Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:7733

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-07-2016
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
4152340 AC EXPL 15-2153 eindvonnis
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2015:9878
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop paard. Non-conformiteit. Eindvonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4152340 AC EXPL 15-2153 HAB/17443

Vonnis van 6 juli 2016

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. S.A. Wensing,

tegen:

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats]

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats]

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats]

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats]

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij, verder gezamenlijk ook te noemen [gedaagde sub 1 c.s.] ,

gemachtigde: mr. V.M. Weski.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 september 2015;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 22 januari 2016;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 8 maart 2016;

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van [eiseres]

  • -

    de antwoordconclusie na getuigenverhoor van [gedaagde sub 1 c.s.] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen zij in het tussenvonnis heeft overwogen. In het tussenvonnis van 16 september 2015 is aan [eiseres] opgedragen te bewijzen dat [naam paard] tengevolge van de verminderde visus aan het rechteroog zodanig schrikachtig is dat zij niet geschikt is als gemiddeld braaf rijpaard voor hobbymatige doeleinden. Van de zijde van [eiseres] zijn drie getuigen gehoord: mw [getuige 1] , die stalmedewerker is bij de stal waar [naam paard] sinds september 2014 staat, mw [getuige 2] , eigenaar van de stal waar [naam paard] sinds september 2014 staat en mw [getuige 3] , specialist chirurgie paard, die [naam paard] op 3 februari 2015 heeft onderzocht. Van de zijde van [gedaagde sub 1 c.s.] zijn drie getuigen gehoord: mw [getuige 4] , die [naam paard] kent van de stal van [gedaagde sub 1 c.s.] , mw [getuige 5] , die [naam paard] heeft bereden voor de verkoop bij de stal van [gedaagde sub 1 c.s.] en dhr [gedaagde sub 4] , gedaagde sub 4.

2.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter is [eiseres] geslaagd om het haar opgedragen bewijs te leveren. De kantonrechter haalt in dat verband allereerst de verklaring van mw [getuige 3] aan:

“De gevolgen voor een paard met verminderde visus aan één oog hangt af van het paard. Sommige paarden met verminderde visus kunnen goed functioneren. Er zijn paarden die met één blind oog of beide blinde ogen nog goed functioneren in de sport. Andere paarden met verminderde visus kunnen dat niet. […] Als een paard verminderde visus heeft aan één oog zou het schrikachtig kunnen zijn, problemen hebben onder het zadel, een paard kan scheef lopen of een scheve hoofdstand hebben, of ze reageren anders (op andere paarden) als ze in de wei staan. Dit zijn dingen die wij horen van eigenaren van paarden met verminderde visus aan één oog. […] Ik zie bij ons in de kliniek wel eens paarden die aan één oog blind zijn of aan beide ogen en daar zie ik wel dat sommige paarden schrikachtig en angstig zijn en andere paarden niet. […] Ik kan me niet herinneren of ik zelf schrikachtig gedrag heb gezien bij [naam paard] .”

Mevrouw [getuige 3] werkt bij de Universiteitskliniek […] als specialist paarden bij de afdeling heelkunde paard. Zij heeft [naam paard] onderzocht op 3 februari 2015 en daarover de brief van 17 februari 2015 geschreven die in het tussenvonnis van 16 september 2015 is geciteerd. Uit haar verklaring blijkt dat de effecten van verminderde visus aan één oog verschillen per paard en dat één van de mogelijke effecten is dat het paard schrikachtig gedrag vertoont.

2.3.

Uit de verklaringen van mw [getuige 1] en mw [getuige 2] blijkt vervolgens dat [naam paard] , meteen sinds haar komst op manege [naam manege] , zeer schrikachtig gedrag heeft vertoond. Mevrouw [getuige 1] is stalmedewerker bij de manege, heeft een opleiding “Paard en Management” gevolgd en heeft een instructeursdiploma. Zij heeft ervaring met het rijden op jonge paarden en heeft drie paarden zadelmak gemaakt. Zij heeft gedurende ongeveer twee maanden [naam paard] bereden. Zij verklaart over het gedrag van [naam paard] :

“In het begin gedroeg [naam paard] zich zoals elk nieuw paard op stal: druk en rillig, daarmee bedoel ik schrikachtig. Dat is vrij normaal gedrag voor een nieuw paard. Bij [naam paard] werd het echter elke dag erger in plaats van minder, wat we normaal zien. Ook na inspanning en het rijden bleef ze schrikachtig. Het rijden ging ook steeds slechter, ze was heel gespannen en stijf, reageerde niet goed op de hulpen die ik gaf en schrok van allerlei dingen.

Op een gegeven moment is [naam paard] enorm geschrokken van iets terwijl ik al 5 minuten naast haar stond en ik niets hoorde of zag waarvan ze zou kunnen schrikken. Toen heb ik besloten om niet meer op haar te rijden. Toen heb ik ook bij mezelf gedacht of ze dingen misschien niet goed kon zien.

Het viel me op dat [naam paard] kon schrikken van dingen waar ze al vijf keer langs was gereden en de zesde keer niet meer langs durfde. Zij schrok pas van dingen als ze er vlak langs reed, terwijl andere paarden daar veel eerder van schrikken, als ze op een grotere afstand zijn.

Ik heb [naam paard] ook gelongeerd. Daarbij viel me op dat ze bij smalle doorgangen en bij licht-donker overgang heel hard begon te lopen en ik ervaarde dat als vluchtgedrag. Eenmaal in de bak ging het dan wel beter.

[…]

Ik rijd op veel verschillende paarden, ongeveer 5 tot 7 per dag. Ik heb het gedrag dat [naam paard] vertoont nog nooit gezien bij een paard en daarom denk ik dat er ook echt iets met haar aan de hand is.”

2.4.

Mevrouw [getuige 2] is eigenaar van manage [naam manege] en heeft daarnaast een handelsstal. Zij verklaart:

“We vonden [naam paard] wat onwennig in het begin maar dat is normaal voor een nieuw paard. We krijgen wel vaker nieuwe paarden. We hebben [naam paard] even laten wennen. […]

We hebben 65 paarden. [naam paard] was onverklaarbaar schrikkeriger dan de andere paarden. […]

Ik heb [naam paard] vaak zien rijden. […] [voornaam van getuige 1] [ [getuige 1] , ktr] heeft [naam paard] onder haar hoede genomen, samen met een andere collega en een bijrijdster. […] [naam paard] was in de bak steeds onverklaarbaar schrikkerig. [naam paard] sprong dan opzij, of wilde ergens niet langs, ze wilde dan rennen, of ze was ergens al 5 keer langs gereden en de 6de keer schrok ze er dan van. [naam paard] schrok meer dan gebruikelijk, ook voor een nieuw paard. Het schrikachtige gedrag verbeterde niet, hoe meer ze schrok, hoe opgejaagder ze werd.

Normaliter zie je ook bij een nieuw paard dat deze went aan de omgeving en de berijders, waarna ze steeds beter te berijden worden. Bij [naam paard] werd het gedrag niet beter en zij bleef schrikken van situaties, zowel onverwacht als bekend, bijvoorbeeld iemand die naast de bak stond.”

2.5.

Zoals gezegd volgt uit deze verklaringen dat [naam paard] vanaf het begin van haar verblijf bij de stal in september 2014 schrikachtig gedrag heeft vertoond. Bovendien blijkt eruit dat het schrikachtig gedrag niet minder is geworden, zoals gebruikelijk is bij een paard dat in een nieuwe omgeving wordt geplaatst. Zowel [getuige 1] als [getuige 2] verklaren dat het schrikachtig gedrag eerder erger werd dan minder. Bovendien was het schrikachtig gedrag zodanig dat op enig moment is besloten dat [naam paard] niet meer bereden kon worden en alleen nog maar gelongeerd werd. In combinatie met de verklaring van [getuige 3] dat één van de mogelijke effecten van verminderd visus aan één oog bij een paard is dat het schrikachtig gedrag vertoont, is daarmee het bewijs geleverd dat het schrikachtig gedrag voortkomt uit het verminderd zicht van [naam paard] . Ook is het bewijs geleverd dat het schrikachtig gedrag zodanig is dat [naam paard] niet geschikt is als gemiddeld braaf rijpaard voor hobbymatige doeleinden.

2.6.

[gedaagde sub 1 c.s.] heeft aangevoerd dat het causaal verband tussen de verminderde visus en het schrikachtige gedrag op basis van de getuigenverklaringen onvoldoende vaststaat. Zij heeft erop gewezen dat, als er vanuit wordt gegaan dat de verminderde visus al aanwezig was ten tijde van de levering (zoals door de kantonrechter is aangenomen in het tussenvonnis van 16 september 2015), onverklaarbaar is dat [naam paard] niet hetzelfde schrikachtige gedrag vertoonde bij [gedaagde sub 1 c.s.] . In dat kader heeft [gedaagde sub 1 c.s.] erop gewezen dat de door [gedaagde sub 1 c.s.] voorgebrachte getuigen allen verklaren dat [naam paard] nooit schrikachtig gedrag vertoonde voor de levering aan [eiseres] , ook niet op voor [naam paard] vreemd terrein. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft verder betoogd dat het veel aannemelijker is dat het schrikachtig gedrag is voortgekomen uit de manier waarop [eiseres] en/of manege [naam manege] met het paard zijn omgegaan (te weinig beweging geven, geen correcties op het gedrag geven).

2.7.

De kantonrechter overweegt dat met name uit de verklaringen van [getuige 5] en [gedaagde sub 4] blijkt dat zij bij [naam paard] nooit iets hebben gemerkt van verminderd zicht en het paard zich rustig en braaf gedroeg. In het tussenvonnis van 16 september 2015 is dat ook als vaststaand feit tussen partijen aangenomen. Die enkele omstandigheid leidt er echter niet toe dat de oorzaak van het schrikachtig gedrag moet worden gevonden in iets anders dan het verminderd zicht van [naam paard] . Daarbij stelt de kantonrechter voorop dat onduidelijk is wanneer de verminderde visus is ontstaan. Mevrouw [getuige 3] heeft daarover verklaard dat zij niets kan zeggen over het moment waarop de verminderde visus is ontstaan. Dit kan al jaren zo zijn of binnen een paar dagen zijn ontstaan, aldus [getuige 3] . Aan de omstandigheid dat [naam paard] eerder geen of minder schrikachtig gedrag vertoonde, kan dan ook niet het gevolg worden verbonden dat de verminderde visus destijds geen effect had en dat het schrikachtig gedrag dus in een andere oorzaak moet worden gevonden. Daarbij komt dat [naam paard] gefokt, afgericht en ingereden is door [gedaagde sub 1 c.s.] en dat verklaringen van [getuige 5] en [gedaagde sub 4] zien op de periode waarin [naam paard] grotendeels op voor haar bekend terrein verbleef. [gedaagde sub 4] heeft slechts over één gebeurtenis verklaard waarin [naam paard] buiten het terrein van [gedaagde sub 1 c.s.] was, namelijk op een keuring, en zich daarbij rustig heeft gedragen. Zijn verklaring over deze gebeurtenis weegt echter niet op tegen hetgeen de getuigen van de zijde van [eiseres] hebben verklaard, nog daargelaten de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld of de verminderde visus ten tijde van de keuring al aanwezig was.

2.8.

Ook het betoog dat te weinig beweging er (mogelijk) voor heeft gezorgd dat het paard schrikachtig, wild of angstig is geworden, volgt de kantonrechter niet. Na enige maanden is door [eiseres] en/of manege [naam manege] in verband met veiligheidsredenen besloten om [naam paard] niet meer te berijden maar alleen te longeren. Ook [getuige 1] en [getuige 2] zijn, met [gedaagde sub 1 c.s.] , van mening dat [naam paard] vanaf dat moment te weinig beweging kreeg voor een jong paard. Nog daargelaten of te weinig beweging het gedrag zou kunnen verklaren dat [naam paard] vertoonde, is uit de verklaringen niet af te leiden dat het paard ook in de eerste maanden, waarin ze hetzelfde schrikachtig gedrag vertoonde, te weinig beweging zou hebben gekregen.

2.9.

Nu [eiseres] is geslaagd in de bewijslevering heeft, zoals al overwogen in het tussenvonnis van 16 september 2015, de buitengerechtelijke ontbinding terecht plaatsgevonden en is [gedaagde sub 1 c.s.] vanaf 1 maart 2015 in verzuim. Er ontstaan daardoor ongedaanmakingsverbintenissen voor partijen: [eiseres] zal [naam paard] terug moeten leveren aan [gedaagde sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 1 c.s.] dient de koopprijs terug te betalen. Dit betekent dat de vordering tot terugbetaling van de koopprijs van € 4.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2015 toegewezen zal worden. Daarnaast moet [gedaagde sub 1 c.s.] de door [eiseres] ten gevolge van de non-conformiteit geleden schade vergoeden. De vordering tot hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1 c.s.] tot betaling van de schade, nader op te maken bij staat, zal worden toegewezen, nu het niet mogelijk is om in deze procedure de schade te begroten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden. Zij heeft immers onder meer gewezen op de kosten die zij heeft gemaakt om de verminderde visus vast te stellen. Die kosten komen in beginsel als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking (artikel 6:96, tweede lid sub b, BW). Daarnaast stelt zij schade te hebben geleden in de vorm van stallingskosten en inkomensderving tengevolge van een val van het paard. Ten aanzien van die schadeposten zal een nader partijdebat moeten plaatsvinden. In de schadestaatprocedure zullen ook de stellingen van [gedaagde sub 1 c.s.] moeten worden beoordeeld dat [eiseres] schade aan het paard heeft toegebracht door [naam paard] niet op adequate wijze te verzorgen en daarmee [eiseres] niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. Eveneens zal in die procedure beslist moeten worden over de gevorderde wettelijke rente over de geleden schade.

2.10.

[eiseres] heeft betaling van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Niet gesteld is echter dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.

2.11.

[gedaagde sub 1 c.s.] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 109,84

- griffierecht € 221,00

- salaris gemachtigde € 800,00 (4 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 1.130,84

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 4.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2015 tot de voldoening;

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

3.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.130,84, waarin begrepen € 800,00 aan salaris gemachtigde;

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2016.