Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:834

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
661407-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt twee zussen voor het medeplegen van een poging tot zware mishandeling en het medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving van een slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/661407-15 en 16/661930-13 (TUL)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 18 februari 2016.

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1989] te [geboorteplaats] ,

wonende te Utrecht,

thans verblijvende in de PI Utrecht, locatie Nieuwersluis.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2016.
De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door
mr. B. Molleman, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [aangever] .

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. primair: op 24 mei 2015 al dan niet samen met een ander heeft geprobeerd

om [aangever] van het leven te beroven;

1. subsidiair: zich op 24 mei 2015 al dan niet samen met een ander schuldig heeft

gemaakt aan zware mishandeling van [aangever] ;

1. meer subsidiair: op 24 mei 2015 al dan niet samen met een ander heeft

geprobeerd om aan [aangever] zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen.

2: zich op 24 mei 2015 al dan niet samen met een ander schuldig heeft

gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangever] .

3: op 24 mei 2015 een hoeveelheid geld heeft gestolen van [aangever] .

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren. De officier van justitie heeft tot vrijspraak gerekwireerd van de onder 1 primair, 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen van de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De verdediging heeft de hierna te noemen verweren gevoerd.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Vrijspraak ten aanzien van de onder 1 primair, 1 subsidiair en 3 ten laste

gelegde feiten

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de onder 1 primair, 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van deze feiten.

4.4.2

Verweren met betrekking tot bewijsuitsluiting

De verdediging heeft verzocht de verklaring die [verdachte] op 28 mei 2015 bij de politie heeft afgelegd uit te sluiten van het bewijs.
Deze verklaring zou op onrechtmatige wijze aan verdachte zijn ontlokt.
Daarnaast zou haar verklaring onbetrouwbaar zijn. Ter onderbouwing heeft de verdediging gewezen op het feit dat verdachte tijdens een later verhoor heeft aangegeven dat zij tijdens het verhoor van 28 mei 2015 dingen heeft weggelaten en heeft verdraaid.
De rechtbank heeft evenwel geen aanwijzingen dat voornoemde verklaring van verdachte op onrechtmatige wijze is ontlokt. Ook anderszins is niet gebleken van ontoelaatbare druk die op haar zou zijn uitgeoefend. De rechtbank kan niet uitsluiten dat een later afgelegde verklaring van verdachte, waarin zij aangeeft dat zij tijdens haar verhoor op 28 mei 2015 niet de waarheid heeft gesproken, is ingegeven door de wens zichzelf of haar zus, tevens medeverdachte [medeverdachte] te ontlasten. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer tot uitsluiting van de verklaring van verdachte van 28 mei 2015.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [aangever] niet betrouwbaar zijn en daarom moeten worden uitgesloten van het bewijs. [aangever] zou in een eerdere strafzaak waarbij verdachte eveneens als verdachte betrokken was, in strijd met de waarheid een aantoonbaar meer belastende verklaring hebben afgelegd. Ook in de huidige strafzaak zou [aangever] de waarheid hebben verdraaid om verdachte en medeverdachte [medeverdachte] meer te belasten.

Dit verweer wordt verworpen.
Uit het dossier volgt dat [aangever] kort na het gebeurde heeft gesproken met getuige [getuige 1] en de politie. Dat wat zij tegen deze getuige en de politie heeft gezegd, komt op essentiële punten overeen met dat wat zij daarna in haar aangifte, in een aanvullende verklaring en tijdens een verhoor door de rechter-commissaris heeft verklaard. Bovendien wordt haar verklaring op onderdelen ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , de bevindingen van de politie, het geconstateerde letsel en tot slot de verklaringen van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] . Aldus acht de rechtbank de verklaringen van [aangever] in voldoende mate betrouwbaar en zal zij deze niet op voorhand van het bewijs uitsluiten.

De rechtbank volgt de stelling van de verdediging ten aanzien van de vermeende wens van [aangever] om de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] te belasten niet. Uit het dossier volgt dat [aangever] tegen de politie in eerste instantie niet wilde vertellen wat haar was overkomen. Zij weigerde uit angst voor represailles aangifte te doen. Ook getuige [getuige 3] heeft verklaard dat [aangever] uit angst geen aangifte wilde doen. Zij wist [aangever] over te halen aangifte te doen. Uiteindelijk heeft [aangever] aangifte gedaan. Uit het voorgaande komt niet het door de verdediging geschetste beeld van aangeefster naar voren. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de verklaring van [aangever] , zoals hierna is weergegeven.

4.4.3

Bewezenverklaring van de onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde

feiten

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

[aangever] heeft op 26 mei 2015 aangifte gedaan tegen verdachten [verdachte] en [medeverdachte] . [aangever] verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt.
Op 23 mei 2015 ben ik naar de woning van [verdachte] gegaan, te Utrecht. Ik ben daar de nacht van 23 mei 2015 op 24 mei 2015 gebleven.2
Om ongeveer 6.00 uur werd de voordeur van de woning van [verdachte] opengetrapt. Ik zag dat [medeverdachte] binnenkwam. Ik zag dat [medeverdachte] erg boos was. [medeverdachte] en [verdachte] hebben nog een zus, [getuige 3] . Dat is een goede vriendin van mij. [medeverdachte] zei dat [getuige 3] haar in elkaar had geslagen en jongens op haar had afgestuurd. [medeverdachte] zei tegen [verdachte] dat ik met hen mee moest naar de woning van [getuige 3] om de code van de voordeur te geven zodat ze [getuige 3] konden pakken. Ik zei tegen [verdachte] en [medeverdachte] dat ik niet mee ging en de code ook niet zou geven. Gelijk nadat ik dit gezegd had, kreeg ik meerdere vuistslagen van [medeverdachte] tegen mijn gezicht. Ik voelde dat ze mij opzettelijk en met forse kracht sloeg tegen mijn kaken en beide ogen. Ik kreeg hier een hevige pijn in mijn gezicht van. Op het moment dat ik de vuistslagen kreeg, zat ik op de bank in de woonkamer. Ik zag en voelde dat [medeverdachte] mij na de vuistslagen met haar voeten trapte in mijn gezicht en tegen mijn lichaam. Zij had op dat moment schoenen aan. Hierna werd ik door [medeverdachte] met haar handen bij mijn keel vastgepakt en werd mijn keel dichtgeknepen. Hierdoor kreeg ik bijna geen lucht meer. Op dat moment begon [verdachte] mij ook met haar vuisten in mijn gezicht te slaan. Nadat [medeverdachte] mijn keel losliet, kneep [verdachte] ook mijn keel dicht. Zowel [medeverdachte] als [verdachte] bleven gelijktijdig tegen mij schreeuwen dat ik mee moest naar de woning van [getuige 3] . Ik bleef zeggen dat ik niet mee zou gaan, waarop zowel [verdachte] als [medeverdachte] mij meerdere malen bleven slaan met hun vuisten in mijn gezicht. Deze mishandelingen zijn denk ik wel een uur doorgegaan.3 Ik ben een paar keer kort buiten bewustzijn geweest.4
Op een gegeven moment werd bij de voordeur geklopt. Op dat moment deed [medeverdachte] haar hand voor mijn mond en zei dat ik moest blijven zitten en niks mocht zeggen. Ik was zo ontzettend bang dat ik nog meer mishandeld zou worden. Ik zag en hoorde dat [verdachte] de voordeur op een kiertje deed. Ik hoorde dat de politie voor de deur stond. Ik hoorde dat de politie weer wegging en dat [verdachte] de deur weer dichtdeed.5 Ik ben blijven zitten en ben niet naar de deur gelopen toen de politie voor de deur stond omdat ik gewoon bang was. Ik had liever weggewild. Ik moest daar gewoon blijven van hen omdat ze iemand anders te pakken wilden nemen. Er is meerdere keren tegen mij gezegd dat ik niet weg mocht en dat ik eerst de code moest geven.6

Gelijk nadat de politie was weggegaan werd ik weer geslagen door [verdachte] en [medeverdachte] in mijn gezicht. Ik hoorde dat [medeverdachte] tegen mij zei: “Als je niet meegaat naar [getuige 3] dan gooi ik je van het balkon af.” Ik hoorde [verdachte] tegen [medeverdachte] zeggen: “Dat moet je niet doen, want anders krijg je moord of doodslag.” Na een paar minuten kwam er een jongen binnen. De jongen zei tegen mij: “Kom je moet weg hier.” Gelijk hierop zei [medeverdachte] : “Nee, ze gaat niet weg, ze blijft hier de vieze hoer. Ze wil de code niet geven.”7 [medeverdachte] liep naar de keuken en kwam teruglopen met een voorwerp in haar handen. Wat ik daarvan kon zien, was het een mes. De jongen kwam toen tussen mij en [medeverdachte] staan en zei tegen [medeverdachte] : “Niet doen want dan ga je vastzitten.” Hierna ben ik samen met de jongen, [medeverdachte] en [verdachte] naar buiten gegaan en hebben we kort voor de deur gestaan. [medeverdachte] zei buiten tegen mij dat ze me in een taxi wilden zetten. De jongen, [verdachte] en [medeverdachte] zijn weggelopen. Ik ben toen nog even voor de deur op straat blijven staan. Na een tijdje wist ik zeker dat ze niet meer terug zouden komen en ben ik naar boven gegaan.8

Getuige [getuige 1] , die aan de [adres] woont, heeft – zakelijk weergegeven – verklaard:
Ik weet dat [verdachte] op de bovenste etage woont. Op 24 mei 2015 werd ik omstreeks 5.50 uur wakker gebeld door de voordeurbel van de woning. Aan de andere kant van de intercom hoorde ik een mannen- en een vrouwenstem.9
Na ongeveer 10 minuten werd er weer aangebeld. Daarna hoorde ik voetstappen in de portiek die naar boven gingen. Gelijk hierna was er veel geschreeuw van een bovengelegen woning van een man en een vrouw. Dit geschreeuw ging denk ik wel 45 minuten door.
Ik heb de politie gebeld. Die kwam snel ter plaatse en ging naar de bovenste etage. Ongeveer 20 minuten later hoorde ik wederom geschreeuw van een bovenwoning komen. Dit geschreeuw en geruzie is ongeveer een half uur doorgegaan. Om 10.00 uur hoorde ik stemmen in de portiek. Ik zag [verdachte] , een jongen en een meisje buiten staan. Ik hoorde een vrouwenstem zeggen: “Alsjeblieft niet doen.”10 Na ongeveer 20 minuten hoorde ik geklop aan de voordeur. Ik zag een meisje. Ik zag dat het meisje hele dikke ogen had. Ze striemen in haar nek en paarse oren. Ik zag dat het meisje zwaar “toegetakeld” was in haar gezicht. Ze vertelde mij dat ze ruzie had gehad en in elkaar was geslagen door [verdachte] en de zus van [verdachte] . Het meisje kwam op mij zeer angstig over. Ze vertelde dat ze de politie eerder had gehoord in de portiek maar dat ze vast werd gehouden en dat haar mond werd dichtgedrukt. Ook was ze twee keer “out” gegaan.11

Getuige [getuige 2] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard:
Ik woon op de [adres] . [verdachte] woont in een woning in hetzelfde portiek. In de nacht van 23 mei 2015 op 24 mei 2015 was er geluidsoverlast vanuit de woning van [verdachte] . Op sommige momenten werd er geschreeuwd en aan de intonatie maakte ik op dat er een ruzie gaande was.12 Ook werd er regelmatig aangebeld bij de centrale toegangsdeur. Ik heb naast meerdere vrouwenstemmen ook meerdere mannenstemmen gehoord deze nacht en vroege ochtend. Ik ben om ongeveer 9.00 uur-9.15 uur vertrokken vanuit mijn woning. Ik zag voor de portiekdeur een persoon. Ik keek ik haar in haar gezicht aan. Ik schrok me toen kapot en had zoiets walgelijks nog nooit eerder gezien. Er zat bloed op haar shirt. Ik zag dat haar gezicht helemaal opgezwollen was. Haar gezicht zag er roze, blauw uit.13 Ik zag dat ze volledig in elkaar was geslagen. Haar wimpers zagen er uit als hechtingen, alsof ze geopereerd was en ze er hechtingen in hadden gedaan. Ik werd echt letterlijk misselijk van het letsel dat ik bij deze vrouw zag.14

De politie heeft – zakelijk weergegeven – het volgende geverbaliseerd.
Naar aanleiding van een melding op 24 mei 2015 omstreeks 6.50 uur zijn wij, verbalisant

[verbalisant 1] en verbalisant [verbalisant 2] , naar de [adres] gegaan. Daar werd de deur geopend door de bewoonster [verdachte] . Zij verklaarde dat zij ruzie had gehad met haar zus en dat wij daar niets mee te maken hadden. Vervolgens hebben wij het portiek verlaten.15

Omstreeks 9.45 uur hoorde ik, verbalisant [verbalisant 3] , dat een portiekbewoner van de [adres] had gemeld dat er zojuist een meisje met bebloed gezicht het portiek in was komen lopen. Ter plaatse zag ik een meisje. Ik zag dat dit meisje twee enorm rood/paarse opgezwollen ogen had. Ik zag dat haar ogen zo gezwollen waren dat zij amper wat kon zien. Ik zag dat zij meerdere grote rode plekken in haar nek had. Het meisje bleek te zijn [aangever] . Ik hoorde haar zeggen dat zat zij afgelopen nacht en ochtend bij [verdachte] op de [adres] was. In de ochtend stond de zus van [verdachte] , [medeverdachte] , voor de deur. [medeverdachte] was in de stad geweest en had ruzie gekregen met haar andere zus. Zij zou weten wat de toegangscode was om de woning van deze zus in te kunnen. Zij werd door [verdachte] en [medeverdachte] bedreigd om deze code te geven.16Toen zij de code niet wilde geven, hebben zowel [verdachte] als [medeverdachte] haar flink mishandeld. Dit deden zij beiden door haar hard en meerdere malen met vuisten op het gezicht te slaan. Zij hebben haar tegen het gezicht getrapt. Zij hebben haar beide meerdere malen gewurgd. Door dit toedoen is zij tweemaal het bewustzijn verloren. Op een geven moment is de politie aan de deur geweest en op dat moment werd haar een hand voor de mond gehouden zodat er niet om hulp geroepen kon worden.17

Getuige [getuige 3] heeft - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard.
Ik heb al 2 a 3 jaar geen contact meer met [verdachte] en [medeverdachte] . Ik heb een vriendin, zij heet [aangever] .18 Ik was in de nacht van 24 mei 2015 in Utrecht. Ik kwam [medeverdachte] tegen. Het werd toen gelijk een gevecht tussen ons. De politie was aanwezig en heeft ons beiden aangesproken. Ik ben hierna gegaan. Ik woon op 16 hoog en om bij mijn voordeur te komen moet je aanbellen om binnen te komen. Wanneer je in het gebouw aanwezig bent, moet je op mijn etage een code invoeren of aanbellen om bij mijn woning te komen.19

Bij een medisch onderzoek op 24 mei 2015 wordt bij [aangever] het volgende letsel geconstateerd:
forse haematomen aan beide ogen, kan haar ogen nauwelijks openen, uitgebreide haematomen in gelaat, hals, borst en bovenarmen. Striemen rond de hals. Zwelling linker oor. Zwelling en wond op de bovenlip. Zwelling occipitaal rechts.20

De hals van [aangever] is bemonsterd voor DNA-onderzoek.21 In de bemonstering (AA116302NL#O1) is een DNA-profiel aangetroffen van minimaal twee personen, te weten het DNA-profiel van [aangever] zelf en dat van [verdachte] .

Er is aangenomen dat de bemonstering AA116302NL#O1 celmateriaal bevat van twee personen, waaronder het slachtoffer [aangever] zelf, en dat

deze personen onderling niet verwant zijn. Onder deze aannames zijn de resultaten van het

DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

- hypothese 1: De bemonstering AAII63O2NL#01 bevat celmateriaal van [aangever] en

[verdachte] (geboren op [1989] ).

- hypothese II: De bemonstering AAII63O2NL#01 bevat celmateriaal van [aangever] en

één willekeurige onbekende persoon.

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn ten minste 1.000.000 keer

waarschijnlijker als hypothese 1 waar is, dan als hypothese II waar is.22

Verdachte [verdachte] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard:
Adje was er al voordat [medeverdachte] in de woning kwam. [medeverdachte] kwam binnen.23 [medeverdachte] draaide door. Ik heb mijn zus nog nooit zo gezien. De blik in haar ogen was heel eng. U toont mij een foto van het letsel in de nek van [aangever] . De schaafwondjes zijn ontstaan door het mes.24

Verdachte [medeverdachte] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard:

Ik ging uit en kwam [getuige 3] tegen. [getuige 3] gaf mij een duw. [verdachte] en ik hadden eigenlijk afgesproken. Ik heb bij iedereen aangebeld. Een buurman heeft de deur opengedaan. [X] en ik zijn naar boven gelopen. Ik vertelde [verdachte] van mijn aanvaring met [getuige 3] . [verdachte] trok iemand aan de haren vanachter de deur vandaan. Dat bleek [aangever] te zijn. [aangever] ontkende dat zij wist dat [getuige 3] die avond mij wilde pakken. Er ontstond een gevecht. [verdachte] en [aangever] vielen elkaar aan. Tijdens dat gevecht heb ik dat meisje een paar stompen gegeven op haar hoofd en borst met mijn vuist. Op een gegeven moment stond er politie aan de deur. [verdachte] deed de deur open en zei dat er ruzie was met een zus en dat er niets raars was.25

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

Bewijsoverwegingen

Op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, wordt vastgesteld dat [verdachte] en [medeverdachte] [aangever] meermalen met kracht hebben geslagen en gestompt tegen het gezicht, hoofd en lichaam, hebben geschopt in het gezicht en haar keel meermalen dichtgeknepen hebben (gehouden) waardoor [aangever] meermalen het bewustzijn heeft verloren.

Kwalificatie

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of het door [verdachte] en [medeverdachte] gebruikte geweld zodanig was dat daardoor een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [aangever] bestond. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat zulks het geval is geweest. [aangever] heeft vele malen klappen, stompen en schoppen tegen het gezicht en hoofd gekregen. Het hoofd moet worden gezien als een kwetsbaar deel van het lichaam. Het forse letsel van [aangever] duidt op het met kracht geven van klappen, stompen en/of schoppen. Door meermalen met kracht stompen en schoppen tegen het hoofd, bestond er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Verdachten hebben dit risico willens en wetens aanvaard. Het verweer van de verdediging wordt verworpen. De rechtbank acht het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op de bewijsmiddelen, wordt het onder 2 ten laste gelegde feit eveneens wettig en overtuigend bewezen geacht.

Medeplegen

Uit voornoemde gang van zaken kan worden afgeleid dat [verdachte] en [medeverdachte] in een nauwe en bewuste samenwerking hebben gehandeld. Zij hebben beiden fors fysiek geweld gebruikt tegen [aangever] en haar samen enkele uren van haar vrijheid beroofd gehouden. Aldus hebben verdachte en medeverdachte allebei uitvoeringshandelingen verricht. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het medeplegen voor zowel het onder 1 meer subsidiair als voor feit 2 kan worden bewezen. Het verweer van de verdediging dat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking wordt verworpen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

feit 1 meer subsidiair:

op 24 mei 2015 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- die [aangever] met kracht in haar gezicht en elders tegen haar lichaam hebben geslagen en gestompt en

- terwijl die [aangever] op een bank zat die [aangever] met geschoeide voet tegen haar gezicht hebben getrapt en

- die [aangever] meermalen bij haar keel hebben gegrepen en de keel van die [aangever] meermalen hebben dichtgeknepen en dichtgeknepen hebben gehouden, waardoor die [aangever] meermalen het bewustzijn heeft verloren;

Feit 2:

op 24 mei 2015 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft zij, verdachte, en haar mededader opzettelijk wederrechtelijk, terwijl tegen die [aangever] de geweldshandelingen ten laste gelegd onder 1 werden gepleegd,

- tegen die in de woning aan de [adres] verblijvende [aangever] gezegd dat zij mee moest gaan naar de woning van [getuige 3] om de toegangscode te geven van het appartementencomplex waarin die woning van [getuige 3] is gelegen en

- die [aangever] op het moment dat de politie aan de deur van de woning aan de

[adres] stond die [aangever] een hand op de mond gelegd en daarbij (op

dreigende toon) tegen die [aangever] gezegd dat ze moest blijven zitten en

niets mocht zeggen, teneinde te voorkomen dat die [aangever] de politie zou alarmeren, en

- tegen die [aangever] gezegd dat als zij niet meeging naar de woning van

[getuige 3] zij van het balkon gegooid zou worden en

- op gehoorafstand van die [aangever] tegen een derde persoon in die woning

gezegd: "Nee, zij gaat niet weg, ze blijft hier de vieze hoer, Ze wil de code

niet geven" en

- zichtbaar voor die [aangever] een mes gepakt en

- die [aangever] vanuit die woning meegenomen naar buiten die woning en

voor de deur van de portiek van die woning blijven staan en aldaar tegen

die [aangever] gezegd dat zij haar in een taxi wilden zetten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als:

feit 1 meer subsidiair: medeplegen van een poging tot zware mishandeling;

feit 2: medeplegen van het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en

beroofd houden.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een pro justitia rapportage van 7 september 2015, opgesteld door forensisch psychiater H.A. Gerritsen.

H.A. Gerritsen rapporteert dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens in de zin van een ernstige persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en borderline trekken en zwakbegaafdheid en een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens in de zin van verslavingsproblematiek (misbruik alcohol en cannabis) en vermoedelijk ADHD van het overwegend hyperactief-impulsieve type.
De ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens beïnvloedde de gedragskeuzes c.q. gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde zodanig dat verdachte ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezenverklaarde verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd dient te worden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een pro justitia rapportage van 3 augustus 2015, opgemaakt door GZ-psycholoog I. van Asselt. I. van Asselt rapporteert dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van alcoholmisbruik en misbruik van cannabis (in vroege remissie tijdens detentie) en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline en antisociale trekken en zwakbegaafdheid.
De ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens beïnvloedde de gedragskeuzes c.q. gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde zodanig dat verdachte ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezenverklaarde verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd moet worden.

De rechtbank neemt bovengenoemde conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. De rechtbank acht verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde verminderd toerekeningsvatbaar.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 273 dagen, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, voor zover de rechtbank daaraan toekomt, aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. De verdediging is van mening dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet passend is. De maatregel van terbeschikkingstelling vormt een uiterst middel. Verdachte is wel degelijk bereid een behandeling te volgen. Door het opleggen van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden wordt voldoende gewaarborgd dat verdachte een behandeling zal ondergaan.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich samen met haar zus schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer.
De verdachten hebben hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De schadelijke gevolgen van het handelen van de verdachte en haar mededader zullen bij het slachtoffer nog lang merkbaar zijn, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Het gaat om ernstige feiten die de rechtbank verdachte zeer kwalijk neemt.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 december 2015, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld in verband met geweldsfeiten.


Tevens heeft de rechtbank gelet op een rapportage van 21 januari 2016, opgemaakt door
M. Senden, reclasseringsmedewerker. De reclassering schat het recidiverisico hoog in. Verder stelt de Reclassering dat in het kader van een onvoorwaardelijke straf overwogen kan worden het verplicht volgen van een klinische behandeling, gericht op middelenmisbruik, persoonlijkheidsproblematiek, het creëren van een vertrouwensband, verbetering van de impulscontrole, agressieregulatie, angst- en frustratietolerantie, het verstreken van het zelfbeeld en het aangaan van wederkerige relaties.

Forensisch psychiater H.A. Gerritsen stelt in zijn rapportage van 7 september 2015 dat het risico op herhaling van soortgelijke feiten hoog is en adviseert, rekening houdend met de beperkte intellectiele capaciteiten van verdachte, oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met de volgende voorwaarden: een klinische behandeling (van 6-12 maanden) met aansluitend een langdurig ambulant vervolgtraject (van minstens 12-36 maanden) gericht op zowel de persoonlijkheidsstoornis als de verslavingsproblematiek en de waarschijnlijk aanwezige ADHD.

GZ-psycholoog I. van Asselt stelt in zijn rapportage van 3 augustus 2015 dat het risico op herhaling van soortgelijke feiten hoog is. Hij adviseert, gelet op deze recidivekans, het feit dat eerdere behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden niet van de grond kwam en de negatieve houding van verdachte ten aanzien van een behandeling, tot het opleggen van een intensieve en langdurige behandeling in het kader van een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden.

De rechtbank deelt de zorg die uit de gedragsdeskundige rapportages spreekt en onderkent het belang en de noodzaak van een klinische behandeling van de bij verdachte vastgestelde complexe problematiek.

De rechtbank stelt echter voorop dat de maatregel van terbeschikkingstelling dient te worden beschouwd als een ultimum remedium. Het betreft een zeer ingrijpende en niet zelden een langdurige vrijheidsbenemende maatregel, die dan ook niet lichtvaardig dient te worden opgelegd. Bij de beoordeling hiervan dienen mede de aard en de ernst van de indexdelicten en de noodzaak tot beveiliging van de maatschappij te worden betrokken.

Gelet op de relatief geringe ernst van de indexfeiten en de zwaarte van de gevorderde maatregel, is de rechtbank van oordeel dat een terbeschikkingstelling niet proportioneel en dus niet passend is.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving

een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. De rechtbank zal een deel daarvan, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 2 jaren, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan. De rechtbank zal daarbij de hieronder opgenomen bijzondere voorwaarden opleggen.

Op grond van de over verdachte uitgebrachte rapportages dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom bevelen dat de genoemde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

9 Het beslag

De in beslag genomen trui behoort aan verdachte toe. De rechtbank zal hiervan de teruggave aan verdachte gelasten.

De in beslag genomen mobiele telefoon van het merk HTC behoort aan [aangever] toe. De rechtbank al hiervan de teruggave aan [aangever] gelasten.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De behandeling van de vordering van [aangever] levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen geachte feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 1.735,52 (zeventienhonderdvijfendertig euro en tweeënvijftig eurocent), te weten € 1.500,00 aan immateriële schade en € 235,52 aan materiële schade. De immateriële schade bestaat uit de kosten van een telefoon en simkaart, kleding, het eigen risico van de zorgverzekering en diverse producten. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank wijst voornoemd bedrag hoofdelijk toe.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Nu de rechtbank verdachte van de haar onder 3 ten laste gelegde diefstal van bankbiljetten vrijspreekt, dient de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde vergoeding van de bankbiljetten niet ontvankelijk te worden verklaard.

Voor zover het gaat om de overige posten, zal de rechtbank de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Dit geldt voor de immateriële schade, voor zover deze niet wordt toegewezen, alsmede voor de materiële schade ter zake van de gevorderde kosten van een OV-chipkaart.

Behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 11 juni 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16/661930-13, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van
7 februari 2014 van de meervoudige kamer van deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 80 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van voornoemd voorwaardelijk strafdeel, een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, te gelasten.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 14g, 24c, 36f, 45, 47, 57, 63, 282 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 primair, 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 meer subsidiair: medeplegen van een poging tot zware mishandeling;

feit 2: medeplegen van het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en

beroofd houden.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten 5 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

1. zich na haar invrijheidstelling binnen drie werkdagen meldt bij de Reclassering Nederland, op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Vervolgens moet zij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van deze Reclasseringsinstelling blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zo vaak en zo lang als deze instelling dat, gedurende de proeftijd, nodig vindt, ook als dit inhoudt dat veroordeelde meewerkt aan onderzoek ten behoeve van een klinische opname, en (vervolgens) het ondergaan van een dergelijke opname, voor de duur van maximaal een jaar, gericht op middelenmisbruik, persoonlijkheidsproblematiek, het creëren van een vertrouwensband, verbetering van de impulscontrole, agressieregulatie, angst- en frustratietolerantie, het verstreken van het zelfbeeld en het aangaan van wederkerige relaties.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslag
Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslaggenomen trui.

Gelast de teruggave aan [aangever] van de inbeslaggenomen mobiele telefoon van het merk HTC.

Vordering benadeelde partij

Wijst de vordering van [aangever] toe tot een bedrag van € 1.735,52 (zeventienhonderdvijfendertig euro en tweeënvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] , voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] , € 1.735,52 (zeventienhonderdvijfendertig euro en tweeënvijftig eurocent),

aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 mei 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 27 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Tenuitvoerlegging

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 7 februari 2014 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen.

Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mrs. J.W. Frieling en G.D Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2016.

Mr. G.D. Kleijne is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat:

1.

Primair

zij op of omstreeks 24 mei 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet als volgt

heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende zij, verdachte, en/of (één of meer van)

haar mededader(s)

- die [aangever] (met veel kracht) in/op/tegen haar gezicht en/of elders tegen

haar lichaam geslagen en/of gestompt en/of

- ( terwijl die [aangever] op een bank zat) die [aangever] met geschoeide voet

in/op/tegen haar gezicht/hoofd getrapt en/of geschopt, en/of

- die [aangever] (meermalen) bij haar keel gegrepen en/of de keel van die

[aangever] (meermalen) dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden,

waardoor die [aangever] (meermalen) het bewustzijn heeft verloren

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

zij op of omstreeks 24 mei 2015 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen, aan [aangever] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel, te weten hoofd en/of aangezichtletsel, heeft toegebracht,

door

- die [aangever] (met veel kracht) in/op/tegen haar gezicht en/of elders tegen

haar lichaam te slaan en/of te stompen en/of

- ( terwijl die [aangever] op een bank zat) die [aangever] met geschoeide voet

in/op/tegen haar gezicht/hoofd en/of elders tegen haar lichaam te trappen

en/of te schoppen, en/of

- die [aangever] (meermalen) bij haar keel te grijpen en/of de keel van die

[aangever] (meermalen) dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden,

waardoor die [aangever] (meermalen) het bewustzijn heeft verloren;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

zij op of omstreeks 24 mei 2015 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen,

- die [aangever] (met veel kracht) in/op/tegen haar gezicht en/of elders tegen

haar lichaam hebben/heeft geslagen en/of gestompt en/of

- ( terwijl die [aangever] op een bank zat) die [aangever] met geschoeide voet

in/op/tegen haar gezicht/hoofd hebben/heeft getrapt en/of geschopt, en/of

- die [aangever] (meermalen) bij haar keel hebben/heeft gegrepen en/of de keel

van die [aangever] (meermalen) hebben/heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen

heeft gehouden, waardoor die [aangever] (meermalen) het bewustzijn heeft

verloren

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 24 mei 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk Adelejda [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft

beroofd en / of beroofd gehouden, immers heeft zij, verdachte, en/of haar

mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk

(terwijl tegen die [aangever] de geweldshandelingen ten laste gelegd onder 1

werden gepleegd)

- tegen die in de woning aan de [adres] verblijvende, althans aanwezige,

[aangever] gezegd dat zij mee moest gaan naar de woning van [getuige 3]

om de toegangscode te geven van het appartementencomplex waarin die woning van

[getuige 3] is gelegen en/of

- die [aangever] op het moment dat de politie aan de deur van de woning aan de

[adres] stond die [aangever] een hand op de mond gelegd en/of daarbij (op

dreigende toon) tegen die [aangever] gezegd dat ze moest blijven zitten en

niets mocht zeggen, althans woorden van gelijke aard of strekking, teneinde te

voorkomen dat die [aangever] de politie zou alarmeren, en/of

- tegen die [aangever] gezegd dat als zij niet meeging naar de woning van

[getuige 3] zij van het balkon gegooid zou worden, althans woorden van gelijke aard

of strekking en/of

- op gehoorafstand van die [aangever] tegen een derde persoon in die woning

gezegd: " Nee, zij gaat niet weg, ze blijft hier de vieze hoer, Ze wil de code

niet geven", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- zichtbaar voor die [aangever] een mes, althans een op een mes gelijkend

voorwerp, gepakt en/of

- die [aangever] vanuit die woning meegenomen naar buiten die woning en/of

voor de deur van de portiek van die woning blijven staan en/of aldaar tegen

die [aangever] gezegd dat zij haar in een taxi wilden zetten, althans woorden

van gelijke aard of strekking;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op of omstreeks 24 mei 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen een hoeveelheid geld (in de vorm van bankbiljetten), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer
PL0900-2015158711 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 26 mei 2015, pagina 6.

3 Idem, pagina 7.

4 Idem, pagina 8.

5 Idem, pagina 7.

6 Het proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2015, pagina 95.

7 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 26 mei 2015, pagina 7.

8 Idem, pagina 8.

9 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] van 24 mei 2015, pagina 18.

10 Idem, pagina 19.

11 Idem, pagina 20.

12 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] van 25 juni 2015.

13 Idem, pagina 97.

14 Idem, pagina 98.

15 Het proces-verbaal van bevindingen van 24 mei 2015, pagina 23.

16 Het proces-verbaal van bevindingen van 24 mei 2015, pagina 35.

17 Idem, pagina 36.

18 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] van 26 mei 2015, pagina 21.

19 Idem, pagina 22.

20 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring van [naam] , arts-assistent, van 29 juni 2015, pagina 107.

21 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van 11 november 2015, pagina 139 en 140.

22 Een schriftelijk bescheid, te weten een aanvullend rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van 28 januari 2016.

23 Het proces-verbaal van verhoor van 28 mei 2015, pagina 64.

24 Idem, pagina 65.

25 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] bij de Rechter-Commissaris van 16 september 2015.