Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:7278

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-03-2016
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
4850135 / MV EXPL 16-32
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tussen eiser en De Steigerhal. Eiser vordert ontruiming van een bowling- en partycentrum en een geldbedrag gebaseerd op de huurachterstand en waarborgsom. De kantonrechter veroordeelt De Steigerhal om de exploitatie van het bowling- en partycentrum te staken, het gehuurde te ontruimen en de sleutels af te geven aan eiser. Daarnaast veroordeelt de kantonrechter De Steigerhal tot het betalen van 41.054,71 euro aan de eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis in kort geding van 21 maart 2016

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 4850135 / MV EXPL 16-32 van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna ook te noemen: [eiser] ,
gemachtigde mr. J.C. Klompé,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE STEIGERHAL B.V.,
gevestigd te Almere,
gedaagde, hierna ook te noemen: De Steigerhal,
vertegenwoordigd door de heer [A] , directeur/groot-aandeelhouder van

Beguit Holding B.V., enig en bevoegd bestuurder van De Steigerhal,

gemachtigde mr. J.W. Kempenaar-van Ittersum.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de fax d.d. 3 maart 2016 met producties 7 tot en met 10

  • -

    de fax d.d. 7 maart 2016 met productie 11

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de fax d.d. 10 maart 2016 van [eiser]

  • -

    de fax d.d. 11 maart 2016 van [eiser] .

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in Almere op 8 maart 2016. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens De Steigerhal is verschenen de heer [A] . De gemachtigde van De Steigerhal is niet verschenen.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is door de heer [A] verklaard dat die ochtend een bedrag van € 37.500,00 zou zijn overgemaakt aan [eiser] . De kantonrechter heeft, gelet op het feit dat hij dit gegeven van belang acht voor de beoordeling van de onderhavige zaak, bepaald dat [eiser] uiterlijk op vrijdag 11 maart 2016 om 16.00 uur zou berichten of de betaling was ontvangen. Indien de betaling niet zou zijn ontvangen, dan zou De Steigerhal nog in de gelegenheid worden gesteld om uiterlijk woensdag 16 maart 2016 te reageren, waarna in beginsel binnen één week vonnis zou worden gewezen.

Bij fax van 10 maart 2016 heeft [eiser] bericht dat de betaling niet was ontvangen en bij fax van 11 maart 2016 (om 16.45 uur) heeft hij bericht dat de betaling ook toen nog niet was ontvangen.

Tijdens een telefonisch contact op 11 maart 2016 tussen de griffier en de gemachtigde van De Steigerhal, heeft de griffier de gemachtigde - nadat door de gemachtigde kenbaar was gemaakt dat het verloop van de mondelinge behandeling door de heer [A] aan haar was teruggekoppeld - bevestigd dat De Steigerhal nog in de gelegenheid was om uiterlijk woensdag 16 maart 2016 te reageren op de berichten van [eiser] .

De Steigerhal heeft, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet meer gereageerd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Bij de beoordeling van het geschil zal worden uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1.

Tussen [eiser] , zijnde de verhuurder, en De Steigerhal, zijnde de huurder, bestaat een huurovereenkomst betreffende de bedrijfsruimte staande en gelegen aan de Oud Loosdrechtsedijk 167 in Loosdrecht. In deze bedrijfsruimte is een bowlingcentrum met horecafaciliteiten (Bowling & Partycentrum Loosdrecht) gevestigd.

2.2.

De huurprijs betrof laatstelijk € 7.500,00 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

2.3.

Artikel 4.2 van de huurovereenkomst luidt, voor zover relevant:

“Verhuurder compenseert huurder meerdere aaneengesloten maanden huur tot een maximum van de aangegeven kosten zijnde 37.500,00 euro, telkens te verrekenen met de eerstvolgende huurmaand na de verrichte werkzaamheden.”

2.4.

Artikel 4.11 van de huurovereenkomst luidt als volgt:

“Tussen huurder en verhuurder is overeengekomen dat de maand december 2015 huurvrij is.”

2.5.

De artikelen 6.1 en 6.2 van de huurovereenkomst luiden als volgt:

“6.1 Het in 27.1 algemene bepalingen bedoelde bedrag van de waarborgsom is vastgesteld op € 15.000,00, zegge: vijftienduizend euro.

6.2

Huurder zal de waarborgsom voldoen door overboeking op het bankrekeningnummer van verhuurder, in twee gelijke termijnen van € 7.500,00, te weten de eerste termijn uiterlijk op 31 januari 2016 en de tweede termijn uiterlijk op 29 februari 2016.”

2.6.

Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW.

2.7.

Artikel 26.2 van de algemene bepalingen luidt als volgt:

“Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand.”

2.8.

Artikel 33.1 van de algemene bepalingen luidt als volgt:

“In alle gevallen waarin verhuurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of tot ontruiming te dwingen, is huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte - met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door verhuurder te betalen proceskosten - aan verhuurder te voldoen. De gemaakte kosten worden tussen partijen bij voorbaat vastgesteld op een bedrag dat niet lager is dan het gebruikelijke tarief dat door gerechtsdeurwaarders wordt gehanteerd.”

2.9.

Op 10 februari 2016 heeft [eiser] conservatoir beslag laten leggen onder de

ING Bank en op de inventaris van Bowling & Partycentrum Loosdrecht.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - na eiswijziging - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, De Steigerhal te veroordelen:

1. om binnen één dag na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de exploitatie van het bowling- en partycentrum in de van [eiser] gehuurde ruimte te staken, het gehuurde te ontruimen voor zover het roerende zaken betreft die niet onder het op 10 februari 2016 gelegde beslag vallen en de bij haar in het bezit zijnde sleutels van het gehuurde aan [eiser] af te geven;

2. om aan [eiser] te voldoen € 50.354,71 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 38.250,00 met ingang van 1 maart 2016 tot en met de dag van algehele voldoening;

3. in de kosten van deze procedure, waaronder de kosten gemoeid met de gelegde beslagen en de overbetekening aan de derdebeslagene van de dagvaarding, alsmede de rente daarover en voorwaardelijk, voor het geval De Steigerhal niet tijdig na aanschrijven aan het ten deze te wijzen vonnis voldoet, in de nakosten.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] het navolgende ten grondslag. De Steigerhal is tekort geschoten in de nakoming van haar uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen door de bij vooruitbetaling verschuldigde huurpenningen onbetaald te laten. Over de periode van januari tot en met maart 2016 bedraagt de huurachterstand € 22.500,00.

Tevens is De Steigerhal in gebreke gebleven met betaling van de overeengekomen waarborgsom van € 15.000,00. Dit tekortschieten van De Steigerhal in de nakoming van haar verbintenissen uit hoofde van de huurovereenkomst is ruimschoots voldoende ernstig om een ontbinding van de huurovereenkomst en vooruitlopend daarop een ontruiming van het gehuurde en staking van de exploitatie te rechtvaardigen.

Ter zake van de afspraak omtrent de huur voor de maand december 2015 heeft [eiser] gedwaald. De Steigerhal heeft [eiser] op onjuiste gronden bewogen tot het afzien van de huur over december 2015, zodat [eiser] zich niet langer aan de daarover gemaakte afspraak gebonden acht.

Op grond van het bepaalde in artikel 26.2 van de algemene bepalingen is De Steigerhal tevens boetes verschuldigd in verband met het niet tijdig voldoen van de huurtermijnen.

Ten slotte is De Steigerhal de wettelijke handelsrente alsmede de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

3.3.

De Steigerhal voert verweer. De Steigerhal is door de heer [B] , de voormalige huurder en exploitant van de bedrijfsruimte, niet juist geïnformeerd over de staat waarin de bowlingbanen verkeerden en ook [eiser] heeft De Steigerhal daar niet over geïnformeerd. De inkomsten zijn ver beneden peil en De Steigerhal heeft de afgelopen maanden alleen maar problemen moeten oplossen. De Steigerhal wil de exploitatie van het gehuurde, gelet op de investeringen die reeds zijn gedaan, voortzetten. De inventaris waar [eiser] conservatoir beslag op heeft laten leggen, behoort in eigendom toe aan Beguit Holding B.V. en niet aan De Steigerhal.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Van een spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen is naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam gebleken.

4.2.

De huurachterstand van € 22.500,00, zijnde de huur over de maanden januari tot en met maart 2016, is door De Steigerhal erkend, zodat de vordering van [eiser] in zoverre kan worden toegewezen.

4.3.

Ook de verschuldigdheid van de waarborgsom van € 15.000,00 is door De Steigerhal erkend, zodat ook dit deel van de vordering toewijsbaar is.

4.4.

[eiser] vordert verder betaling van de huur over de maand december 2015. [eiser] stelt dienaangaande dat hij De Steigerhal tegemoet heeft willen komen, in verband met de overnamesom van € 50.000,00 die De Steigerhal aan de voormalige huurder heeft moeten betalen, door geen huur voor de maand december 2015 te rekenen. Nu volgens [eiser] inmiddels is komen vast te staan dat De Steigerhal die overnamesom onbetaald heeft gelaten, stelt [eiser] gedwaald te hebben ten aanzien van voornoemde afspraak. In artikel 4.11 van de huurovereenkomst (zie hiervoor onder 2.4.) is echter onvoorwaardelijk en ongeclausuleerd overeengekomen dat de maand december 2015 huurvrij is. Gelet daarop zal de vordering van [eiser] voor wat betreft de huur over de maand december 2015 worden afgewezen.

4.5.

Ten aanzien van de gevorderde boetes wegens het niet tijdig betalen van de verschuldigde huurpenningen overweegt de kantonrechter als volgt. [eiser] heeft de hoogte van de gevorderde contractuele boete bepaald op grond van een cumulatieve berekening. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit vaste jurisprudentie dat toepassing van een dergelijke berekening een onjuiste uitleg is van de contractuele boetebepaling zoals opgenomen in artikel 26.2 van de algemene bepalingen. De kantonrechter zal de gevorderde contractuele boete dan ook slechts toewijzen tot een bedrag van € 900,00, zijnde de vanaf januari tot en met maart 2016 verschuldigde boete van

€ 300,00 per maand.

4.6.

Zoals hiervoor onder 1.2. overwogen is door De Steigerhal bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 8 maart 2016 aangevoerd dat die ochtend door De Steigerhal een bedrag van € 37.500,00 zou zijn overgemaakt, zijnde de huur over de maanden januari tot en met maart 2016 en de waarborgsom van € 15.000,00. Bij faxberichten van 10 en 11 maart 2016 heeft [eiser] gesteld dat genoemd bedrag door hem niet is ontvangen.

De Steigerhal heeft op deze berichten niet meer gereageerd, zodat niet is komen vast te staan dat dit bedrag door De Steigerhal aan [eiser] is voldaan.

4.7.

De hoogte van de huurschuld bedraagt thans 3 maanden en ook de door De Steigerhal verschuldigde waarborgsom is tot op heden niet voldaan. Dat betekent dat De Steigerhal vanaf het aangaan van de huurovereenkomst op 1 december 2015 uit hoofde van die huurovereenkomst tot op heden geen enkele betaling aan [eiser] heeft verricht. Daarbij heeft het er de schijn van dat De Steigerhal ook niet voornemens is enige betaling te verrichten, nu ook de betaling van € 37.500,00 die De Steigerhal stelde te hebben verricht uiteindelijk niet blijkt te zijn voldaan.

Dit brengt met zich dat naar het oordeel van de kantonrechter sprake is van een zo ernstige tekortkoming in de nakoming van de verplichting tot tijdige (huur)betaling dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst en vooruitlopend daarop de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.

De gevorderde ontruiming zal derhalve worden toegewezen.

4.8.

De gevorderde wettelijke handelsrente is, nu deze niet is weersproken en ook overigens op de wet gegrond is, toewijsbaar.

4.9.

[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden.

Onweersproken is door [eiser] gesteld dat de op de declaratie in rekening gebrachte werkzaamheden geen betrekking hebben gehad op het opstellen van de dagvaarding, maar op de aanmaningen en beslagleggingen.

De door [eiser] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten zal worden toegewezen, nu De Steigerhal de verschuldigdheid daarvan op grond van de tussen hen gesloten overeenkomst niet heeft betwist en geen termen aanwezig zijn om (ambtshalve) tot matiging van de gevorderde vergoeding over te gaan.

4.10.

De Steigerhal zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. [eiser] heeft tevens gevorderd om De Steigerhal in de beslagkosten te veroordelen. Het opgevoerde griffierecht voor het beslagrekest zal echter worden afgewezen, omdat dit griffierecht al is of zal worden verrekend met het griffierecht dat in deze zaak verschuldigd is. Evenmin zal een salaris gemachtigde worden toegewezen, aangezien dit salaris blijkens de stelling van [eiser] reeds is verdisconteerd in de door [eiser] gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De beslagkosten worden derhalve begroot op € 501,67 voor verschotten.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt De Steigerhal om binnen één dag na betekening van dit vonnis de exploitatie van het bowling- en partycentrum in de van [eiser] gehuurde ruimte aan de Loosdrechtsedijk 167 in Loosdrecht te staken, het gehuurde te ontruimen voor zover het roerende zaken betreft die niet onder het op 10 februari 2016 gelegde beslag vallen en de bij haar in het bezit zijnde sleutels van het gehuurde af te geven aan [eiser] ;

5.2.

veroordeelt De Steigerhal om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 41.054,71 (bestaande uit de huurachterstand over de maanden januari tot en met maart 2016 ad € 22.500,00, de waarborgsom ad € 15.000,00, de wettelijke handelsrente over de huur tot en met 29 februari 2016 ad € 152,79, de boeten ad € 900,00 en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.501,92), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 37.500,00 met ingang van 1 maart 2016 tot en met de dag van algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt De Steigerhal in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot vandaag vastgesteld op:

- € 94,05 voor explootkosten

- € 471,00 voor griffierecht

- € 600,00 aan salaris gemachtigde,

te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt De Steigerhal in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 501,67;

5.5.

begroot de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [eiser] op € 100,00 aan salaris gemachtigde indien De Steigerhal niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis heeft voldaan, te vermeerderen, indien na aanschrijving betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van die betekening;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.M. van Hoof en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2016.