , die tot 1 januari 2015 zijn leidinggevende was, het functioneren van [verweerder] als ‘goed (voldoet aan de vereisten; heeft taak voor 100% vervuld)’ (2012 en 2013) en (over 2014) hem als ‘voldoende competent’ beoordeeld. Met zijn functioneren over 2014 oogstte [verweerder] niet louter waardering; het leidde ook tot enkele kritische kanttekeningen van de zijde van [A] in het beoordelingsgesprek van 5 december 2014: ‘Van [voornaam van verweerder] ( [verweerder] , ktr.) verwachtte ik een voortrekkersrol. Deze is deels ten uitvoer gebracht (-)’; De leegloop had wellicht nog fanatieker gemanaged kunnen worden (-); Ondanks diverse keren dat het onderwerp ICT detachering in bila’s aan de orde is geweest, is er nooit een concreet pva gekomen. Dit was wel de basis voor een deel van het jaarplan. Echt een gemiste kans (-).’

2.4.

In of omstreeks december 2014 heeft [verweerder] zich in verband met de verwachte personeelsinkrimping binnen Telecom Management georiënteerd op en, na een eerste kennismakingsgesprek medio januari 2015, gesolliciteerd naar de vacature van Field Manager bij de business unit Cabling Solutions, een ander onderdeel van SPIE-ICS. Hij kon daar met behoud van zijn arbeidsvoorwaarden aan de slag. Daarvan heeft hij medio februari 2015 afgezien, omdat de manager van dat onderdeel hem afwijzend leek te staan tegenover oud-KPN-ers en omdat hem de functie zowel naar inhoud als uitdaging als een stap terug voorkwam.

2.5.

Met ingang van 1 januari 2015 is mevrouw [B] , sinds eind 2012 werkzaam voor SPIE-ICS, gepromoveerd tot Director Telecom Management. Als opvolgster van [A] geeft zij sindsdien leiding aan de managers van de business unit Telecom Management. Vanaf begin 2015 heeft zij met hen, onder wie [verweerder] , maandelijkse gesprekken gevoerd. Deze zogenoemde ‘bilaterale gesprekken’ tussen [B] en [verweerder] vonden plaats op 5 januari, 18 februari en 23 maart 2015. In de verslagen die [B] van deze gesprekken heeft gemaakt en aan [verweerder] heeft gemaild, staan de ‘doelen en ambities’ (omzettarget en af te leggen klantbezoeken) die [B] voor [verweerder] opstelde. Ook omschreef zij de ‘acties voor de komende periode’ (onder meer inzage verstrekken in ziekteverzuim, tijdig zorgdragen voor inkooporders en controleren van cv’s ter voorkoming van ‘leegloop’). Met [verweerder] werd afgesproken dat hij voor zijn team (van 12 medewerkers) een plan zou maken hoe de doelstellingen voor 2015 konden worden gerealiseerd. In het gesprek van 5 januari 2015 heeft [B] [verweerder] aangesproken op ‘zijn negatieve uitstraling tijdens het MT.’ Hij ontkende dat onvoldoende constructief te zijn. Uit [B] ’s verslag van het gesprek van 18 februari 2015: ‘Op mijn vraag aan [voornaam van verweerder] , hoe [voornaam van verweerder] zijn functie als manager ziet legt [voornaam van verweerder] herhaaldelijk de bal terug bij mij. Ook geeft [voornaam van verweerder] aan kaders nodig te hebben om zijn functie te kunnen vervullen. Van een DU manager (op schaal 10) verwacht ik dat hij zelf bepaal(t) hoe hij zijn functie invult en welke kaders hij bepaal(t). Samen dienen we de koers te bespreken en eventueel bij te sturen! Concreet [voornaam van verweerder] heeft moeite met het zetten/bepalen van zijn kaders en invulling van zijn functie. (-) Als afsluiting van deze bilat geeft [voornaam van verweerder] aan dat [voornaam van verweerder] content is met het feit dat hij nu duidelijkheid heeft m.b.t. zijn kaders. Deze kaders heb ik nogmaals duidelijk besproken en op het (white)bord verduidelijkt!’ In het gesprek van 23 maart 2014 heeft [B] er bij [verweerder] nogmaals op aangedrongen dat hij eerder geformuleerde ‘acties’ waaraan nog geen uitvoering was gegeven in gang zou zetten.

2.6.

In februari en april 2015 heeft [verweerder] , in verband met de (dreigende) verslechtering van zijn verhouding met [B] en omdat hij ook privé, vanwege de ziekte van het kind van zijn partner, een moeilijke tijd doormaakte, preventief contact gezocht met zowel de verzuimcoach van SPIE-ICS, de heer [C] als met zijn HR-consulent, mevrouw [D] . Met beiden heeft [verweerder] zijn privésituatie en zijn zorgen over de werkrelatie met [B] besproken. Omdat hij de sfeer in zijn contact met [B] wilde normaliseren heeft [verweerder] tevens, op 10 april 2015 tijdens een management-trainingdag, mevrouw [E] (een externe coach, verbonden aan een training- en coachingbureau, dat door SPIE-ICS pleegt te worden ingeschakeld) benaderd met het verzoek hem daarin te begeleiden. Zij was daartoe bereid, maar verlangde goedkeuring van zijn leidinggevende. Eind april 2015 was er nog geen fiat van [B] (zij was van 23 april tot 11 mei 2015 met vakantie). De coaching is niet van de grond gekomen.

2.7.

SPIE-ICS heeft besloten dat met ingang van 1 april 2015 nog slechts zeven (van de 12) TM-managers aan het reguliere managementteamoverleg deelnamen. [verweerder] behoorde niet tot die zeven; voor de afdeling Interim Beheer woonde zijn collega [F] de MT-vergaderingen bij. Ter gelegenheid van de MT-vergadering van 2 april 2015 hebben vijf collega-managers van [verweerder] (de heren [F] , [G] , [H] , [I] en [J] ) het vertrouwen in verdere samenwerking met hem opgezegd. Zij benadrukten de persisterende negatieve houding van [verweerder] en zijn weerstand tegen de (door [B] ) doorgevoerde veranderingen.

2.8.

Op 29 april 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen enerzijds [verweerder] en anderzijds (namens SPIE-ICS) de heer [K] (HR-manager) en mevrouw [D] (HR-consulent). Aan [verweerder] is in dat gesprek meegedeeld dat SPIE-ICS (in de persoon van [B] , voordat zij met vakantie was gegaan) had besloten hem van zijn functie te ontheffen. Bij brief van 30 april 2015, waarin dit schriftelijk aan [verweerder] is bevestigd, heeft mevrouw [D] onder meer geschreven: ‘Op 2 april 2015 is in het MT van Telecom Management aangegeven door de managers dat zij geen vertrouwen meer hebben in een samenwerking met jou. De reden hiervoor was dat jij negatief bleef en dat je elke keer terug valt in herhaling over situaties die in het verleden zijn voorgevallen. Ook spreek je je negatief uit over je leidinggevende en je directe collega tegenover de andere collega’s, die ook met hen moeten samenwerken. (-) In het MT van 20 april 2015 is door de managers nogmaals aangegeven dat er geen vertrouwen meer is in een positieve samenwerking. (-) Tijdens het gesprek op 29 april 2015 heb jij bij [voornaam van K] ( [K] , ktr.) aan kunnen geven hoe jij tegen de ontstane situatie aankijkt. De conclusie van [voornaam van K] en mij is dat er een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan de afgelopen periode tussen jou en de collega managers. Hiertoe is besloten om jou per 30 april 2015 vrij te stellen van werk. (-) [voornaam van K] en ik zullen binnen SPIE Nederland BV kijken naar andere mogelijkheden voor jou. Graag ontvangen wij daarvoor uiterlijk 4 mei 2015 je CV. Wordt er voor 15 mei 2015 geen andere beschikbare vacature gevonden, dan zal er een voorstel tot ontbinding van het contract worden gedaan.’ [verweerder] heeft zich bereid verklaard de bedongen arbeid te blijven verrichten. Van zijn diensten heeft SPIE-ICS geen gebruik meer gemaakt.

2.9.

Op 1 mei 2015 heeft mevrouw [D] [verweerder] geattendeerd op de vacature voor de functie van Directeur Business Development. Daarop heeft [verweerder] niet gereageerd. Toen [verweerder] medio juni 2015 hiernaar liet informeren, bleek de vacature reeds per 1 mei 2015 vervuld.

2.10.

Op 6 mei 2015 heeft de raadsvrouw van [verweerder] diens standpunt aan SPIE-ICS uiteengezet, melding gemaakt van een ‘angstcultuur’, een ‘verdeel & heers cultuur’, een ‘ramkoers’ en de ‘vooropgezette strategie om cliënt na een dienstverband van 18 jaren er uit te werken’, alsmede SPIE-ICS de keuze voorgehouden om [verweerder] ofwel weer tot zijn werk toe te laten, ofwel een reëel voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te doen.

2.11.

In de maand mei hebben partijen geprobeerd een minnelijke regeling tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te treffen. Dat is niet gelukt, omdat geen overeenstemming kon worden bereikt over de hoogte van de beëindigingsvergoeding.

2.12.

In juni 2015 heeft SPIE-ICS [verweerder] in de gelegenheid gesteld alsnog de functie van Fieldmanager Cabling Solutions te aanvaarden. Hij heeft dat niet gedaan. Ook heeft SPIE-ICS alsnog te kennen gegeven open te staan voor het volgen van een verbeter- of begeleidingstraject. Ook dat was toen voor [verweerder] , na (onder meer) het eerdere uitblijven van een reactie op het verzoek om begeleiding door mevrouw [E] , de op non-actiefstelling van 29 april 2015 en de vergeefse onderhandelingen over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, ongeloofwaardig en een gepasseerd station.

2.13.

Bij beschikking van 31 augustus 2015 heeft de kantonrechter op verzoek van [verweerder] de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2015 op grond van een verstoorde arbeidsverhouding ontbonden, onder toekenning aan hem van een ten laste van SPIE-ICS komende vergoeding ad € 74.000,- bruto (c=0,8).

2.14.

Bij die beschikking heeft de kantonrechter onder meer het volgende overwogen:

5.6

Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, ontstaat wél de indruk dat

[B] (met ingang van 1 januari 2015 de leidinggevende van [verweerder] , ktr.) zich na haar aantreden niet steeds voldoende rekenschap heeft gegeven van de positie die [verweerder] gedurende een lang en onberispelijk dienstverband binnen SPIE-ICS had verworven. Het moge zo zijn dat in de werkhouding van [verweerder] in de loop van 2014 een wijziging was opgetreden (…), maar daaruit heeft [B] (…) in een opmerkelijk korte tijd geconcludeerd dat hij niet voldoende functioneerde en dat daarin ook geen verbetering meer zou kunnen worden gebracht. (…) Deze opstelling kan [verweerder] echter toch ook weer niet al te zwaar worden aangerekend, gezien de privé omstandigheden die hem in deze periode parten speelden. Hij heeft overtuigend naar voren gebracht dat hij voor zijn privésituatie in de organisatie aandacht heeft gevraagd. Die kennis wordt SPIE-ICS, in de persoon van [B] , toegerekend. Voor de privéproblemen van [verweerder] heeft zij te weinig oog gehad.

5.7

In de geschetste omstandigheden had het op de weg van [B] gelegen om [verweerder] in voldoende mate in de gelegenheid te stellen zijn functioneren te verbeteren en hem in dat kader de individuele (externe) hulp en begeleiding te bieden die hij daarbij nodig mocht blijken te hebben. Bij een dienstverband van 18 jaren behoort niet in enkele maanden tijd een afscheid gerealiseerd te worden op gronden die daarvoor niet of nauwelijks aan de orde zijn geweest. Begeleiding is achterwege gebleven en daarvan is het ook niet meer gekomen toen de verhouding tussen [verweerder] en een aantal van zijn collega-managers begin april 2015 op scherp kwam te staan.

5.8

Ook bij de beheersing van de situatie die op 2 april 2015 ontstond toen vijf managers te kennen gaven geen vertrouwen meer te hebben in de samenwerking met [verweerder] heeft [B] ten onrechte eenzijdig ingezet op het neerleggen door [verweerder] van zijn functie van DU-manager. Mede gezien de jarenlange goede staat van dienst van [verweerder] mocht van SPIE-ICS als goed werkgeefster worden verlangd dat een de-escalatie en een herstel van werkbare verhoudingen zou worden beproefd, zo nodig door het inschakelen van een externe bemiddelaar of mediator. Ten onrechte heeft [B] ermee volstaan de betreffende vijf managers te vragen zelf het gesprek met [verweerder] aan te gaan. Zij had zelf de regie dienen te nemen. Bepaald te snel heeft [B] de conclusie getrokken dat geen sprake was van een tijdelijke ‘dip’ in de collegiale verstandhouding en dat de vertrouwensbreuk niet meer kon worden hersteld. Daarbij zijn ook de moeilijke privé omstandigheden van [verweerder] niet kenbaar betrokken. (…) actie die [verweerder] vanaf februari 2015 heeft ondernomen door contact te zoeken met verzuimcoach [C] , HR-consulent [D] en de externe coach [E] . Door hen te benaderen voor steun heeft [verweerder] blijk gegeven van de wens en bereidheid om zich in te zetten voor normalisering van de werkrelaties. Hoe intrinsiek die wens en bereidheid waren, had in een bemiddelingstraject kunnen worden geëxploreerd, maar deze mochten door SPIE-ICS niet op voorhand worden betwijfeld.

5.9

Ook de andere, in dit geding aangevoerde redenen voor het achterwege laten van een bemiddelingspoging kunnen deze beslissing niet dragen. Dat voor de business unit Telecom Management een reorganisatie op stapel staat, mocht daaraan niet in de weg staan. Over de aard en omvang van die reorganisatie heeft SPIE-ICS zich ook in dit geding niet nader uitgelaten, terwijl op voorhand niet aannemelijk is dat [verweerder] met zijn leeftijd en dienstverband bij juiste toepassing van het afspiegelingsbeginsel het veld zou moeten ruimen. Zo dat al het geval mocht zijn, had hij toch in elk geval kunnen profiteren van de flankerende maatregelen bij die reorganisatie. Ook het feit dat [verweerder] al doende was te solliciteren naar ander werk en de omstandigheid dat hij er in februari 2015 niet voor had gekozen om de functie van Fieldmanager bij Cabling Solutions te aanvaarden, mochten SPIE-ICS er redelijkerwijs niet van weerhouden te trachten de vertrouwensbreuk te helen. Overigens had SPIE-ICS er in dit stadium ook voor kunnen opteren om [verweerder] de functie van Fieldmanager Cabling Solutions nadrukkelijk aan te bieden en hem daarbij te wijzen op de inmiddels ontstane samenwerkingsmoeilijkheden en de mogelijk daaraan te verbinden gevolgen. Door dit na te laten heeft [verweerder] de door SPIE-ICS gevoelde ernst van de situatie niet in zijn eigen afwegingen kunnen betrekken.

2.15.

Op 31 augustus 2015 heeft SPIE-ICS het UWV om toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] – en een kleine zestig andere werknemers – op te zeggen om bedrijfseconomische redenen.

2.16.

Begin september 2015 heeft [verweerder] het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (tijdig) ingetrokken.

2.17.

Bij besluit van 25 november 2015 heeft het UWV de toestemming geweigerd om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] – en met de andere werknemers – op te zeggen.

2.18.

Op 30 november 2015 heeft [verweerder] op uitnodiging van de vakbond en collega’s een door hen georganiseerde bijeenkomst bijgewoond op het kantoor van SPIE-ICS in Apeldoorn. Tijdens deze bijeenkomst zijn de gevolgen van het besluit van het UWV van 25 november 2015 besproken.

3 Het geschil

3.1.

SPIE-ICS verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] , primair per een zo vroeg mogelijke datum en subsidiair met inachtneming van de toepasselijke opzegtermijn verminderd met de proceduretijd, zonder toekenning van een transitievergoeding en met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

3.2.

SPIE-ICS legt aan haar verzoek ten grondslag dat zich een redelijke grond voordoet als bedoeld in artikel 7:669 lid 1 in samenhang met lid 3 aanhef en onder g van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), inhoudende dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. SPIE-ICS stelt voorts dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] , zodat zij verzoekt om ontbinding per een zo vroeg mogelijke datum. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] , stelt SPIE-ICS dat zij voorts geen transitievergoeding aan hem is verschuldigd.

3.3.

De redelijke grond baseert SPIE-ICS op het feitelijk gegeven dat in de eerder op verzoek van [verweerder] gevoerde procedure door de kantonrechter de aanwezigheid van een verstoorde relatie is onderkend en dat uit niets blijkt dat [verweerder] hierover anders is gaan denken.

3.4.

Ter onderbouwing van haar standpunt dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld stelt SPIE-ICS – naar de kantonrechter begrijpt – dat [verweerder] enkel uit was op financieel gewin. Het feit dat hij zijn ontbindingsverzoek na voornoemde beschikking heeft ingetrokken valt slecht te rijmen met zijn stelling in die procedure dat sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding en zijn resolute afwijzing van de hem aangeboden functie van Fieldmanager/Projectleider bij Cabling Solutions. Blijkbaar vond [verweerder] de ontbindingsvergoeding zoals de kantonrechter die bij voornoemde beschikking had vastgesteld niet hoog genoeg, want nadat hij zijn ontbindingsverzoek had ingetrokken deed hij voorstellen die hem financieel meer zouden brengen dan de door de kantonrechter vastgestelde ontbindingsvergoeding. Deze voorstellen waren voor SPIE-ICS niet aanvaardbaar, te meer omdat zij [verweerder] de mogelijkheid had geboden om een andere functie te gaan uitoefenen, welke mogelijkheid hij steeds heeft verworpen. Toen [verweerder] begin september 2015 plotseling liet weten de functie bij Cabling Solutions wél te accepteren waren de bij deze functie behorende taken echter al toebedeeld aan andere medewerkers. Daarnaast stelt SPIE-ICS dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verweerder] , omdat hij op 30 november 2015 zonder voorafgaande toestemming het kantoor van SPIE-ICS in Apeldoorn heeft bezocht. Dit terwijl SPIE-ICS met [verweerder] had afgesproken dat hij alleen welkom was op een kantoorlocatie als dit voorafgaand met haar zou worden besproken. [verweerder] had geen bezwaar gemaakt tegen deze afspraak. Zijn bezoek is volgens SPIE-ICS te meer onaanvaardbaar, omdat de bespreking die [verweerder] heeft bezocht geen activiteiten van SPIE-ICS betrof. De bijeenkomst was juist tegen SPIE-ICS gericht, in ieder geval tegen [B] .

3.5.

[verweerder] concludeert tot:
primair: afwijzing van het verzoek;

subsidiair:

I. ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding die in ernstige mate aan SPIE-ICS te verwijten is en met inachtneming van de opzegtermijn, althans per een datum die de kantonrechter juist acht;

II. onder toekenning van een transitievergoeding aan hem ter hoogte van € 39.823,41 bruto, uit te betalen door SPIE-ICS op een door hem nog nader aan te geven – fiscaal acceptabele en binnen de wet gelegen – wijze;

III. onder toekenning van een billijke vergoeding aan hem ter hoogte van € 66.265,47 bruto, uit te betalen door SPIE-ICS op een door hem nog nader aan te geven – fiscaal acceptabele en binnen de wet gelegen – wijze;

primair en subsidiair:

  1. met veroordeling van SPIE-ICS om aan hem te verstrekken de salarisspecificaties vanaf 12 oktober 2015, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag, althans een door de kantonrechter te bepalen dwangsom per dag, met een maximum van € 10.000,- voor elke dag na twee dagen na de datum van de beschikking dat SPIE-ICS niet voldoet aan de beschikking;

  2. met veroordeling van SPIE-ICS in de reële kosten van deze procedure, daaronder ook begrepen het salaris van de gemachtigde (€ 8.500,- exclusief btw);

  3. de onder II, III, A en B gevorderde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de voldoening;

  4. een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking.

3.6.

[verweerder] betwist dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 1 in samenhang met lid 3 BW. Daarnaast betwist hij dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan zijn zijnde. De reden dat hij zijn ontbindingsverzoek na de beschikking van 31 augustus 2015 heeft ingetrokken is gelegen in de omstandigheid dat deze beschikking hem geen garantie gaf op een WW-uitkering. [verweerder] voert aan dat juist sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van SPIE-ICS. Volgens hem heeft SPIE-ICS hem ten onrechte op non-actief gesteld en is zij als geoordeeld wordt dat sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk, daarvoor als enige verantwoordelijk. Daarnaast was het op de zitting van 24 augustus 2015 door SPIE-ICS gedane aanbod voor de functie van Fieldmanager/ Projectleider bij Cabling Solutions slechts een aanbod “voor de bühne”, want toen hij op 1 september 2015 liet weten alsnog op dit aanbod te willen ingaan, liet SPIE-ICS hem weten dat dit niet meer mogelijk was. Gezien het voorgaande dient SPIE-ICS hem een billijke vergoeding te betalen.

4 De beoordeling

Ontbinding

4.1.

Artikel 7:671b lid 1 BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst kan ontbinden indien daar – kort gezegd – een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 BW voor is. Naast deze redelijke grond dient op grond van artikel 7:669 lid 1 BW herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk te zijn of niet in de rede te liggen. De kantonrechter dient een en ander te onderzoeken aan de hand van artikel 7:671b lid 2 BW.

4.2.

Van opzegverboden zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW is ten aanzien van het onderhavige verzoek niet gebleken.

4.3.

Artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW bepaalt dat onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 wordt verstaan een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.4.

Tussen partijen is in geschil of sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen hen. Tijdens de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 31 augustus 2015 stelde ook [verweerder] zich op het standpunt dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen hem en SPIE-ICS. De kantonrechter heeft de verstoorde arbeidsverhouding in die beschikking onderkend en geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst om die reden ontbonden kon worden. Niet is gebleken dat er zich in de periode daarna iets heeft voorgedaan waardoor van een verstoring thans geen sprake meer is. [verweerder] heeft op dit punt ook niets aangevoerd. SPIE-ICS heeft gemotiveerd aangegeven dat de verstoring nog steeds bestaat. SPIE-ICS kan daarom gevolgd worden in haar stelling dat van een verstoorde relatie in de zin van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW sprake is.

4.5.

Tijdens (en voor) de vorige procedure is er gesproken over herplaatsing van [verweerder] in de functie van Fieldmanager/Projectleider bij de bedrijfsvestiging Cabling Solutions, maar dat was aanvankelijk niet acceptabel voor [verweerder] . Thans is die functie volgens SPIE-ICS niet meer beschikbaar. [verweerder] heeft tijdens deze procedure niet zijn wens geuit om op een andere functie binnen de organisatie herplaatst te worden, en overigens ook geen andere concrete functie geduid. Gelet hierop, de aard van de ontslaggrond en de duur van de verstoring gedurende welke periode [verweerder] met behoud van salaris is vrijgesteld van werkzaamheden, ligt herplaatsing in dit geval niet in de rede en kan van SPIE-ICS ook niet langer worden gevergd dat de arbeidsovereenkomst voortduurt.

4.6.

Gezien het voorgaande zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden.

Transitievergoeding
4.7. Op grond van artikel 7:673 lid 1 onder a 2 BW is de werkgever – kort gezegd – aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever. Lid 7 van dit artikel, voor zover hier van belang, bepaalt dat de transitievergoeding niet is verschuldigd indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.

4.8.

Op grond van artikel 7:685 lid 9 BW zoals dit vóór 1 juli 2015 gold, had [verweerder] , nadat de kantonrechter partijen van zijn voornemen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een daaraan verbonden vergoeding in kennis had gesteld, de bevoegdheid om zijn verzoek in te trekken. De reden van intrekking is in dit verband niet relevant. De omstandigheden die SPIE-ICS naar voren brengt rond de intrekking van het verzoek door [verweerder] leiden – wat hiervan ook zij – niet tot het oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan zijn zijde. Dat kan evenmin worden gegrond op de stelling dat hij daarna gepoogd heeft alsnog overeenstemming over de beëindiging van het dienstverband te bereiken.

4.9.

Wat betreft de bijeenkomst op 30 november 2015 op het kantoor in Apeldoorn heeft [verweerder] onweersproken gesteld dat hij hier op uitnodiging van de vakbond en zijn collega’s was om de gevolgen van voornoemd besluit van het UWV van 25 november 2015 te bespreken. Aangezien dit besluit van het UWV rechtstreeks betrekking had op de positie van [verweerder] en hij hier op uitnodiging van de vakbond en zijn collega’s was, is de kantonrechter van oordeel dat zijn aanwezigheid hierbij geen ernstig verwijtbaar handelen aan zijn zijde oplevert. Dat zou anders kunnen zijn als [verweerder] de bijeenkomst had geïnitieerd met als doel de positie van het management onmogelijk te maken. Dat is echter niet aan de orde.

4.10.

Concluderend is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerder] geen sprake, zodat de kantonrechter op grond van artikel 7:673 lid 1 aanhef en onder a sub 2 in samenhang met lid 2 en lid 7 aanhef en onder c BW een transitievergoeding zal vaststellen. Het huidige loon van [verweerder] bedraagt € 4.029,04 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een zogenoemd CAO-budget van € 499,60 bruto per maand. Tevens ontvangt [verweerder] een bonus. Partijen verschillen van mening over de hoogte van deze bonus. Volgens SPIE-ICS bedraagt de bonus € 639,17 bruto per jaar en volgens [verweerder] bedraagt deze bonus € 400,- bruto per maand. Uit de bonusbrieven over de jaren 2011 tot en met 2014 (productie 4 bij het verweerschrift) blijkt dat [verweerder] een gemiddelde bonus heeft ontvangen van € 639,17 bruto per jaar, hetgeen overeenkomt met een bedrag van € 53,26 bruto per maand. Het totale loon van [verweerder] bedraagt gelet op het voorgaande € 4.904,22 bruto per maand. De lengte van zijn dienstverband bedraagt – gelet op hetgeen hierna onder het kopje ‘einddatum’ wordt overwogen – 19 jaar en 6 maanden, hetgeen neerkomt op 39 perioden van zes maanden. De transitievergoeding bedraagt (20 x 1/6 van € 4.904,22) + (19 x 1/4 van € 4.904,22) is € 39.642,45. De kantonrechter zal de transitievergoeding vaststellen op dit bedrag. Dit bedrag dient op grond van artikel 7:686a lid 1 BW te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

Billijke vergoeding

4.11.

Artikel 7:671b lid 8 aanhef en onder c BW bepaalt dat, indien de kantonrechter het verzoek om ontbinding inwilligt, hij aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

4.12.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van SPIE-ICS moet tevens acht geslagen worden op hetgeen vooraf is gegaan aan het door [verweerder] ingediende verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. In de beslissing op dat verzoek heeft de kantonrechter – kort samengevat – geoordeeld dat SPIE-ICS gelet op de leeftijd van [verweerder] en de duur van het dienstverband, onvoldoende voor [verweerder] heeft gedaan. In enkele maanden tijd heeft zij de conclusie getrokken dat zij niet met [verweerder] verder kon, zonder deugdelijke begeleiding of een reëel verbeteringstraject. Evenzo is zij nalatig geweest in het zoeken van een oplossing in de kennelijk aanwezige problemen met de collega managers, terwijl [verweerder] zich anderzijds wel heeft willen inzetten voor een verbetering van de werkrelatie. Door aldus te handelen heeft SPIE-ICS als het ware de grond voor de ontbinding veroorzaakt terwijl de ontbinding feitelijk niet aan de orde had moeten zijn. Een dergelijk handelen van een werkgever dient als ernstig verwijtbaar gekwalificeerd te worden. Dit klemt te meer daar SPIE-ICS tot en met de mondelinge behandeling van het verzoek van [verweerder] op 24 augustus 2015 heeft gesteld dat een alternatieve functie voorhanden was, een functie nota bene die ook niet in de reorganisatie betrokken is. Niet goed valt in te zien waarom SPIE-ICS korte tijd later, toen [verweerder] aangaf voor die functie te opteren, de terugkeer van [verweerder] in de organisatie belet heeft.

4.13.

[verweerder] stelt dat bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding rekening dient te worden gehouden met de vergoeding die hij zou krijgen volgens het oude KPN Sociaal Plan. SPIE-ICS heeft immers een harde toezegging gedaan over het respecteren van dit Sociaal Plan bij de van KPN overgenomen werknemers, waaronder [verweerder] .

SPIE-ICS betwist dat zij toezeggingen heeft gedaan over het respecteren van het oude KPN Sociaal Plan. Daarnaast wijst zij erop dat [verweerder] reeds vanaf 30 april 2015 is vrijgesteld van werk met behoud van salaris. Van deze periode van vrijstelling moet volgens SPIE-ICS een matigende werking uitgaan bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding.

4.14.

De kantonrechter zal geen acht slaan op het Sociaal Plan van KPN. Los van de vraag of op dit punt harde toezeggingen zijn gedaan, is het Sociaal Plan niet op deze ontbinding, gegrond op een verstoorde arbeidsrelatie, van toepassing.

4.15.

De billijke vergoeding dient gerelateerd te worden aan de aard en ernst van de verwijtbaarheid die de werkgever gemaakt kunnen worden. Het gaat er om te bepalen wat in dit concrete geval een passende vergoeding is.

4.16.

De kantonrechter wil bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding enerzijds tot uitdrukking brengen dat het handelen van de werkgever waarmee deze een grond voor de ontbinding bewerkstelligt, niet beloond moet worden. Dat rechtvaardigt dat een toe te kennen billijke vergoeding van substantiële betekenis moet zijn.

4.17.

Anderzijds kent de kantonrechter wel gewicht toe aan het feit dat [verweerder] op het moment dat de overeenkomst ontbonden wordt, meer dan een jaar (vanaf 29 april 2015) met behoud van salaris is vrijgesteld van werk. Die vrijstelling van werk is weliswaar niet vrijwillig, maar wel een factor van betekenis. [verweerder] heeft daarin ook niet met een vordering tot wedertewerkstelling op hervatting aangedrongen. Om die reden zal de kantonrechter deze periode in ieder geval voor een belangrijk deel meewegen en beoordelen als een vorm van tegemoetkoming van [verweerder] .

4.18.

Eveneens betrekt de kantonrechter bij zijn oordeel dat in de eerder aangehaalde beschikking de overeenkomst ontbonden is tegen 1 oktober 2015 onder toekenning van een vergoeding van € 74.000,-. [verweerder] heeft het verzoek toen ingetrokken, maar het leidt tot een onacceptabele uitkomst als [verweerder] daardoor thans in een substantieel betere positie zou komen, juist omdat ook de vergoeding in de beschikking van 31 augustus is gerelateerd aan de aard en ernst van de verwijtbaarheid aan de zijde van SPIE-ICS.

4.19.

Alles afwegende oordeelt de kantonrechter in dit geval een billijke vergoeding van € 15.000,- passend. Daarmee krijgt [verweerder] door de latere uitdiensttreding, in combinatie met de transitievergoeding en de billijke vergoeding weliswaar meer dan hij ontvangen zou hebben op basis van de beschikking van 31 augustus 2015. Deze uitkomst is echter te rechtvaardigen tegen de achtergrond van de voortdurende spanning voor [verweerder] , de extra procedures en de daarmee gemoeide kosten, alsmede het feit dat SPIE-ICS hem niet in staat heeft gesteld te hervatten in een functie die zij hem op de zitting van 24 augustus 2015 nog heeft aangeboden.

4.20.

De wettelijke rente over de billijke vergoeding zal worden toegewezen vanaf 15 juli 2016.

4.21.

Nu de kantonrechter voornemens is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken op verzoek van SPIE-ICS met de door [verweerder] verzochte billijke vergoeding, zal SPIE-ICS, conform artikel 7:686a lid 6 BW, in de gelegenheid worden gesteld om haar verzoek in te trekken.

Einddatum

4.22.

De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 juli 2016. De opzegtermijn bedraagt vier maanden. Aangezien ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever wordt aangenomen is er geen reden rekening te houden met de doorlooptijd van de procedure.

Salarisspecificaties

4.23.

Tussen partijen is in geschil of [verweerder] toegang heeft tot de IT-systemen van SPIE-ICS. SPIE-ICS stelt dat [verweerder] hier toegang toe heeft en dat hij op die manier digitaal kan beschikking over zijn salarisspecificaties. [verweerder] heeft volgens haar dan ook geen belang bij toewijzing van zijn verzoek inzake het verstrekken van salarisspecificaties. [verweerder] betwist dat hij toegang heeft tot de IT-systemen van SPIE-ICS.

4.24.

Aangezien niet duidelijk is geworden of [verweerder] toegang heeft tot de
IT-systemen van SPIE-ICS teneinde zijn salarisspecificaties te kunnen inzien én om verdere escalatie tussen partijen te voorkomen, zal de kantonrechter het verzoek van [verweerder] inzake het verstrekken van zijn salarisspecificaties vanaf 12 oktober 2015 toewijzen. De kantonrechter zal de in dat verband verzochte dwangsom afwijzen, omdat van omstandigheden die maken dat gevreesd moet worden dat SPIE-ICS de veroordeling op dit punt niet zal nakomen niet is gebleken. Verondersteld mag worden dat ook zonder dwangsom aan de verplichting voldaan wordt.

Proceskosten

4.25.

De proceskosten zullen gezien de aard van het geschil worden gecompenseerd, in die zin dat partijen hun eigen proceskosten dragen, behalve in het geval dat SPIE-ICS het verzoek intrekt. In dat geval wordt zij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] , die begroot worden op € 600,00. De kantonrechter ziet geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek van [verweerder] om SPIE-ICS in de (reële) proceskosten van [verweerder] te veroordelen, aangezien daarmee reeds in enige mate rekening is gehouden bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

stelt SPIE-ICS in de gelegenheid uiterlijk 10 maart 2016 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

5.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2016;

5.3.

veroordeelt SPIE-ICS om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 39.642,45 bruto, te voldoen vóór 1 augustus 2016, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2016 tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt SPIE-ICS om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 15.000,- bruto te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 juli 2016;

5.5.

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

5.6.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

en voor het geval het verzoek tijdig wordt ingetrokken:

5.8.

veroordeelt SPIE-ICS in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 600,- aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2016.