Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:7370

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
UTR 16/ 2377; UTR 16/2375
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de door de ministers van Onderwijs, Defensie en Binnenlandse Zaken vastgestelde selectielijsten voor de archieven van de AIVD en voorgangers en de MIVD en voorgangers.

De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belanghebbende is bij deze besluiten en verklaart de beroepen niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 16/2375 en UTR 16/2377

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

(gemachtigde: mr. R. Kurvink)

de minister van Defensie,

(gemachtigde: mr. P. de Jonge)

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

(gemachtigden: mr. J.A.C. Verbeek en mr. E.A.T.M. Schreuder),

verweerders.

Procesverloop

Bij besluiten van 25 maart 2016 (de bestreden besluiten) hebben verweerders selectielijsten vastgesteld voor de archieven van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en voorgangers en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en voorgangers.

Eiser heeft tegen de besluiten beroep ingesteld.

Verweerders hebben (gezamenlijk) verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2016. Eiser is verschenen. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser is bij de bestreden besluiten geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het feit dat in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure de mogelijkheid zienswijzen in te brengen open staat voor "een ieder" en dus ook eiser, betekent niet dat de regelgever de keuze heeft gemaakt dat iedereen belanghebbende is bij de uiteindelijke besluiten. Sinds de komst van de Awb heeft de wetgever gekozen voor gedeeltelijk behoud van de zogeheten actio popularis in de bestuurlijke voorbereiding bij de openbare voorbereidingsprocedures van (toen ter tijd) de afdeling 3.4 en 3.5 van de Awb, maar daarmee is niet beoogd te zeggen dat een ieder ook belanghebbende is in de beroepsprocedure. Er is juist een "knip" bedoeld tussen de bestuurlijke fase (soms toegang voor een ieder) en de beroepsprocedure (toegang voor belanghebbenden).

3. Eiser maakt veelvuldig gebruik van de archieven. Ook dat maakt hem geen belanghebbende. Het gebruiken van een voorziening als een archief is niet het type relatie dat belanghebbendheid kan scheppen. De omstandigheid dat eiser geen inzage heeft in de archieven schept op zichzelf ook geen belang, want het al of niet geheim-zijn van de stukken gaat niet over de belanghebbendheid bij de bestreden besluiten, maar eenvoudigweg over het recht op inzage.

4. Het voorkomen van eiser zelf of van zijn vader in de archieven is ook onvoldoende. De rechtbank heeft verweerders gevraagd naar de aantallen mensen die in de archieven voorkomen, maar heeft daarop geen antwoord gekregen. De rechtbank gaat er echter van uit dat het gaat om een forse groep van mensen; eisers redenering dat dat belanghebbendheid zou scheppen zou betekenen dat al die mensen en hun eventuele nabestaanden belanghebbende bij de bestreden besluiten zouden zijn. Daarmee is het voorkomen in de archieven onvoldoende onderscheidend om tot belanghebbendheid te concluderen.

5. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. V.E. van der Does en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.