Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:7762

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
11-09-2017
Zaaknummer
4704722 UE VERZ 15-629 LH/1040 (verzoek tot vernietiging opzegging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet naar aanleiding van onenigheid over roosterwijziging. [naam]/Mammoet-criteria. Voorstel van werkgever tot roosterwijziging niet redelijk en daarom geen dringende reden voor ontslag aanwezig. Ontslag op staande voet vernietigd en ontbindingsverzoek van werkgever afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummers: 4704722 UE VERZ 15-629 LH/1040 (verzoek tot vernietiging opzegging), 4705152 UE 15-632 LH/1040 (provisioneel verzoek), 4752580 UE 16-15 LH/1040 (verzoek tot ontbinding)

Beschikking van 12 februari 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende en verwerende partij,

gemachtigde: mr. B.J.L. Baas,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KPN B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

verder ook te noemen KPN,

verwerende en verzoekende partij,

gemachtigde: mr. W.B. van Lingen.

1 Het verloop van de procedures

1.1.

Het verloop van de procedures blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift van [verzoeker] , strekkende tot vernietiging van het door KPN aan hem verleende ontslag op staande voet, met nevenvorderingen, ter griffie van deze rechtbank ingekomen op 24 december 2015, met bijbehorende producties, genummerd 1 tot en met 19;

- het verweerschrift van KPN, strekkende tot afwijzing van de verzoeken van [verzoeker] , tevens houdende een zelfstandig tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen, met bijbehorende producties, genummerd 1 tot en met 26;

- het verweerschrift van [verzoeker] , strekkende tot afwijzing van het verzoek van KPN tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen;

- de door [verzoeker] nagezonden producties, genummerd 20 tot en met 41;

- de door KPN nagezonden producties, genummerd 26 tot en met 29;

- de pleitaantekeningen van mr. Van Lingen;

- de door de griffier gemaakte aantekeningen van het verhandelde ter zitting van 25 januari 2016.

1.2.

Daarna is beschikking bepaald. Op 27 januari 2016 heeft de kantonrechter van KPN nog een twaalftal salarisspecificaties ontvangen, waar ter zitting om was verzocht. Op 28 januari 2016 heeft KPN nog een berekening van een transitievergoeding toegestuurd. Deze nadere stukken zijn door mr. Van Lingen ook aan mr. Baas gezonden.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [1973] , is op 1 juli 2001 als medewerker customer services voor 15 uren per week in dienst getreden van Planet Media Group N.V. te Utrecht, een rechtsvoorganger van KPN. Dat een parttime dienstverband is overeengekomen hing samen met de nevenwerkzaamheden die [verzoeker] destijds in loondienst verrichtte (en die hij later als zelfstandig ondernemer, medevennoot van een vennootschap onder firma, heeft voortgezet). Van de op 20 juni 2001 gesloten schriftelijke arbeidsovereenkomst maakte onderdeel uit een beding dat luidt: ‘Op deze arbeidsovereenkomst zijn de arbeidsvoorwaarden uit het handboek van toepassing. Deze arbeidsvoorwaarden kunnen door Planet Media Group NV worden aangevuld of gewijzigd, indien de omstandigheden hiertoe aanleiding geven. Deze aanvullingen of wijzigingen maken eveneens deel uit van deze arbeidsovereenkomst.’ Met ingang van 1 januari 2005 is [verzoeker] , ten gevolge van een overgang van de onderneming van Planet Media Group N.V. van rechtswege in dienst gekomen van een KPN-vennootschap, de rechtsvoorganger van KPN. Een in dat kader door KPN aan [verzoeker] toegezonden arbeidscontract, waarvan een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 Burgerlijk Wetboek (BW) deel uitmaakt, is door [verzoeker] niet getekend. Sindsdien is zijn functie die van medewerker klantenservice gaan heten. De werkzaamheden zijn hierdoor niet gewijzigd. [verzoeker] werkt op de helpdesk van KPN voor de consumentenmarkt, die zeven dagen per week van 8.00 tot 22.00 uur bemenst is om vragen van klanten en monteurs te kunnen beantwoorden. De arbeidsovereenkomst van partijen geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd.

2.2.

De werktijden van [verzoeker] zijn vanaf 1 juli 2001 lange tijd dezelfde geweest. In verband met zijn nevenwerkzaamheden overdag werkte hij voor KPN buiten de reguliere kantooruren, en wel op de maandagavond, op zaterdag en op zondag. Nadat [verzoeker] in 2014 voor 4 uren per week ouderschapsverlof heeft opgenomen, werkt hij 11 uren per week, en wel - tot begin oktober 2015 - vier uren op maandag van 18.00 tot 22.00 uur en zeven uren op zondag tussen 9.45 tot 17.15 uur. Het ouderschapsverlof zal nog enige tijd voortduren.

2.3.

KPN vindt het al geruime tijd ongewenst dat bij haar bedrijfsvoering rekening moet worden gehouden met de vaste werktijden van [verzoeker] . Van haar werknemers is [verzoeker] nog de enige met een vast rooster. Nadat in 2014 besprekingen tussen partijen, door KPN geïnitieerd omdat zij van [verzoeker] een grotere beschikbaarheid wenste, vanwege diens nevenwerkzaamheden niet tot overeenstemming hadden geleid, heeft KPN in juni 2015 het overleg over een wijziging van het werkrooster van [verzoeker] heropend. De reden hiervan was gelegen in de toen aanstaande overstap van koper naar glasvezel (ook wel de overgang naar ‘Leverstraat 3’ genoemd). KPN heeft de voor deze overstap benodigde training, het inwerken en de begeleiding van het helpdeskpersoneel geconcentreerd binnen de reguliere kantooruren. Ook de controle op en monitoring van de werkzaamheden van het helpdeskpersoneel vinden in hoofdzaak doordeweeks overdag plaats. De hiervoor ingezette coaches, supervisors en aanspreekpunten zijn voornamelijk van maandag tot en met vrijdag tijdens kantooruren aanwezig. In verband daarmee stelde KPN voor dat [verzoeker] vanaf 1 september 2015 (later uitgesteld tot 1 oktober 2015), binnen zijn aanstelling van (thans) 11 uren per week, structureel vier uren per week aaneengesloten op een doordeweekse dag tijdens kantooruren (van 9.00 tot 17.00 uur) wordt ingeroosterd.

2.4.

In het overleg dat hierop is gevolgd (en waarin partijen door hun gemachtigden werden bijgestaan), heeft [verzoeker] benadrukt dat hij vanwege zijn werkzaamheden als zelfstandig ondernemer slechts beperkt in staat is om doordeweeks overdag voor KPN te werken. Hij stelde voor om zijn werktijden als volgt te wijzigen: op maandagen van 18.00 tot 22.00 uur, op zondagen van 9.45 tot 12.45 uur en op vrijdagen van 15.00 tot 19.00 uur. Na afloop van het ouderschapsverlof zal hij daarnaast ook weer op zaterdagen van 13.00 tot 17.00 uur werken. KPN verlangde evenwel dat [verzoeker] op vrijdagen van 13.00 tot 17.00 uur zou komen werken, zodat hij in elk geval gedurende vier aaneengesloten uren kan profiteren van de tijdens kantooruren aanwezige training/begeleiding/coaching en er op kan worden toegezien dat hij zich naar behoren aan de door de overstap naar glasvezel gewijzigde situatie aanpast. [verzoeker] heeft kenbaar gemaakt dat hij zijn werk voor KPN op vrijdagen niet vóór 15.00 uur kan beginnen, omdat hij op vrijdagen tot 14.00 uur in het kader van zijn vennootschap onder firma voor een vaste eigen klant werkt (en dan nog minimaal een half uur reistijd heeft).

2.5.

KPN heeft vervolgens met ingang van 3 oktober 2015 eenzijdig de werktijden van [verzoeker] gewijzigd, in die zin dat hij behalve op maandagen van 18.00 tot 22.00 uur en op zondagen van 9.45 tot 12.45 uur, op vrijdagen van 13.00 tot 17.00 uur wordt ingeroosterd. KPN heeft [verzoeker] disciplinaire maatregelen in het vooruitzicht gesteld, ingeval hij op vrijdagen niet op tijd (om 13.00 uur) op het werk zou verschijnen.

2.6.

Op vrijdag 9 oktober 2015 heeft [verzoeker] zijn werk voor KPN om 15.00 uur aangevangen. Daarop heeft KPN hem bij brief van 16 oktober 2015 wegens werkweigering een schriftelijke waarschuwing gegeven.

2.7.

Op vrijdag 16 oktober 2015 is [verzoeker] opnieuw om 15.00 uur op zijn werk verschenen. Bij brief van 22 oktober 2015 heeft KPN aan [verzoeker] meegedeeld dat zij ook dit als werkweigering aanmerkt en dat, als hij op 23 oktober 2015 opnieuw te laat op zijn werk verschijnt, het loon over de niet gewerkte uren (op grond van artikel 7:627 BW) zal worden ingehouden.

2.8.

Op vrijdag 23 oktober 2015 is [verzoeker] zijn werk voor KPN wederom om 15.00 uur begonnen. Bij brief van 28 oktober 2015 heeft KPN aan [verzoeker] meegedeeld dat hij over de op 23 oktober 2015 vóór 15.00 uur niet gewerkte tijd geen loon zou ontvangen. Hem werd een ontslag op staande voet in het vooruitzicht gesteld, indien hij op 30 oktober 2015 weer niet op tijd (om 13.00 uur) op het werk zou verschijnen. [verzoeker] ontving deze brief van KPN op 4 november 2015. Zijn toenmalige gemachtigde heeft de brief wél op 29 oktober 2015 ontvangen.

2.9.

Toen [verzoeker] op vrijdag 30 oktober 2015 weer om 15.00 uur op het werk verscheen, is hij door KPN op staande voet ontslagen. KPN heeft dit ontslag bij brief, gedagtekend 3 november 2015 doch door [verzoeker] pas op 11 november 2015 ontvangen, bevestigd. In deze brief is de aan het ontslag ten grondslag gelegde reden als volgt omschreven: ‘De reden voor het ontslag op staande voet is, zoals jou al mondeling is meegedeeld, gelegen in het feit dat KPN heeft geconstateerd dat jij bij herhaling de verplichtingen die de arbeidsovereenkomst aan jou oplegt, hebt veronachtzaamd. Dit is gelegen in jouw herhaalde ongeoorloofde afwezigheid c.q. het herhaaldelijk te laat verschijnen op je werk.’ In de brief is vervolgens gewezen op de doorgevoerde roosterwijziging en op het feit dat [verzoeker] op 9, 16 en 23 oktober 2015 om 15.00 uur in plaats van 13.00 uur op het werk is verschenen. De brief vervolgt: ‘Ondanks de waarschuwingen, de opgelegde loonstaking die als prikkel diende om jouw werkzaamheden op het verzochte tijdstip te verrichten en de geboden laatste kans onder aankondiging dat je op staande voet ontslagen zou worden indien je niet op het verzochte tijdstip zou verschijnen, heb je in jouw werkweigering volhard(-) door vrijdag 30 oktober 2015 wederom twee uur te laat op het werk te verschijnen. Dit vormt de druppel die de emmer heeft doen overlopen. Van KPN kan dan ook redelijkerwijze niet worden verwacht de arbeidsovereenkomst met jou te laten voortduren. Het voorgaande beschreven gedrag acht KPN zeer kwalijk. Dit geldt temeer nu jij in het verleden reeds eerder een officiële waarschuwing van KPN hebt gekregen. Bij brief van 26 mei 2014 heb je ook al een waarschuwing ontvangen voor jouw onbehoorlijke gedrag tijdens twee telefoongesprekken richting (directe) collega’s. Naar aanleiding van een en ander en na afweging van jouw persoonlijke omstandigheden en de belangen van KPN, heeft KPN besloten jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang (per 30 oktober 2015) wegens een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW op te zeggen (-).’

3 De verzoeken en de standpunten van partijen

3.1.

[verzoeker] verzoekt (primair) om vernietiging van het hem op 30 oktober 2015 door KPN gegeven ontslag op staande voet. Voorts verzoekt [verzoeker] dat KPN wordt veroordeeld om hem binnen 24 uur na betekening van de te wijzen beschikking in staat te stellen zijn werkzaamheden op de tot 3 oktober 2015 gebruikelijke werktijden te hervatten met alle bevoegdheden en faciliteiten die hij krachtens de arbeidsovereenkomst placht te genieten, en hem toegang te verlenen tot alle vereiste en gebruikelijk voor hem toegankelijke ruimtes en systemen van KPN, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag of gedeelte daarvan dat KPN in gebreke blijft hieraan te voldoen. [verzoeker] verzoekt voorts dat KPN wordt veroordeeld tot betaling van het overeengekomen loon c.a. voor 11 uren per week, te vermeerderen met de wettelijke verhoging wegens te late betaling, en wel totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto salarisspecificatie, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag of gedeelte daarvan dat KPN in gebreke blijft deze specificatie uiterlijk 14 dagen na ommekomst van de maand waarop deze betrekking heeft te verstrekken. [verzoeker] maakt aanspraak op wettelijke rente over loon en wettelijke verhoging. Tevens vordert [verzoeker] dat KPN wordt veroordeeld om het vakantietegoed van [verzoeker] te corrigeren, met verbod om de afgelopen periode waarin hij niet tot het werk is toegelaten ten laste van het vakantietegoed te brengen. Ten slotte vordert [verzoeker] dat het KPN wordt verboden om jegens hem eenzijdige wijzigingen van de te werken uren door te voeren, een en ander met veroordeling van KPN tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en in de proceskosten.

3.2.

[verzoeker] heeft op grond van artikel 223 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) verzocht om voor de duur van het geding een voorlopige voorziening te treffen, strekkende onder meer tot - kort gezegd - wedertewerkstelling en loondoorbetaling.

3.3.

[verzoeker] legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat KPN de arbeidsovereenkomst met hem op 30 oktober 2015 niet rechtsgeldig heeft kunnen opzeggen. Er is niet voldaan aan de onverwijldheidseis en een dringende reden voor een ontslag op staande voet ontbrak. KPN heeft niet eenzijdig mogen bepalen dat [verzoeker] op vrijdagen van 13.00 tot 17.00 uur diende te werken, wetende dat hij in verband met zijn nevenwerkzaamheden als zelfstandige niet in staat is eerder dan 15.00 uur te beginnen. Er is geen eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW overeengekomen en de wijziging strookt niet met het in de rechtspraak op grond van artikel 7:611 BW ontwikkelde toetsingskader. Er zijn binnen de werktijden van [verzoeker] voor KPN voldoende gelegenheden tot training/begeleiding/coaching/controle in het kader van de overstap naar glasvezel, aldus [verzoeker] .

3.4.

KPN voert verweer tegen de verzoeken en vorderingen van [verzoeker] . De overstap van koper naar glasvezel is een complexe operatie en vergt een langdurige periode van coaching en begeleiding van de medewerkers van de helpdesk, onder wie [verzoeker] . Daartoe is een speciaal opleidingsplan opgesteld. Er zijn voorzieningen getroffen die meebrengen dat de helpdeskmedewerkers hoofdzakelijk tijdens kantooruren (maandag tot en met vrijdag van 9.00 tot 17.00 uur) bij hun werk worden gecoacht, begeleid en gecontroleerd. Coaching, begeleiding en toezicht kan niet, althans in veel mindere mate buiten de reguliere kantooruren plaatsvinden. Daarom was het noodzakelijk dat [verzoeker] (die als enige één avond per week, gecombineerd met een weekenddag, werkt) minimaal vier aaneengesloten uren per week tijdens kantooruren zou komen werken. Hij mocht zelf bepalen op welke doordeweekse dag dat zou zijn en welke uren (buiten kantoortijd) hij daarvoor zou ruilen. Toen in overleg met [verzoeker] geen overeenstemming kon worden, heeft KPN gebruik gemaakt van het overeengekomen eenzijdige wijzigingsbeding en bepaald dat hij op vrijdagen van 13.00 tot 17.00 uur dient te komen werken. Subsidiair beroept KPN zich op de [naam] /Mammoet-jurisprudentie en het instructierecht van artikel 7:660 BW. [verzoeker] heeft hardnekkig geweigerd om op vrijdagen vanaf 13.00 uur te werken. Tegenover het zwaarwegende belang van KPN heeft [verzoeker] niet inzichtelijk gemaakt waarom hij zijn nevenwerkzaamheden als zelfstandig ondernemer, en dus ‘eigen baas’, niet zodanig kon inrichten dat hij op vrijdagen vanaf 13.00 uur voor KPN beschikbaar was. Op 9, 16 en 23 oktober 2015 is hij vervolgens steeds twee uren te laat op het werk verschenen. Op 30 oktober 2015 is hij rechtsgeldig op staande voet ontslagen, omdat hij voor de vierde keer te laat op het werk was verschenen, zo stelt KPN.

3.5.

Harerzijds verzoekt KPN om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen, voor zover deze nog niet door het ontslag op staande voet van 30 oktober 2015 zou zijn geëindigd. KPN baseert dit verzoek primair op het verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Hij heeft zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst herhaaldelijk veronachtzaamd door zijn herhaalde ongeoorloofde afwezigheid althans het herhaaldelijk te laat op het werk verschijnen. Subsidiair acht KPN de arbeidsverhouding met [verzoeker] onherstelbaar verstoord doordat het vertrouwen dat zij in hem moet kunnen stellen is vervallen door zijn opstelling in het kader van de roosterwijziging. Hierbij speelt voor haar ook een rol dat [verzoeker] eerder (in mei 2014) is gewaarschuwd voor onbehoorlijk gedrag tegen collega’s. KPN stelt zich op het standpunt dat aan [verzoeker] geen transitievergoeding toekomt.

3.6.

[verzoeker] heeft zich tegen het ontbindingsverzoek verweerd.

4 De beoordeling van het geschil

Het ontslag op staande voet

4.1.

De kern van het geschil betreft de vraag of KPN de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op 30 oktober 2015 rechtsgeldig heeft kunnen opzeggen. Anders dan [verzoeker] heeft betoogd, is voldaan aan de (dubbele) onverwijldheidseis die artikel 7:677 lid 1 BW aan een ontslag op staande voet stelt. Het ontslag op staande voet is op 30 oktober 2015 gegeven, onverwijld nadat [verzoeker] die dag - voor de vierde keer in korte tijd en na te zijn gewaarschuwd - te laat op het werk was verschenen. Ook staat vast dat KPN in het gesprek dat die dag heeft plaatsgevonden de ontslagreden heeft meegedeeld. Naar [verzoeker] ter zitting heeft verklaard, is hem in dat gesprek meegedeeld dat de reden van het ontslag was gelegen in het feit dat hij ‘weer te laat’ was. Dat vervolgens de brief waarin KPN dit ontslag aan [verzoeker] bevestigde enige tijd op zich heeft laten wachten (en [verzoeker] eerst nog de verlate brief van 28 oktober 2015 ontving) maakt dit niet anders. Het moet [verzoeker] duidelijk zijn geweest dat hij op 30 oktober 2015 op staande voet was ontslagen, omdat hij op 9, 16, 23 en 30 oktober 2015 telkens twee uur te laat op het werk was verschenen. Voor zover KPN zich mede heeft willen beroepen op een eerder voorval in mei 2014, waarop in de ontslagbrief wordt gewezen, oordeelt de kantonrechter dat, wat van dat voorval ook zij, [verzoeker] er geen rekening mee heeft hoeven houden dat hij mede daarom op staande voet was ontslagen. Niet gesteld of gebleken is dat dit eerdere voorval in het gesprek van 30 oktober 2015 ter sprake is gebracht. Bij de verdere beoordeling van het ontslag op staande voet gaat het daarom om de vraag of het feit dat [verzoeker] op vier achtereenvolgende vrijdagen in oktober 2015 om 15.00 uur in plaats van om 13.00 uur op het werk is verschenen als een dringende reden is aan te merken.

4.2.

Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt. En verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Toegespitst op het geschil van partijen overweegt de kantonrechter het volgende.

4.3.

Het ontslag wordt door beide partijen geplaatst in het kader van het daaraan voorafgegane overleg over, en het besluit van KPN tot eenzijdige wijziging van de werktijden van [verzoeker] . Met partijen is de kantonrechter van oordeel dat de vraag naar de aanwezigheid van een dringende reden (mede) dient te worden beoordeeld in het licht van de roosterwijziging. De vraag die in dat kader moet worden beantwoord is of KPN de werktijden van [verzoeker] eenzijdig heeft mogen wijzigen. Partijen verschillen van mening over het bij de beantwoording van die vraag toepasselijke toetsingskader. De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende.

4.4.

Het meest vergaande standpunt dat KPN heeft ingenomen, behelst dat de roosterwijziging is doorgevoerd ter uitoefening van het instructierecht dat KPN als werkgever heeft. Dit betoog faalt. Vast staat dat [verzoeker] vanaf zijn indiensttreding bij (de rechtsvoorganger van) KPN op vaste tijden, en buiten de reguliere kantoortijden, heeft gewerkt. Daarmee gelden die werktijden als een arbeidsvoorwaarde en behoren zij tot de inhoud van de arbeidsovereenkomst van partijen. Voor een beroep op het instructierecht van de werkgever is slechts plaats binnen de grenzen die algemeen verbindende voorschriften en de arbeidsovereenkomst daaraan stellen. Het bepaalde in artikel 7:660 BW kan niet dienen als grondslag voor een eenzijdige wijziging van overeengekomen arbeidsvoorwaarden.

4.5.

Ook het beroep dat KPN op het bepaalde in artikel 7:613 BW heeft gedaan, kan haar niet baten. KPN heeft in dit geding geen schriftelijk beding kunnen overleggen dat haar jegens [verzoeker] de bevoegdheid geeft eenzijdig zijn vaste werktijden te wijzigen. Het arbeidscontract dat in het kader van de overgang naar een KPN-vennootschap omstreeks 1 januari 2005 aan [verzoeker] is toegezonden, is niet door hem ondertekend. Op het schriftelijke beding dat deel uitmaakte van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Planet Media Group N.V. kan KPN zich niet baseren, omdat dat beding uitsluitend ziet op een wijziging van de arbeidsvoorwaarden uit het toepasselijke handboek van Planet Media Group N.V. Niet gesteld of gebleken is dat de werktijden van [verzoeker] daarin waren vastgelegd.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat in dit geding de mogelijkheid van eenzijdige roosterwijziging dient te worden beoordeeld aan de hand van het door de Hoge Raad in het arrest van 11 juli 2008 (JAR 2008, 204 inzake [naam] /Mammoet) uiteengezette toetsingskader. Dit brengt mee dat voor een wijziging van arbeidsvoorwaarden in beginsel overeenstemming tussen partijen vereist is, maar dat daarbij de voor werkgever en werknemer over en weer uit artikel 7:611 BW voortvloeiende verplichtingen van belang zijn. Hieruit volgt dat in de eerste plaats moet worden onderzocht of de werkgever als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarde, en of het door hem gedane voorstel redelijk is. In dat verband moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Vervolgens dient nog te worden onderzocht of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden.

4.7.

Partijen twisten allereerst over de vraag of KPN als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de werktijden van [verzoeker] . [verzoeker] heeft de overstap van koper naar glasvezel, de directe aanleiding voor de door KPN voorgestane roosterwijziging, gerelativeerd in de zin dat het zou gaan om een beperkte technische wijziging die, mede gezien zijn kennis en ervaring, weinig verandert aan zijn werk als helpdeskmedewerker. De kantonrechter volgt [verzoeker] in dit standpunt niet. Het behoort tot de verantwoordelijkheid en - daarmee - de bevoegdheid van KPN als ondernemer om bij een technische wijziging in haar dienstverlening te beoordelen welke voorzieningen, in de vorm van training/begeleiding/coaching moeten worden getroffen om te verzekeren dat de daarbij betrokken werknemers in de uitvoering van hun werkzaamheden in staat zijn om zich daaraan aan te passen. Ook heeft KPN er belang bij dat erop kan worden toegezien dat het personeel de transitie naar ‘Leverstraat 3’ naar behoren voltrekt. KPN heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de overstap naar glasvezel noopt tot coaching van het helpdeskpersoneel ‘on the job’. Zij heeft voor [verzoeker] in dat transitieproces geen uitzondering hoeven maken.

4.8.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of het voorstel dat KPN aan [verzoeker] heeft gedaan redelijk is. KPN heeft betoogd dat het voor het inwerken, begeleiden, coachen en controleren van (de werkzaamheden van) [verzoeker] noodzakelijk was dat hij binnen zijn aanstelling (van thans 11 uren per week) tijdens reguliere kantoortijd minimaal vier aaneengesloten uren ging werken, omdat er anders onvoldoende gelegenheid voor begeleiding en toezicht zou zijn. Kennelijk heeft KPN de overstap naar glasvezel willen aangrijpen om eindelijk, na eerdere mislukte pogingen, te bereiken dat [verzoeker] - net als het overige helpdeskpersoneel - mede doordeweeks overdag beschikbaar zou zijn. Waar evenwel dat - meer algemene - belang bij harmonisatie in de roostering eerder niet tot overeenstemming tussen partijen heeft geleid en niet is gesteld of gebleken dat zich in de dagelijkse praktijk problemen hebben voorgedaan doordat [verzoeker] alleen buiten kantoortijd werkte, moet de vraag naar de redelijkheid van de eenzijdige wijziging van zijn werktijden uitsluitend worden beoordeeld in het licht van de overstap naar glasvezel. Daarbij valt allereerst op dat KPN in de tijdelijke transitieperiode reden heeft gezien om een definitieve wijziging van de werktijden van [verzoeker] door te voeren. Ter zitting is namens KPN verklaard dat in het geval van [verzoeker] met de transitie ongeveer een half jaar zou zijn gemoeid. KPN heeft niet verklaard waarom niet met een tijdelijke roosterwijziging van die duur kon worden volstaan. Dit maakt dat het voorstel niet - zonder meer - als redelijk kan worden aangemerkt.

4.9.

KPN heeft de kantonrechter er wél van kunnen overtuigen dat het voor de overstap van koper naar glasvezel noodzakelijk is dat - ook - de helpdeskmedewerkers, onder wie [verzoeker] , worden begeleid en gecoacht. Voldoende aannemelijk is dat ook zij moeten worden ingewerkt op de technische wijzigingen en dat dit voor een behoorlijke dienstverlening aan monteurs en klanten onontbeerlijk is, omdat de helpdesk ook bedoeld is voor ondersteuning op technisch gebied. De vraag die daarmee resteert is of die begeleiding en coaching niet ook hadden kunnen plaatsvinden als [verzoeker] - naast zijn werk op zondag en maandagavond - op vrijdagen van 15.00 tot 19.00 uur zou werken, zoals [verzoeker] heeft voorgesteld. Ter zitting is namens KPN uiteengezet dat van maandag tot en met vrijdag dagelijks om 15.30 uur een ‘dagstart’ plaatsvindt, alwaar gerezen problemen kunnen worden besproken. Voorts zijn doordeweeks tijdens kantoortijd (van 9.00 tot 17.00 uur) medewerkers aanwezig die als coach/supervisor en als (technisch) aanspraakpunt/vraagbaak de begeleiding van het helpdeskpersoneel verzorgen. Ten behoeve van de collega’s van [verzoeker] die - net als hij - in de avonduren werken, is incidenteel coaching geregeld. Anders dan [verzoeker] , werken deze collega’s evenwel - behalve ’s avonds - óók overdag (zij hebben een grotere aanstelling dan hij), zodat zij wél voldoende kunnen profiteren van de begeleiding en wél kunnen worden gecontroleerd. Op maandagavonden, als [verzoeker] werkt, is er geen coaching, zo stelt KPN.

4.10.

De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] , als hij op vrijdagmiddag om 15.00 uur begon, de ‘dagstart’ kon meemaken (en op 9, 16 en 23 oktober 2015 ook heeft meegemaakt). Ook kon hij op vrijdagmiddag tussen 15.00 en 17.00 uur worden ingewerkt en begeleid door de dan aanwezige coaches en leidinggevenden. Ter zitting is namens KPN verklaard dat deze medewerkers op vrijdagen niet allen klokslag 17.00 uur hun werk beëindigen, maar dat de bezetting na 17.00 uur wel minder is. Ook na 17.00 uur waren er dus mogelijkheden om [verzoeker] , wanneer hij tot 19.00 uur zou doorwerken, in te werken en te coachen. KPN heeft de kantonrechter er ook niet van kunnen overtuigen dat van haar - als goed werkgever - niet kon worden gevergd voor [verzoeker] op maandagavond incidenteel coaching in te zetten. Kennelijk was dat op de andere doordeweekse avonden ten behoeve van collega’s van [verzoeker] wél haalbaar. Ten slotte heeft KPN niet duidelijk gemaakt waarom bij de begeleiding van [verzoeker] geen intensiever gebruik kon worden gemaakt van de mogelijkheid om de door hem gevoerde telefoongesprekken op te nemen en deze opnames met hem op vrijdagen vanaf 15.00 uur te beluisteren en te evalueren.

4.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het door KPN aan [verzoeker] gedane voorstel om op vrijdagen van 13.00 tot 17.00 uur te werken niet redelijk was. In het midden kan dan ook blijven of [verzoeker] zich er voldoende voor heeft ingespannen om zijn nevenwerkzaamheden als zelfstandige daaraan aan te passen. De eenzijdige wijziging van de werktijden van [verzoeker] , in die zin dat hij op vrijdagen vanaf 13.00 uur zijn werk voor KPN diende aan te vangen, kan daarom de op artikel 7:611 BW toegesneden toets niet doorstaan.

4.12.

Hierdoor kan ook het ontslag op staande voet van 30 oktober 2015 geen stand houden. Omdat KPN redelijkerwijs van [verzoeker] niet mocht verlangen dat hij op de vrijdagmiddag vóór 15.00 uur op het werk verscheen, had zij geen dringende reden voor het ontslag op staande voet. Hierbij worden de lengte van het dienstverband, de staat van dienst van [verzoeker] en zijn aanmerkelijke belang om zijn werk voor KPN te kunnen blijven combineren met zijn nevenwerkzaamheden als zelfstandige, mede in aanmerking genomen. Het primaire verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van de opzegging van 30 oktober 2015 wordt toegewezen. Dit brengt mee dat de arbeidsovereenkomst van partijen onverminderd is blijven voortbestaan. De vordering tot wedertewerkstelling is toewijsbaar, zoals hierna omschreven. Hierbij heeft te gelden dat, voor de periode van een half jaar dat de transitie naar ‘Leverstraat 3’ voor [verzoeker] duurt, zijn werktijden zijn: maandag van 18.00 tot 22.00 uur, vrijdag van 15.00 tot 19.00 uur en zondag van 9.45 tot 12.45 uur. Na ommekomst van dat half jaar en zolang het ouderschapsverlof van [verzoeker] duurt zijn, behoudens tussentijdse rechtsgeldige (eenzijdige) wijziging, de werktijden weer: maandag van 18.00 tot 22.00 uur en zondag van 9.45 tot 17.15 uur. De vordering tot loonbetaling wordt toegewezen, zoals hierna omschreven. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat [verzoeker] voorshands, zolang zijn ouderschapsverlof duurt, 11 uren per week werkt. KPN wordt veroordeeld tot verstrekking van loonspecificaties. De dwangsommen worden gematigd en gemaximeerd, zoals hierna omschreven. De wettelijke verhoging wegens te late betaling van het loon wordt toegewezen over de periode van 30 oktober 2015 tot en met de maand januari 2016. Deze verhoging wordt gezien de omstandigheden van het geval gematigd tot 25%. Over het loon over de periode vanaf 1 februari 2016 wordt geen wettelijke verhoging toegewezen, omdat [verzoeker] zich met deze beschikking van tijdige loonbetaling kan voorzien. De wettelijke rente over loon en wettelijke verhoging wordt toegewezen. De vordering tot correctie van het vakantietegoed is te weinig bepaald om, nu het dienstverband van partijen voortduurt, te kunnen worden toegewezen. De kantonrechter begrijpt evenwel [verzoeker] aldus dat hij zich op het standpunt stelt dat hij over de periode dat hij vanaf 30 oktober 2015 door KPN niet tot het werk is toegelaten recht op de overeengekomen vakantiedagen heeft. De kantonrechter zal dit hierna in een verklaring voor recht vastleggen. Het gevorderde verbod - kort gezegd - tot eenzijdige wijziging van de werktijden wordt afgewezen, omdat niet kan worden uitgesloten dat KPN op enig moment gerechtigd is om - ook zonder dat [verzoeker] daarmee instemt - zijn werkrooster aan gewijzigde omstandigheden aan te passen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet is gebleken dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.

4.13.

KPN wordt, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden tot deze beschikking aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 821,--, zijnde € 221,-- aan griffierecht en € 600,-- aan salaris gemachtigde.

4.14.

Bij een beslissing op zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv heeft [verzoeker] geen belang meer, nu bij deze beschikking onmiddellijk in de hoofdzaak wordt beslist.

Het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst

4.15.

KPN heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair op de ontslaggrond van artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder e BW (verwijtbaarheid aan de zijde van werknemer) en subsidiair op de ontslaggrond die is genoemd onder g van dit artikellid (verstoorde arbeidsverhouding). Onder verwijzing naar hetgeen hierboven is overwogen, wijst de kantonrechter dit verzoek af. Aan [verzoeker] kan niet worden verweten dat hij zich steeds - naar uit deze beschikking volgt, terecht - op het standpunt heeft gesteld dat KPN niet van hem mocht verlangen dat hij op vrijdagen vanaf 13.00 uur werkte. Dat hij zich dienovereenkomstig heeft gedragen, en wel door op 9, 16, 23 en 30 oktober 2015 pas om 15.00 uur op het werk te verschijnen, kan dan ook niet als verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] worden aangemerkt. Het beroep van KPN op het bepaalde in artikel 7:671b lid 1 juncto 7:699 lid 3, aanhef en onder g BW rechtvaardigt evenmin ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen. Hetgeen hierboven over de eenzijdige roosterwijziging is overwogen, brengt mee dat van KPN in redelijkheid mag worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] laat voortduren. KPN heeft gemeend de werktijden van [verzoeker] eenzijdig te kunnen wijzigen en daarop zwaar te moeten inzetten. In plaats van ervoor te kiezen om het geschil over het werkrooster aan de rechter voor te leggen, heeft zij [verzoeker] op staande voet ontslagen toen hij zich niet naar haar wijzigingsbesluit voegde. Nu zij op dat punt in het ongelijk wordt gesteld, ligt het op haar weg om zich in te spannen voor een normalisering van de betrekking met [verzoeker] .

4.16.

KPN wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten van de ontbindingsprocedure. Deze kosten worden aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 600,-- aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak:

vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst door KPN van 30 oktober 2015;

veroordeelt KPN om [verzoeker] binnen 24 uur na betekening van deze beschikking in staat te stellen de tot zijn functie behorende werkzaamheden uit te voeren, de tot zijn functie behorende bevoegdheden uit te oefenen en hem de daarvoor benodigde faciliteiten ter beschikking te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per werkdag dat KPN in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 25.000,-- aan in totaal hiervoor te verbeuren dwangsommen;

bepaalt dat gedurende het eerstvolgende half jaar de werktijden van [verzoeker] bij KPN zijn: maandag van 18.00 tot 22.00 uur, vrijdag van 15.00 tot 19.00 uur en zondag van 9.45 tot 12.45 uur, en dat na ommekomst van dat half jaar (en zolang het ouderschapsverlof van [verzoeker] duurt) de werktijden zijn: maandag van 18.00 tot 22.00 uur en zondag van 9.45 tot 17.15 uur, een en ander behoudens rechtsgeldige wijziging van deze werktijden;

veroordeelt KPN om aan [verzoeker] over de periode van 30 oktober 2015 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd het overeengekomen loon, vermeerderd met emolumenten, voor de bedongen arbeid te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging wegens te late betaling van het loon over de periode van 30 oktober 2015 tot en met de maand januari 2016 overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:625 BW en tot een maximum van 25%, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over het verschuldigde loon vanaf de opeisbaarheid van de respectievelijke loontermijnen tot de voldoening en met de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf de verschuldigdheid ervan overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:625 BW tot de voldoening;

veroordeelt KPN om aan [verzoeker] deugdelijke bruto/netto salarisspecificaties te verstrekken van de loonbetalingen, en wel over de periode van 30 oktober 2015 tot en met de maand januari 2016 binnen een week na betekening van deze beschikking en voor het loon over de periode vanaf 1 februari 2016 binnen 14 dagen na ommekomst van de maand waarop de loonbetaling betrekking heeft, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per kalenderdag dat KPN hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 2.500,-- aan in totaal hiervoor te verbeuren dwangsommen;

verklaart voor recht dat [verzoeker] jegens KPN aanspraak heeft op opbouw van vakantie over de periode vanaf 30 oktober 2015 en dat hij niet geacht kan worden vakantie te hebben genoten in de periode dat KPN hem na het ontslag op staande voet van 30 oktober 2015 niet tot zijn werk heeft toegelaten;

veroordeelt KPN tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] , tot deze beschikking begroot op € 821,--, waarin begrepen € 600,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in de provisie:

laat het verzoek in de zin van artikel 223 Rv buiten behandeling;

in de ontbindingsprocedure:

wijst het verzoek af;

veroordeelt KPN in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] , tot deze beschikking begroot op € 600,-- aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gewezen door mr. J.M. Willems, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2016.