Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:7811

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-08-2016
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
C/16/402720 / HA ZA 15-848
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanneming van werk; aanvullende overeenkomst tot stand gekomen? Opzegging overeenkomst door opdrachtgever?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/402720 / HA ZA 15-848

Vonnis van 17 augustus 2016

in de zaak van

[eiser hoofdzaak/incident] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. M.A. Geuze te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VOLKERRAIL NEDERLAND B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Vianen,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. H.W. Gierman te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser hoofdzaak/incident] en VolkerRail genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure na het tussenvonnis van 2 december 2015 blijkt uit:

- de akte houdende overlegging producties van [eiser hoofdzaak/incident]

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 30 juni 2016

  • -

    de brief van de zijde van [eiser hoofdzaak/incident] van 15 juli 2016 met opmerkingen over het proces-verbaal

  • -

    de brief van de zijde van VolkerRail van 18 juli 2016 met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

VolkerRail heeft in 2014 en 2015 in opdracht van Rijkswaterstaat reparatiewerkzaamheden doen uitvoeren aan de [naam project] te Utrecht. In het kader van dit project dienden er laswerkzaamheden plaats te vinden voor vervanging van 1536 zogenaamde trogpasstukken die zich onder het brugdek bevinden. Deze laswerkzaamheden zouden in vier fases plaatsvinden.

2.2.

De heer [A] (hierna: [A] ) heeft namens VolkerRail met betrekking tot de te verrichten laswerkzaamheden medio juni 2014 een bespreking gevoerd met [eiser hoofdzaak/incident] , in aanwezigheid van een medewerker van [naam detacheringsbureau] B.V. (hierna: [naam detacheringsbureau] ). [naam detacheringsbureau] is een detacheringsbureau.

2.3.

Omstreeks 20 juli 2014 hebben [naam detacheringsbureau] als opdrachtgever en [eiser hoofdzaak/incident] als opdrachtnemer voor fase 1 een overeenkomst gesloten. Op het voorblad van deze overeenkomst staat vermeld: “In opdracht van VolkerRail BV ten behoeve van het project [naam project] -Utrecht.”

In deze overeenkomst wordt onder meer het volgende vermeld:

“Overwegende dat:

- OPDRACHTGEVER behoefte heeft aan de navolgende diensten: het maken van 176 passtukken;

(…)
OPDRACHTNEMER neemt op projectbasis 176 passtukken aan voor het project [naam project] ten behoeve van VolkerRail BV. Het betreft Fase 1 van het project dat plaatsvindt van 31 juli 2014 tot 14 augustus 2014. (…) De werkzaamheden zullen worden uitgevoerd volgens de door VolkerRail BV aangegeven specificaties.

Voorts komen partijen overeen dat de te verrichten werkzaamheden binnen het project aangepast of bijgesteld kunnen worden indien nodig.

Betaling geschied na goedkeuring VolkerRail bv tegen € 2.000,00 per passtuk binnen 2 werkdagen na binnenkomst factuur. (…)”

2.4.

Omstreeks 2 september 2014 hebben [naam detacheringsbureau] en [eiser hoofdzaak/incident] een overeenkomst voor fase 2 gesloten.

Op het voorblad van deze overeenkomst staat wederom vermeld: “In opdracht van VolkerRail BV ten behoeve van het project [naam project] -Utrecht.”

In deze overeenkomst wordt onder meer het volgende vermeld:

“(…) Overwegende dat:

- OPDRACHTGEVER behoefte heeft aan de navolgende diensten: het maken van 143 passtukken en andere gespecialiseerde laswerkzaamheden;

(…)

OPDRACHTNEMER neemt op projectbasis een nader door VolkerRail BV te bepalen hoeveelheid trogpasstukken aan voor het project [naam project] ten behoeve van VolkerRail BV. Andere werkzaamheden na aanbieding en in overleg met VolkerRail BV. (…) Het betreft Fase 2 van het project dat plaatsvindt van 1 oktober 2014 tot einde werkzaamheden in 2014 (…)

De werkzaamheden zullen worden uitgevoerd volgens de door VolkerRail BV aangegeven specificaties.

Voorts komen partijen overeen dat de te verrichten werkzaamheden binnen het project aangepast of bijgesteld kunnen worden indien nodig.

Betaling geschied na goedkeuring VolkerRail bv tegen € 2.000,00 per passtuk binnen 2 werkdagen na binnenkomst factuur. (…)”

2.5.

Op 9 oktober 2014 heeft de heer [B] (hierna: [B] ), [functie van B] bij VolkerRail, een e-mail met de volgende inhoud aan [eiser hoofdzaak/incident] gestuurd:

“Zoals voor de start van het project is afgesproken, mag je de helft van de trogpasstukken in de brug, dus 768 trogpasstukken uitvoeren verdeeld over 4 fases, of bij een kleiner aantal trogpasstukken vervangende las- en gutswerkzaamheden van gelijke waarde, waarbij de totale opdrachtsom gelijk is aan de opdrachtsom voor de helft van de trogpasstukken. Dit wordt per fase in gezamenlijk overleg besproken.

Contractuele afspraken voor fase 2 lopen via [naam detacheringsbureau] , voor fase 3 en 4 zijn deze gezamenlijk nader uit te werken en afhankelijk van de voorwaarden van VolkerRail en de mogelijkheid te voldoen aan jullie betalingstermijn.

Ik hoop hiermee je het vertrouwen te hebben gegeven, waarmee we in fase 2, 3 en 4 samen het werk kunnen maken.”

2.6.

[eiser hoofdzaak/incident] heeft conform de overeenkomsten met [naam detacheringsbureau] voor zowel fase 1 als fase 2 laswerkzaamheden aan de brug verricht.

2.7.

Bij e-mail van 20 november 2014 heeft [C] (hierna: [C] ), als [functie van C] van het project in dienst bij VolkerRail, onder meer het volgende aan [eiser hoofdzaak/incident] geschreven:

“Hierbij uiteindelijk mijn voorstel voor fase 3 inclusief hetgeen in fase 2 afwijkt van de afspraak betreffende de gegarandeerde omzet van € 400.000,00 per fase:

-) In fase 2 heb je voor een totaalbedrag van € 395.390,00 gefactureerd.

-) Van dit totaalbedrag is € 24.000,00 te veel gefactureerd (foutieve telling bij trogpasstukken).

-) Je hebt dus in fase 2 voor € 395.390,00 -/- € 24.000,00 = € 371.390,00 aan werk uitgevoerd.

-) Tegoed aan opdrachten conform afspraak voor € 400.000,00: € 400.000,00 -/- € 371.390,00 = € 28.610,00

Conform afspraak die wij gemaakt hebben krijg je in fase 3 200 trogpasstukken à € 2.000,00 in opdracht, daarmee is voor fase 3 gehandeld conform afspraak ( = € 400.000,00).

Voor de resterende € 28.610,00 krijg je 14 extra trogpasstukken à € 2.000,00 in opdracht (= € 28.000,00)

Van het laatste (rest)bedrag krijg je nog betaald € 28.000,00 -/- € 24.000,00 = € 4.000,00 (rest is reeds betaald).

In welke secties jij met je mensen trogpasstukken gaat vervangen moet ik nog invullen. Bovenstaande mag je beschouwen als een gedegen afspraak. (…)”

2.8.

[eiser hoofdzaak/incident] heeft [C] in reactie hierop bij e-mail van 20 november 2014 het volgende geschreven:

“Ten eerste is de afspraak de helft van de passtukken per fase of werkzaamheden naar de prijs hiervan. Het ging niet om het totaal bedrag van € 400.000,00 per fase. Zie onder:”

[eiser hoofdzaak/incident] heeft hieronder de mail van [B] d.d. 9 oktober 2014 gekopieerd.

2.9.

[C] heeft [eiser hoofdzaak/incident] bij e-mail van 21 november 2014 onder meer geschreven:

“Wat betreft jouw werkzaamheden voor fase 3: Ik heb een opzet gemaakt gebaseerd op de info die ik heb over afspraken tussen jou en VolkerRail. Als je hier over wilt praten dan kan dat volgende week en niet vandaag. (…)”

2.10.

Op 6 februari 2015 heeft (de zoon van) [eiser hoofdzaak/incident] de volgende e-mail aan [B] gestuurd:

“Ik wist niet meer met wie wij nou de contact moeten hebben over de verdere ontwikkelingen m.b.t. ons, voor fase 3 en 4. De reden dat ik jou dan ook benader is dat er bij onze laatste telefonisch gesprek ter sprake kwam, dat de derde fase eventueel in maart kon starten? Vandaar ook mijn vraag of hier al iets meer bekend over is, wij moeten nu al ons personeel hierover informeren dat zij niet met hun andere werkzaamheden in de problemen komen. (…)”

2.11.

Medio maart 2015 heeft VolkerRail [eiser hoofdzaak/incident] laten weten dat de opdrachtgever voor het laswerk voor fase 3 en 4 VolkerWessels [naam VOF] zou zijn. Het aanbod van VolkerWessels [naam VOF] hield in het vervangen van 151 trogpasstukken tegen € 1.050,-- per stuk, met een bonus van € 150,-- per stuk indien deze in een keer foutloos werd aangebracht. Dit is bij e-mail van 13 maart 2015 door [B] schriftelijk aan [eiser hoofdzaak/incident] bevestigd.

2.12.

[eiser hoofdzaak/incident] heeft zich in een gesprek met VolkerRail op 18 maart 2015 op het standpunt gesteld dat VolkerRail hiermee afwijkt van eerder gemaakte afspraken. Hij heeft VolkerRail voorgesteld de prijs per trogpasstuk op € 1.500,-- te stellen. Dit aanbod is door VolkerRail niet aanvaard, waarna [eiser hoofdzaak/incident] het heeft ingetrokken. Partijen hebben verder geen overeenstemming over de prijs kunnen bereiken.

2.13.

[eiser hoofdzaak/incident] heeft bij brief van 23 april 2015 jegens VolkerRail op grond van artikel 7:764 BW aanspraak gemaakt op een vergoeding van € 414.305,--. Hij heeft zich bereid verklaard de betreffende werkzaamheden voor fase 3, fase 4 en het restant van fase 2 alsnog in aanneming uit te voeren.

2.14.

VolkerRail heeft geen vergoeding aan [eiser hoofdzaak/incident] betaald. De laswerkzaamheden zijn door andere lasbedrijven uitgevoerd.

3 Het geschil

In het incident ex artikel 223 Rv:

3.1.

[eiser hoofdzaak/incident] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening VolkerRail te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis in het incident aan hem een voorschot van € 100.000,-- te voldoen op de door hem in de hoofdzaak op de voet van artikel 7:764 lid 2 BW gevorderde prijs, althans een voorziening te treffen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, met veroordeling van VolkerRail in de kosten van de procedure, vermeerderd met wettelijke rente, en in de kosten van een eventuele executie.

3.2.

VolkerRail voert verweer.

In de hoofdzaak

3.3.

[eiser hoofdzaak/incident] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. VolkerRail te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis in het incident aan hem te voldoen:

a. (als prijs voor het onvoltooide werk (fase 3 en 4)) een geldbedrag ad € 486.841,--, althans een geldbedrag zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; althans een geldbedrag nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en voorts,

b. (als prijs voor het ‘extra’ onvoltooide werk (fase 3)) een geldbedrag ad € 17.817,27, althans een geldbedrag zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; althans een geldbedrag nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en voorts,

c. de buitengerechtelijke incassokosten ad € 5.203,-- althans een geldbedrag zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren en voorts,

d. de wettelijke handelsrente over het sub I.a tot en met c gevorderde, te rekenen vanaf 13 maart 2015, althans vanaf een tijdstip zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, tot de dag der algehele voldoening en voorts,

II. VolkerRail te veroordelen in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, vermeerderd met wettelijke rente, en in de kosten van een eventuele executie.

3.4.

[eiser hoofdzaak/incident] stelt ter onderbouwing van zijn vorderingen dat er tussen hem en VolkerRail een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen, die door VolkerRail tussentijds is opgezegd. Er dient daarom op grond van artikel 7:764 BW een afrekening plaats te vinden. [eiser hoofdzaak/incident] maakt op basis van dit artikel aanspraak op een vergoeding van de volledige winst over het gehele werk, verminderd met de besparingen die uit de opzegging voortvloeien.

3.5.

VolkerRail betwist dat er tussen [eiser hoofdzaak/incident] en haarzelf een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen en dat zij op grond van artikel 7:764 BW een vergoeding aan [eiser hoofdzaak/incident] verschuldigd zou zijn. Zij concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen en verzoekt de rechtbank subsidiair een toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling te verbinden. Voorts verzoekt zij [eiser hoofdzaak/incident] te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, vermeerderd met wettelijke rente.

4 De beoordeling

In het incident

4.1.

[eiser hoofdzaak/incident] heeft ter zitting verklaard dat hij zijn incidentele vordering intrekt indien in de hoofdzaak binnen 6 weken uitspraak kan worden gedaan. Nu dit het geval is, zal de rechtbank deze vordering als ingetrokken beschouwen.

4.2.

De proceskosten in het incident zullen worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

In de hoofdzaak

4.3.

Om te kunnen beoordelen of [eiser hoofdzaak/incident] op grond van artikel 7:764 BW jegens VolkerRail aanspraak kan maken op betaling van de voor het gehele werk geldende prijs, verminderd met de besparingen, moet eerst worden vastgesteld of tussen [eiser hoofdzaak/incident] en VolkerRail een overeenkomst tot stand is gekomen die door VolkerRail tussentijds is opgezegd.

4.4.

[eiser hoofdzaak/incident] stelt zich onder verwijzing naar de e-mail van [B] van 9 oktober 2014 op het standpunt dat hij voor het gehele werk met VolkerRail een overeenkomst van aanneming van werk heeft gesloten, met dien verstande dat de contractuele afspraken voor fase 1 en 2 in verband met de door [eiser hoofdzaak/incident] gewenste wekelijkse betalingen via [naam detacheringsbureau] zouden lopen en voor fase 3 en 4 gezamenlijk nader zouden worden uitgewerkt, afhankelijk van de voorwaarden van VolkerRail en de mogelijkheid te voldoen aan de betalingstermijn van [eiser hoofdzaak/incident] . Volgens [eiser hoofdzaak/incident] zijn de contractuele afspraken voor fase 3 en 4 nader uitgewerkt in de e-mail van [C] van 20 november 2014. Blijkens genoemde e-mails hebben partijen medio 2014 afgesproken dat [eiser hoofdzaak/incident] 768 trogpasstukken (de helft van de op de [naam project] aan te brengen trogpasstukken) zou vervangen, dat hij dat zou doen in de vier fases en dat hij bij een kleiner aantal trogpasstukken vervangende las- en gutswerkzaamheden van gelijke waarde zou krijgen, waarbij de totale opdrachtsom gelijk zou zijn aan de opdrachtsom voor de helft van de trogpasstukken. Daarbij werd een omzet gegarandeerd van € 400.000,-- per fase.

4.5.

VolkerRail betwist dat er tussen [eiser hoofdzaak/incident] en haarzelf een overeenkomst tot stand is gekomen. Zij had [naam detacheringsbureau] ingeschakeld om voor haar lasbedrijven te contracteren, omdat zij de markt van lasbedrijven die bekwaam zijn in het verrichten van laswerk aan stalen bruggen niet kende. Gelet hierop zijn de overeenkomsten voor fase 1 en 2 ook via [naam detacheringsbureau] gesloten. [eiser hoofdzaak/incident] mocht zich gedurende deze twee fases bewijzen. VolkerRail betwist uitdrukkelijk dat zij [eiser hoofdzaak/incident] een omzetgarantie van € 400.000,-- per uitvoeringsfase zou hebben gegeven. Na afloop van fase 2 zouden VolkerRail en [eiser hoofdzaak/incident] verdere besprekingen voeren over de mogelijkheden voor [eiser hoofdzaak/incident] voor het uitvoeren van laswerkzaamheden in fase 3 en 4, waarbij nog zou moeten worden onderhandeld over de prijs. Dat is [eiser hoofdzaak/incident] van het begin af aan duidelijk geweest, anders was er meteen al een contract gesloten voor alle fases. Dit laatste is niet gebeurd, omdat Volkerrail geen ervaring had met laswerkzaamheden van deze omvang en niet wist of de prijzen van [eiser hoofdzaak/incident] marktconform waren. Dit bleek uiteindelijk ook niet het geval te zijn en bij de onderhandelingen namens [naam VOF] v.o.f. in maart 2015 is om die reden voor fase 3 een lagere prijs per trogpasstuk gehanteerd. Partijen hebben geen overeenstemming over de prijs van de trogpasstukken kunnen bereiken en gelet hierop is er met betrekking tot fase 3 en 4 geen overeenkomst tussen [eiser hoofdzaak/incident] en [naam VOF] v.o.f. dan wel VolkerRail tot stand gekomen, aldus VolkerRail.

4.6.

Voor de werkzaamheden in fase 1 en 2 geldt dat [eiser hoofdzaak/incident] hiervoor schriftelijke overeenkomsten met [naam detacheringsbureau] heeft gesloten. [eiser hoofdzaak/incident] heeft er ter onderbouwing van zijn stelling dat VolkerRail eigenlijk zijn contractspartij was, op gewezen dat alle onderhandelingen en contacten over de uit te voeren laswerkzaamheden via medewerkers van VolkerRail zijn verlopen. In de overeenkomsten met [naam detacheringsbureau] wordt bovendien in de titel vermeld: “In opdracht van VolkerRail BV” en de facturen van [eiser hoofdzaak/incident] moesten door VolkerRail worden goedgekeurd voordat [naam detacheringsbureau] tot betaling kon overgaan. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet de conclusie worden getrokken dat VolkerRail eigenlijk als contractspartij gold. VolkerRail heeft overtuigend gemotiveerd waarom zij voor fase 1 en 2 niet zelf een overeenkomst met [eiser hoofdzaak/incident] wilde aangaan en er in plaats daarvan voor heeft gekozen om [eiser hoofdzaak/incident] voor deze fases door [naam detacheringsbureau] te laten contracteren. Het is begrijpelijk dat zij vanuit haar positie invloed wilde uitoefenen op de keuze van de onderaannemers, de omvang van de te verrichten werkzaamheden en de facturatie door [naam detacheringsbureau] . Deze bemoeienis maakt haar echter in juridische zin nog geen contractspartij.

4.7.

Uit de e-mail van [B] van 9 oktober 2014 kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat VolkerRail weliswaar de intentie had om [eiser hoofdzaak/incident] ook bij fase 3 en 4 in te schakelen, maar dat de contractuele afspraken hiervoor nog nader uitgewerkt dienden te worden en afhankelijk waren van de voorwaarden van VolkerWessels [naam VOF] en de mogelijkheid te voldoen aan de betalingstermijn van [eiser hoofdzaak/incident] . [eiser hoofdzaak/incident] heeft gesteld dat deze nadere condities alleen betrekking hadden op de vraag hoe de betaling zou plaatsvinden, maar dit is door VolkerRail uitdrukkelijk betwist. VolkerRail heeft gesteld dat partijen hadden afgesproken dat [eiser hoofdzaak/incident] per afzonderlijke fase opdracht zou krijgen voor nader te bepalen en in gezamenlijk overleg vast te stellen laswerkzaamheden, tegen een prijs die ook per fase zou worden overeengekomen. Dit is door [eiser hoofdzaak/incident] onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft zijn stelling dat medio 2014 een vaste prijs voor alle fases is overeengekomen, onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop kan op basis van de e-mail van [B] niet worden vastgesteld dat ten aanzien van fase 3 en 4 een overeenkomst met VolkerRail tot stand is gekomen.

4.8.

Naar de rechtbank begrijpt, stelt [eiser hoofdzaak/incident] zich voorts op het standpunt dat de nadere condities voor fase 3 en 4, waarin in de e-mail van [B] wordt verwezen, verder zijn uitgewerkt in de e-mail van [C] van 20 november 2014 en dat voor deze fases in ieder geval vanaf dat moment een overeenkomst tot stand is gekomen.

4.9.

De rechtbank overweegt dat niet is komen vast te staan dat [C] een volmacht had om namens VolkerRail met [eiser hoofdzaak/incident] ten aanzien van fase 3 en 4 een overeenkomst te sluiten, nu dit door VolkerRail uitdrukkelijk is betwist en [eiser hoofdzaak/incident] zijn stelling op dit punt niet nader heeft onderbouwd.

4.10.

[eiser hoofdzaak/incident] heeft in dit kader subsidiair een beroep gedaan op artikel 3:61 lid 2 BW. Op grond van dit artikellid kan, indien een rechtshandeling in naam van een ander is verricht, tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan. Ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad kan voor toerekening van schijn van volmachtverlening ook plaats zijn, ingeval de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.

4.11.

VolkerRail betwist dat zij gebonden is aan het voorstel dat [C] in zijn e-mail van 20 november 2014 ten aanzien van fase 3 heeft gedaan. VolkerRail stelt dat [eiser hoofdzaak/incident] wist dat [C] geen afspraken kon maken over contractuele voorwaarden namens VolkerRail omdat hij als [functie van C] alleen belast was met de begeleiding van de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden op de [naam project] . [eiser hoofdzaak/incident] heeft desondanks op [C] ingepraat en druk gezet totdat hij een ‘voorstel’ aan [eiser hoofdzaak/incident] deed voor de uitvoering van fase 3. [C] was niet op de hoogte van de eerder gemaakte afspraken omdat hij niet betrokken was geweest bij de eerdere besprekingen met [eiser hoofdzaak/incident] hierover. Hij schreef daarom in zijn e-mail ten onrechte dat aan [eiser hoofdzaak/incident] een omzetgarantie van € 400.000,-- per fase was gegeven. [eiser hoofdzaak/incident] heeft [C] bij e-mail van 20 november 2014 ook op dit punt gecorrigeerd. Uit het feit dat [eiser hoofdzaak/incident] na november 2014 hierover geen contact meer heeft gehad met [C] , blijkt dat [eiser hoofdzaak/incident] er ook zelf nooit van is uitgegaan dat er met [C] bindende afspraken voor de uitvoering van fase 3 waren gemaakt. Uit de e-mail van [eiser hoofdzaak/incident] aan [B] van 6 februari 2015 blijkt voorts dat [eiser hoofdzaak/incident] ervan uitging dat hij hierover met [B] moest onderhandelen en niet met [C] , aldus VolkerRail.

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser hoofdzaak/incident] er op grond van artikel 3:61 lid 2 BW niet gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat [C] bevoegd was om namens VolkerRail ten aanzien van fase 3 en 4 een overeenkomst met hem te sluiten. Daartoe wordt overwogen dat [eiser hoofdzaak/incident] niet heeft betwist dat [C] [functie van C] is en belast was met de begeleiding van de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden op de [naam project] , en dat hij niet betrokken is geweest bij de afspraken die ten aanzien van fase 1 en 2 waren gemaakt. Niet is gebleken dat VolkerRail [eiser hoofdzaak/incident] voor het maken van nadere contractuele afspraken over fase 3 en 4 heeft verwezen naar [C] .

4.13.

[eiser hoofdzaak/incident] kan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat VolkerRail de schijn heeft gewekt dat aan [C] een volmacht was verleend, omdat [A] , [B] en [D] van VolkerRail niet op de e-mail van [C] van 20 november 2014 hebben gereageerd hoewel deze wel als cc-mail aan hen was gestuurd. [B] heeft ter comparitie verklaard dat hij een filter voor cc-mails heeft omdat het ondoenlijk is om alle mails bij te houden en dat hij pas later op de e-mail van [eiser hoofdzaak/incident] is geattendeerd. De rechtbank acht de verklaring die [B] heeft gegeven voor het feit dat hij destijds niet op de e-mail van [C] heeft gereageerd, geloofwaardig en acht het voorstelbaar dat ook de andere medewerkers van VolkerRail de betreffende e-mail over het hoofd hebben gezien dan wel daaraan geen aandacht hebben geschonken omdat deze niet aan hen was gericht. Niet is gebleken dat [eiser hoofdzaak/incident] het voorstel van [C] met een van deze heren heeft besproken en dat zij tegenover [eiser hoofdzaak/incident] de indruk hebben gewekt dat VolkerRail zich aan dit voorstel gebonden achtte.

4.14.

Bovendien heeft [eiser hoofdzaak/incident] kennelijk zelf onderkend dat [C] niet van de eerder gemaakte afspraken op de hoogte was en in zijn e-mail van 20 november 2014 van verkeerde uitgangspunten uitging. [eiser hoofdzaak/incident] heeft [C] immers dezelfde dag nog bij e-mail op het punt van de door [C] gestelde omzetgarantie van € 400.000,-- per fase gecorrigeerd. Niet is gebleken dat [eiser hoofdzaak/incident] zich tegenover [C] akkoord heeft verklaard met diens voorstel of dat hij na die tijd nog verder met [C] over dit voorstel heeft gesproken. Los gezien van het oordeel dat [eiser hoofdzaak/incident] er op grond van artikel 3:61 lid 2 BW niet gerechtvaardigd op heeft kunnen vertrouwen dat aan [C] een volmacht was verleend om namens VolkerRail ten aanzien van fase 3 en 4 een overeenkomst te sluiten, geldt dus ook dat niet is komen vast te staan dat [eiser hoofdzaak/incident] het aanbod van [C] heeft aanvaard.

4.15.

Gezien het voorgaande luidt de conclusie dat niet is komen vast te staan dat tussen [eiser hoofdzaak/incident] en VolkerRail ten aanzien van fase 3 en 4 van het project een overeenkomst tot stand is gekomen. De vordering van [eiser hoofdzaak/incident] op grond van artikel 7:764 lid 2 BW kan daarom niet slagen.

4.16.

[eiser hoofdzaak/incident] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Volkerrail worden begroot op:

- griffierecht € 3.864,--

- salaris advocaat € 5.160,-- (2 punten x tarief € 2.580,--)

Totaal € 9.024,--

De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen.

4.17.

De nakosten, waarvan VolkerRail betaling vordert, zullen op de in de beslissing weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

In het incident

5.1.

bepaalt dat de incidentele vordering als ingetrokken wordt beschouwd;

5.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

In de hoofdzaak

5.3.

wijst de vorderingen af;

5.4.

veroordeelt [eiser hoofdzaak/incident] in de proceskosten, aan de zijde van Volkerrail tot op heden begroot op € 9.024,--, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.5.

veroordeelt [eiser hoofdzaak/incident] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door VolkerRail volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,-- aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening;

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2016.1

1 type: BGv(M coll: