Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:7238

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
C/16/409361 / HA ZA 16-110
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:7189
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Afwijzing vordering tot schadevergoeding wegens overschrijding van de beslistermijn en onrechtmatige besluitvorming. Causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/409361 / HA ZA 16-110

Vonnis van 21 december 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. drs. H.J.M. van Schie te Haarlem,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE DE RONDE VENEN,

zetelend te Mijdrecht,

gedaagde,

advocaat mr. S.G. Tichelaar te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure na het tussenvonnis van 15 juni 2016 blijkt uit:

- de brief van de griffier aan partijen van 22 september 2016

- het proces-verbaal van de comparitie van 5 oktober 2016, met daaraan gehecht de door [eiseres] en de gemeente voorgedragen en overgelegde pleitnota’s, de brief van [eiseres] van 5 december 2016 en de brief van de gemeente van 14 december 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In september 2007 heeft de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen (hierna: de raad) de Structuurvisie Centrum [woonplaats] (hierna: de Structuurvisie) vastgesteld. In de Structuurvisie wordt met betrekking tot de [straatnaam] het volgende opgemerkt:

Pagina 54

“Omdat binnen het thema “Dorp aan de plassen” gewenst is ook de centrale spil zichtbaar te maken aan de plaskant, mogen de ontwikkelingen rondom de [straatnaam] iets steviger zijn dan gebruikelijk in het lint en op de werven. Goothoogte naar de plas oplopen van 6 tot 9 meter.”

Pagina 57

“De [straatnaam] is momenteel een éénvoudig woonstraatje op een smal perceel. Het markeert echter aan de plaskant de centrale ligging van de reeks voorzieningen in het centrum van [woonplaats] . In het kader van “Dorp aan de plassen”, mag het perceel en ook het zuidelijk gelegen aangrenzende perceel een iets zwaardere invulling krijgen, als heldere markering aan de plas. Waarbij wel gekeken moet worden naar de ligging in deelgebied Werfbebouwing en Lint van [woonplaats] (laag 1). Bij de uitwerking dient evenwicht gevonden te worden tussen de uitgangspunten van beide lagen. Woningen met goothoogte 6 meter oplopend naar 9 meter aan de plas kant.”

2.2.

Het eiland waarop de [straatnaam] is gelegen, is vanaf 2010 bebouwd op basis van een bouwvergunning die op 13 september 2007 is verleend. Het zuidelijk gelegen aangrenzende perceel, waarnaar in de Structuurvisie wordt verwezen, betreft een eiland dat kadastraal wordt aangeduid als [woonplaats] [...] en plaatselijk bekend is als [adres] te [woonplaats] . Het destijds geldende bestemmingsplan voorzag voor dit perceel slechts in één bouwblok voor een woonboerderij.

2.3.

[eiseres] heeft op 2 april 2009 het perceel [adres] te [woonplaats] in eigendom verkregen van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [eiseres] heeft daarbij ook een plan voor de bouw van 20 woningen overgenomen dat [bedrijf 1] voor deze locatie had ontwikkeld en waarvoor zij op 20 juni 2008 een bouwaanvraag had ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: het college).

2.4.

Dit plan van [bedrijf 1] (hierna ook te noemen: plan 1) voorzag in woningbouw aan weerszijden van een weg die over het midden van het eiland liep. Dit plan was in strijd met het vigerende bestemmingplan, zodat voor het verkrijgen van een bouwvergunning een vrijstelling ex artikel 19 lid 2 van de (toenmalige) Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) nodig was. Omdat het college en de welstandscommissie bezwaren hadden tegen de ligging van de weg, heeft [eiseres] de aanvraag van [bedrijf 1] in overleg met het college gewijzigd in een plan voor 12 geschakelde woningen met een weg aan één zijde van het eiland (hierna ook te noemen: plan 1a).

2.5.

Dit plan 1a is behandeld in de vergadering van de welstandscommissie. De welstandscommissie wenste meer openheid en transparantie in het plan en het college heeft daarom bij [eiseres] aangedrongen op aanpassing van het plan. [eiseres] heeft vervolgens een plan 1b ontwikkeld voor 10 woningen en 6 appartementen, waarbij de weg weer over het midden van het eiland kwam te liggen.

2.6.

Het college heeft op 30 juni 2010 het voornemen bekend gemaakt om op basis van een vrijstelling ex artikel 19 lid 2 WRO een vergunning voor plan 1b te verlenen. Omwonenden hebben tegen dit voornemen zienswijzen ingediend, waarna de wethouder er bij [eiseres] op heeft aangedrongen om met de omwonenden in overleg te gaan. [eiseres] heeft naar aanleiding van het overleg met de omwonenden het plan aangepast door er twee woningen uit te halen om voor de omwonenden meer openheid en doorzicht te creëren. Dit betrof dus een plan voor 8 woningen en 6 appartementen (hierna ook te noemen: plan 2). In juli 2010 heeft [eiseres] de aanvraag voor plan 1b ingetrokken.

2.7.

Op 16 september 2010 hebben zogenoemde Rondetafelgesprekken Omgeving plaatsgevonden. Dit betrof een raadscommissievergadering, waarbij ook [eiseres] aanwezig was. Uit deze Rondetafelgesprekken bleek dat er binnen de raad geen draagvlak was voor het bouwplan van [eiseres] .

2.8.

Op 28 september 2010 heeft het college een memo aan de raad gestuurd naar aanleiding van een initiatiefvoorstel van een raadsfractie tot het nemen van een voorbereidingsbesluit, op grond waarvan nieuwe ontwikkelingen op het eiland aan de [straatnaam] zouden worden geblokkeerd. Een dergelijk besluit heeft de raad uiteindelijk niet genomen.

2.9.

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden.

Ingevolge artikel 2.1 lid 1, aanhef en onder a en c, Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat bestaat uit het bouwen van een bouwwerk (a) en/of het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan (c).

Op grond van artikel 2.12 lid 1, aanhef en onder a, onder 3° Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1, aanhef en onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Op grond van artikel 2.27 van deze wet juncto artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, lid 1, aanhef en onder a, onder 3° Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan, een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig. Op grond van artikel 6.5 lid 2 Bor kan een dergelijke verklaring slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

2.10.

Op 23 december 2010 heeft [eiseres] een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor plan 2 ingediend. [eiseres] heeft deze aanvraag op 1 april 2011 gecompleteerd. Het college heeft niet binnen de daarvoor geldende termijn een beslissing op deze aanvraag genomen.

2.11.

[eiseres] heeft op 30 mei 2012 een brief aan het college gestuurd waarbij zij het college dringend verzoekt om het bouwplan voor te leggen aan de raad. Het college heeft hierop een raadsvoorstel gemaakt, waarbij het de raad heeft voorgesteld om voor het bouwplan geen verklaring van geen bedenkingen af te geven. Op 18 oktober 2012 heeft de raad, conform het advies van het college, besloten om geen verklaring van geen bedenkingen af te geven.

2.12.

[eiseres] heeft op 28 november 2012 bij de gemeente een klacht ingediend. Deze klacht zag onder meer op het niet of te langzaam reageren door de gemeente op vragen, terugbelverzoeken en e-mails en op het feit dat nog niet was beslist op de aanvraag voor een omgevingsvergunning van 23 december 2010. Het college heeft dit onderdeel van de klacht bij schrijven van 5 maart 2013 gegrond verklaard en heeft toegezegd dat het zo spoedig mogelijk een besluit op de aanvraag van 23 december 2010 zou nemen.

2.13.

[eiseres] heeft op 21 maart 2013 bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag.

2.14.

Op 27 juni 2013 heeft het college zijn voornemen tot weigering van de aangevraagde omgevingsvergunning gepubliceerd en op 28 juni 2013 ter inzage gelegd. [eiseres] heeft tegen dit voornemen zienswijzen ingediend.

2.15.

De rechtbank heeft het beroep tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag van 23 december 2010 bij uitspraak van 26 juli 2013 gegrond verklaard en heeft het college opgedragen om alsnog een besluit op de aanvraag te nemen binnen zes weken na afloop van de termijn waarop belanghebbenden zienswijzen kunnen indienen tegen het door het college genomen ontwerpbesluit van 27 juni 2013, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.16.

Het college heeft vervolgens op 9 september 2013 een besluit genomen, waarbij zij de aangevraagde omgevingsvergunning heeft geweigerd. Daarbij is onder meer overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat het niet mogelijk is om met toepassing van artikel 2.12, lid 1, aanhef en onder a, onder 3° Wabo (de projectbesluit-procedure) toch een vergunning te verlenen. Reden hiervoor is, dat de raad op 18 oktober 2012 heeft geweigerd een verklaring van geen bedenkingen af te geven omdat het bouwplan volgens de raad in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.17.

[eiseres] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank. De rechtbank (hierna ook te noemen: de bestuursrechter) heeft bij tussenuitspraak van 23 mei 2014 (zaaknummer UTR 13/5382) geoordeeld dat het besluit van de raad om de verklaring van geen bedenkingen te weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening onvoldoende is gemotiveerd en daarmee onrechtmatig is. Het college had zijn besluit om de omgevingsvergunning te weigeren daarom niet mogen baseren op dit besluit van de raad. De bestuursrechter heeft het college in het kader van de bestuurlijke lus de gelegenheid gegeven om een herstelbesluit te nemen. Daarbij is bepaald dat het college zich daartoe opnieuw tot de raad dient te wenden, om zich te voorzien van een deugdelijk gemotiveerd besluit over de vereiste verklaring van geen bedenkingen.

2.18.

Het college heeft bij besluit van 29 september 2014 de door [eiseres] gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

2.19.

[eiseres] had inmiddels, nadat nogmaals overleg met omwonenden had plaatsgevonden, een alternatief plan ontwikkeld voor 9 woningen (hierna: plan 3). In dit plan lag de weg niet meer over het midden van het eiland en was er meer afstand tot de woningen van omwonenden. [eiseres] heeft op 30 december 2014 voor dit plan een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend.

2.20.

Op 15 januari 2015 heeft de bestuursrechter mondeling uitspraak gedaan, die in een proces-verbaal is vastgelegd. Daarbij is het door [eiseres] ingestelde beroep ingevolge artikel 6:19 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 29 september 2014. De bestuursrechter heeft het beroep tegen de besluiten van 9 september 2013 en 29 september 2014 gegrond verklaard en heeft deze besluiten vernietigd. Het college heeft de opdracht gekregen om binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 23 december 2010. Ten aanzien van het besluit van 29 september 2014 heeft de bestuursrechter overwogen dat het college niet heeft voldaan aan de opdracht om zich te voorzien van een door de raad genomen besluit omtrent de vereiste verklaring van geen bedenkingen, maar alleen een nadere motivering heeft opgesteld die niet meningvormend of besluitvormend in een raadsvergadering aan de orde is geweest. Gelet hierop oordeelt de bestuursrechter dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld is en het besluit van 29 september 2014 onvoldoende is gemotiveerd en dus in strijd is met artikel 3:46 Awb.

2.21.

Het college heeft op 16 oktober 2015 een omgevingsvergunning voor plan 3 verleend. [eiseres] heeft vervolgens op verzoek van de gemeente de aanvraag van 23 december 2010 voor plan 2 ingetrokken. Het college heeft op haar beurt het door haar ingestelde beroep tegen de uitspraak van 15 januari 2015 ingetrokken.

2.22.

[eiseres] heeft de gemeente bij schrijven van 16 december 2015 verzocht aansprakelijkheid te erkennen voor de trage en onrechtmatige besluitvorming en voorgesteld om in overleg te treden over de omvang van de door haar geleden schade. De gemeente heeft echter aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente te veroordelen om aan [eiseres] een bedrag van € 5.222.665,-- te betalen, althans een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim, althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de gemeente in de kosten van de procedure.

3.2.

[eiseres] stelt zich ter onderbouwing van haar vordering op het standpunt dat de gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld omdat sprake is geweest van vertraagde en onrechtmatige besluitvorming. [eiseres] stelt dat zij als gevolg van dit onrechtmatig handelen schade van in totaal € 5.222,665,-- heeft geleden, onder meer bestaande uit de gemiste extra planopbrengst van plan 2 ten opzichte van plan 3, de gemiste bedrijfswinst over een periode van vier jaar ten gevolge van de vertraging en de doorlopende bedrijfs- en financieringskosten en overige kosten die anders niet waren gemaakt.

3.3.

De gemeente betwist dat zij aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] stelt te hebben geleden. Zij betwist ook de omvang van de door [eiseres] gestelde schade.

4 De beoordeling

Aansprakelijkheid wegens overschrijding van de beslistermijn

4.1.

[eiseres] stelt in de eerste plaats dat de gemeente jegens haar zeer onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, doordat zij niet tijdig op de aanvraag van 23 december 2010 voor een omgevingsvergunning voor plan 2 heeft beslist. De gemeente had op grond van artikel 3.12 Wabo jo artikel 3:18 Awb uiterlijk binnen 6 maanden na completering van de aanvraag een beslissing moeten nemen, maar heeft dit pas na ruim tweeënhalf jaar na de indiening van de aanvraag gedaan. Dit was volgens [eiseres] temeer onzorgvuldig, omdat de gemeente bekend was met de grote financiële belangen van [eiseres] bij een snelle besluitvorming en omdat de gemeente [eiseres] herhaalde malen heeft toegezegd dat snel zou worden besloten, maar deze toezeggingen niet is nagekomen.

4.2.

De gemeente betwist dat zij hierdoor onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. Zij stelt dat de overschrijding van de beslistermijn in redelijkheid aanvaardbaar was, omdat de reden voor de vertraging met name was gelegen in de zorgvuldigheid die zij wilde betrachten jegens de omwonenden én [eiseres] . De gemeente stelt dat [eiseres] met de aankoop van de locatie een aanzienlijk ondernemersrisico heeft genomen, gelet op het feit dat op grond van het destijds geldende bestemmingsplan voor dit perceel slechts zeer beperkte bouwmogelijkheden golden. Hieraan doet niet af dat in de Structuurvisie werd overwogen dat de locatie een ‘iets zwaardere invulling’ mocht krijgen, aangezien een Structuurvisie geen normatieve functie heeft en [eiseres] daar geen bouwrechten aan kon ontlenen. De gemeente was gelet op de Structuurvisie in beginsel bereid om haar medewerking te verlenen aan een nieuwe ontwikkeling op de locatie, mits deze ontwikkeling niet in strijd zou zijn met de goede ruimtelijke ordening. Nog voordat [eiseres] de aanvraag voor plan 2 indiende, was al duidelijk geworden dat de kans van slagen van dit plan niet groot zou zijn, omdat tijdens de Rondetafelgesprekken van 16 september 2010, waarbij [eiseres] aanwezig was, bleek dat de raad niet positief stond tegenover dit plan en van mening was dat het plan in strijd was met een goede ruimtelijke ordening. Ook omwonenden verzetten zich hevig tegen dit plan. De reden dat de gemeente niet tijdig heeft beslist op deze aanvraag, was mede gelegen in het feit dat zij [eiseres] de kans wilde geven een (nieuw) plan te ontwikkelen waarbij geen sprake zou zijn van strijd met de goede ruimtelijke ordening en waarmee ook de omwonenden konden instemmen. De gemeente stelt dat zij in de periode tussen de completering van de aanvraag op 1 april 2011 en 29 september 2013 steeds heeft getracht om [eiseres] ervan te overtuigen dat zij er verstandig aan zou doen om de aanvraag voor plan 2 in te trekken en met een nieuw plan te komen, omdat een beslissing op de aanvraag voor plan 2 toch tot een weigering zou leiden nu de raad geen verklaring van geen bedenkingen wilde afgeven.

4.3.

De wettelijke beslistermijn strekt ertoe een bestuursorgaan met voortvarendheid te laten beslissen en voor betrokkenen duidelijkheid te scheppen op welke termijn de beslissing is te verwachten. De wettelijke beslistermijn beoogt niet zonder meer om ook te beschermen tegen mogelijke schade die voor een belanghebbende kan ontstaan bij uitblijven van de beslissing binnen die termijn (HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579). De enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, is daarom onvoldoende voor het oordeel dat op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijkheid bestaat voor schade die eventueel voortvloeit uit die termijnoverschrijding. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden, de oorzaak of oorzaken van de termijnoverschrijding, en de voor het bestuursorgaan kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden

(HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040). Het gaat er - kort gezegd - om of de overschrijding van de beslistermijn in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid aanvaardbaar was.

4.4.

Vast staat, dat sprake is van een forse overschrijding van de wettelijke beslistermijn doordat het college pas op 9 september 2013 een beslissing op de aanvraag van 23 december 2010 (die op 1 april 2011 was gecompleteerd) heeft genomen. De gemeente heeft niet betwist, dat zij [eiseres] meermalen heeft toegezegd dat zij snel een beslissing op de aanvraag zou nemen, maar deze toezeggingen niet is nagekomen. Dit was jegens [eiseres] niet zorgvuldig. Dit geldt temeer, nu de gemeente ook niet heeft betwist dat haar bekend was dat [eiseres] een groot financieel belang had bij een snelle besluitvorming.

4.5.

De rechtbank acht deze omstandigheden echter onvoldoende voor het oordeel dat de gemeente jegens [eiseres] dermate onzorgvuldig heeft gehandeld dat van onrechtmatigheid gesproken dient te worden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende de gehele besluitvormingsprocedure steeds heeft getracht om tot een oplossing te komen die zowel voor [eiseres] als voor de gemeente en de omwonenden acceptabel zou zijn en dat zij daarbij uitdrukkelijk ook het belang van [eiseres] om een omgevingsvergunning te krijgen heeft willen behartigen. Het college heeft op grond van de signalen die het had gekregen, in een vroeg stadium al de conclusie getrokken dat de raad niet zou instemmen met plan 2 en hiervoor geen verklaring van geen bedenkingen zou afgeven. Het college heeft daarom in de periode van 1 april 2011 tot 29 september 2013 bij [eiseres] herhaaldelijk aangedrongen op aanpassing van het plan, kennelijk vanuit de gedachte dat [eiseres] uiteindelijk meer voordeel zou hebben bij een omgevingsvergunning voor een aangepast plan dan bij een geweigerde omgevingsvergunning. Als [eiseres] daar zelf anders over had gedacht, had zij de door haar gewenste besluitvorming kunnen trachten af te dwingen door eerder beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college. Zij heeft pas op 21 maart 2013 tegen het uitblijven van de besluitvorming beroep ingesteld, terwijl de wettelijke beslistermijn al eind 2011 was verstreken. Gelet hierop is de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, van oordeel dat er onvoldoende reden is om aansprakelijkheid van de gemeente wegens overschrijding van de wettelijke beslistermijn aan te nemen. De vordering tot schadevergoeding kan daarom niet op deze grondslag worden toegewezen.

Aansprakelijkheid wegens onrechtmatige besluitvorming

4.6.

[eiseres] baseert haar vordering tot schadevergoeding daarnaast op het standpunt dat de gemeente aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van de vernietigde besluiten van 9 september 2013 en 29 september 2014 heeft geleden.

4.7.

Vast staat, dat de besluiten van 9 september 2013 en 29 september 2014 door de bestuursrechter bij uitspraken van 23 mei 2014 en 15 januari 2015 zijn vernietigd. Deze uitspraken staan in rechte vast. Hiermee is in beginsel de onrechtmatigheid van deze besluiten gegeven. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of er causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige besluitvorming en de schade die [eiseres] als gevolg hiervan stelt te hebben geleden.

4.8.

Het is aan [eiseres] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat er causaal verband bestaat tussen deze onrechtmatige besluiten en de door haar gestelde schade. [eiseres] beroept zich immers op het rechtsgevolg van die stelling: vergoeding van de door haar gestelde geleden schade. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals [eiseres] heeft betoogd, de zogenaamde omkeringsregel toe te passen en te oordelen dat het causaal verband tussen de onrechtmatige besluitvorming en de door [eiseres] gestelde schade in beginsel is gegeven en dat het aan de gemeente is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor toepassing van de omkeringsregel onder meer is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade. Het gaat hier met name om specifieke verkeers- en veiligheidsregels. Daarvan is in deze zaak echter geen sprake: de besluiten van 9 september 2013 en 29 september 2014 zijn door de bestuursrechter vernietigd vanwege strijd met het bestuursrechtelijke motiveringsbeginsel en dat is geen norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade.

4.9.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat het voor toewijzing van de vordering van [eiseres] noodzakelijk is dat vast komt te staan dat de aanvraag van [eiseres] voor plan 2 was gehonoreerd, als wel (direct) een rechtmatig besluit zou zijn genomen. Daarbij is niet beslissend of de door [eiseres] gevraagde vergunning rechtmatig had kunnen worden verleend, maar welk besluit op de aanvraag zou zijn genomen als wel overeenkomstig de wet zou zijn beslist. De rechtbank zoekt hiermee aansluiting bij het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1112), waarbij eenzelfde maatstaf is aangenomen in de situatie waarbij een begunstigend bestuursbesluit is verleend (in plaats van geweigerd, zoals in deze zaak) en later onherroepelijk is vernietigd. Uit dit arrest volgt verder dat deze door [eiseres] te stellen omstandigheid in beginsel kan worden aangenomen, als het college na de vernietiging door de rechtbank de gevraagde vergunning alsnog had verleend en dat besluit onherroepelijk was geworden. Dat is hier niet aan de orde, omdat het college na de vernietiging door de bestuursrechter niet meer op de aanvraag voor plan 2 heeft beslist en [eiseres] deze heeft ingetrokken.

4.10.

De rechtbank zal beoordelen of uit andere door [eiseres] aangevoerde omstandigheden kan worden afgeleid dat de vergunning voor plan 2 rechtmatig zou zijn verleend, als meteen overeenkomstig de wet zou zijn beslist. De aard van de door [eiseres] gevraagde vergunning en het toetsingskader dat het college en de raad op grond van de Wabo hebben moeten toepassen, maakt dat deze beoordeling zich moet toespitsen op de vraag of de raad bij een rechtmatig besluit een verklaring van geen bedenkingen zou hebben verleend en hoe de norm van een goede ruimtelijke ordening bij de besluitvorming had moeten worden toegepast. Van belang is dat die norm op grond van de in overweging 2.9 weergegeven wettelijke bepalingen zowel gold voor de raad bij het besluit over de verklaring van geen bedenkingen, als voor het college bij het besluit over de gevraagde omgevingsvergunning.

4.11.

[eiseres] stelt ter onderbouwing van haar stelling dat plan 2 voldeed aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening, in de eerste plaats dat het plan paste binnen de Structuurvisie. Zij verwijst hiervoor naar het in haar opdracht opgestelde rapport ‘ [woonplaats] [adres] , Analyse “Structuurvisie Centrum [woonplaats] ” met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van het eiland ten zuiden van de [straatnaam] ’ d.d. 6 november 2013 van [naam adviesbureau] . Zij wijst er daarnaast op, dat de bestuursrechter in de uitspraak van 23 mei 2014 heeft overwogen dat het ervoor moet worden gehouden dat plan 2 in beginsel past binnen de Structuurvisie, nu het college tot aan de zitting niet eerder het standpunt had ingenomen dat het bouwplan hiermee in strijd was.

4.12.

Zoals de bestuursrechter verder in de uitspraak van 23 mei 2014 heeft overwogen, is met het oordeel dat plan 2 in beginsel past binnen de Structuurvisie echter niet gegeven dat het bouwplan (dus) niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Een structuurvisie heeft immers in beginsel geen rechtsgevolgen voor burgers of bedrijven en bindt het gemeentebestuur in beginsel niet bij de uitoefening van haar bevoegdheden. De beleidsmatige uitgangspunten uit de structuurvisie over bouwmogelijkheden waren bovendien summier en veel algemener geformuleerd dan het concrete, gedetailleerde plan 2. Dit laat onverlet, dat de uitgangspunten die in een structuurvisie zijn neergelegd wel een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de vraag of een aangevraagde ontwikkeling in beginsel uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is. In deze procedure is tussen partijen overigens nog een discussie gevoerd over de vraag of plan 2 voor wat betreft de goothoogtes binnen de Structuurvisie past. Gezien het feit dat de Structuurvisie bij de beoordeling van de vraag of het plan voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening weliswaar enige richting geeft maar daaraan, mede gelet op het summiere, algemene karakter daarvan, geen doorslaggevend gewicht toekomt, zal de rechtbank deze discussie verder buiten beschouwing laten.

4.13.

De rechtbank stelt vast dat de bestuursrechter in de uitspraken van 23 mei 2014 en 15 januari 2015 geen inhoudelijk oordeel heeft geveld over de vraag of plan 2 al dan niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening. Dit staat dus thans ter beoordeling. Gelet op het gevoerde debat tussen partijen spitst de invulling van het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’ zich in deze procedure met name toe op de vraag of plan 2 leidt tot dusdanige belemmeringen in licht, zicht en privacy voor de omliggende woningen, dat het plan op grond hiervan ruimtelijk niet aanvaardbaar moet worden geacht.

4.14.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat plan 2 geen onevenredige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van de woningen op de belendende eilanden. [eiseres] heeft hiervoor verwezen naar de rapportage van [bedrijf 2] B.V. van 13 oktober 2014 die zij heeft laten opstellen naar aanleiding van het reparatiebesluit van het college van 29 september 2014. Zij stelt dat uit de onderzoeken naar schaduwwerking die zij heeft laten uitvoeren, blijkt dat het plan geen groot nadelig effect heeft op de bezonning bij belendende percelen. Het plan heeft evenmin onaanvaardbare effecten ten aanzien van vermindering van het uitzicht en aantasting van de privacy van de omwonenden. [eiseres] wijst erop dat de nieuwe bebouwing aan de [straatnaam] , daar waar de bebouwing het dichtst bij de nieuwbouw ligt, betrekkelijk gesloten wanden heeft en dat de slaapkamers gericht zijn naar de nieuwbouw. Daar doen zich dus geen uitzicht- en privacyproblemen voor. Voor de woningen ten zuiden van het perceel aan de [straatnaam] geldt dat die woningen niet gericht zijn op de nieuwbouw en dat ook daar geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. [eiseres] merkt op dat niemand aanspraak kan maken op planologisch ongewijzigde omstandigheden. Het feit dat de bebouwing op de [straatnaam] het eerst is ontwikkeld, betekent niet dat deze bewoners het geplande vervolg op het naastgelegen eiland tegen kunnen houden.

4.15.

De gemeente heeft ter onderbouwing van haar stelling dat plan 2 in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, verwezen naar een rapport van [bedrijf 3] van 18 april 2016. Hierin wordt onder meer geconcludeerd dat het bouwplan leidt tot extra schaduw in de tuinen en op de woningen aan de [straatnaam] , tot een vermindering van het uitzicht en tot een aantasting van de privacy van omliggende woningen, en dat de afwijking van het bestemmingsplan geweigerd kon worden op grond van inhoudelijke en ruimtelijk relevante afwegingen.

4.16.

De gemeente heeft tevens verwezen naar de tussenuitspraak van de afdeling bestuursrecht van deze rechtbank van 22 april 2016 (UTR 15/6269) inzake het beroep van omwonenden tegen de verleende omgevingsvergunning voor plan 3. In rechtsoverweging 3.2. van deze uitspraak is onder meer het volgende overwogen:

“(…) [eiseres] heeft toegelicht dat zij het bouwplan vanwege de belangen van de omwonenden en in overleg met hen tot twee keer toe heeft aangepast, hetgeen heeft geleid tot het nu vergunde bouwplan met minder woningen en een zo goed mogelijk doorzicht tussen de woningen. Om de afstand tussen de te realiseren woningen en de woningen van de omwonenden aan de noordzijde te vergroten, is gekozen voor een weg aan de noordzijde van het perceel in plaats van op het midden. Ter afscherming van de woningen van de omwonenden aan de zuidzijde zijn de legakkers ontworpen. Voor wat betreft het groene karakter van het perceel is voorzien in ruime tuinen bij de woningen, een aantal bomen aan de noordzijde van het perceel en de legakkers in het nieuw te realiseren water aan de zuidzijde van het perceel. De rechtbank ziet, gelet op deze toelichting, in hetgeen eiseres hebben gesteld over het karakter van de omgeving en de aard en omvang van de bebouwing evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. (…)”

In rechtsoverweging 9 is voorts het volgende overwogen:

“Wat betreft de privacy is in het bestreden besluit toegelicht dat de woningen uit het bouwplan met het oog op de verandering in privacy voor de omliggende woningen zo gunstig mogelijk op de percelen zijn gesitueerd. De legakkers zijn in het plan opgenomen vanuit het oogpunt van privacy en maken daarbij, zij het niet wezenlijk, onderdeel uit van het ontwerp.”

4.17.

De rechtbank leidt uit de door partijen overgelegde stukken af, dat het college

in beginsel positief stond tegenover de door [eiseres] voorgestane ontwikkeling van het betreffende perceel, zij het dat de door [eiseres] ingediende plannen wel enige aanpassingen behoefden. Het college heeft naar aanleiding van de door [eiseres] doorgevoerde planaanpassingen uiteindelijk haar medewerking willen verlenen aan het realiseren van plan 1b en was voornemens om voor dit plan op basis van een vrijstelling ex artikel 19 lid 2 WRO een bouwvergunning af te geven. Dit was op basis van de regelgeving die destijds gold, een bevoegdheid van het college. Goedkeuring van de raad was hiervoor niet nodig. Dit plan 1b bleek echter op grote weerstand vanuit de omgeving te stuiten. [eiseres] heeft dit plan vervolgens ingetrokken, mede om overleg met de omwonenden over een voor hen acceptabel plan mogelijk te maken. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de aanvraag van 23 december 2010 voor plan 2.

4.18.

Door de inwerkingtreding van de Wabo op 1 oktober 2010 was inmiddels een nieuw wettelijk regime ontstaan, op grond waarvan voor het verlenen van een omgevingsvergunning in dit geval een verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig was. De gemeente heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de raad vanaf het begin negatief heeft gestaan tegenover plan 2 en dat het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen voor dit plan gelet op de grote bezwaren van de omwonenden politiek niet haalbaar was. Hierbij heeft ook meegespeeld, dat de bebouwing die op basis van de Structuurvisie op de [straatnaam] was gerealiseerd als te intensief werd ervaren en men een dergelijke intensieve bebouwing niet ook op het perceel [adres] wenste. Dit heeft geleid tot een herijking van de Structuurvisie en de totstandkoming van de Dorpsvisie centrum [woonplaats] (2014). Hierbij is de in de Structuurvisie opgenomen ambitie tot ontwikkeling van een kop-staartverbinding [...] - [straatnaam] komen te vervallen.

4.19.

Uiteindelijk heeft het college voor plan 3 wel een omgevingsvergunning afgegeven, waarna [eiseres] de aanvraag voor plan 2 heeft ingetrokken. Voor plan 3 was - gelet op het aantal te bouwen woningen - geen verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig. Plan 3 voorziet in de bouw van minder woningen dan plan 2, te weten 9 woningen in plaats van 8 woningen en 6 appartementen. Blijkens de hierboven geciteerde overwegingen uit de uitspraak van 22 april 2016 leidt de wijze waarop de te bouwen woningen in plan 3 zijn gesitueerd tot een zo goed mogelijk doorzicht tussen de woningen en een optimale privacy voor de omliggende woningen. Voorts is in plan 3 de weg weer aan de noordzijde van het perceel gelegd in plaats van over het midden, waardoor de afstand tussen de te realiseren woningen en de woningen van de omwonenden aan de noordzijde is vergroot. Ter afscherming van de woningen van de omwonenden aan de zuidzijde zijn legakkers ontworpen. Voor wat betreft het groene karakter van het perceel is voorzien in ruime tuinen bij de woningen, een aantal bomen aan de noordzijde van het perceel en de legakkers in het nieuw te realiseren water aan de zuidzijde van het perceel. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat dit plan voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening en heeft hieraan, ondanks de nog bestaande bezwaren van omwonenden, haar medewerking verleend.

4.20.

De rechtbank acht de onderbouwing die [eiseres] ten grondslag heeft gelegd aan haar stelling dat de raad een verklaring van geen bedenkingen had verleend indien meteen rechtmatig op de aanvraag was beslist, in het licht van het voorgaande onvoldoende overtuigend. De vergelijking van plan 2 met plan 3 maakt inzichtelijk waar volgens het college de knelpunten zaten in plan 2 en wat nodig was om deze knelpunten op te lossen. De rechtbank acht het aannemelijk dat de raad zijn standpunt dat plan 2 in strijd was met een goede ruimtelijke ordening en dat daarom geen verklaring van geen bedenkingen zou worden afgegeven, aan de hand van deze knelpunten deugdelijk had kunnen motiveren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad het bestuursorgaan is dat binnen de gemeente bevoegd is bestemmingsplannen vast te stellen. Tegen die achtergrond heeft de wetgever in de Wabo de eis opgenomen dat voor het afgeven van een projectbesluit een verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig is. Om die reden komt aan de raad een grote beleidsvrijheid toe bij de weging of een bepaald bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar is en als zodanig niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij kunnen ook aspecten als privacy en dichtheid van bebouwing meegewogen worden. Een dergelijke afweging van de raad is door de rechter daarom slechts marginaal te toetsen. Hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd, is gelet op deze grote beoordelingsvrijheid en in het licht van de naar voren gebrachte knelpunten onvoldoende voor het oordeel dat de raad in redelijkheid niet tot het standpunt had kunnen komen dat plan 2 in strijd was met een goede ruimtelijke ordening. In het verlengde daarvan heeft [eiseres] ook niet voldoende onderbouwd dat het college, als meteen rechtmatig op de aanvraag was beslist, de gevraagde omgevingsvergunning had verleend. Gelet hierop ontbreekt het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de gemeente en de schade die [eiseres] als gevolg hiervan stelt te hebben geleden. De gevorderde schadevergoeding kan daarom evenmin op deze grondslag worden toegewezen en er hoeft niet meer te worden ingegaan op de aangevoerde schadeposten.

4.21.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- griffierecht 3.903,--

- salaris advocaat 6.422,-- (2 punten × tarief € 3.211,--)

Totaal € 10.325,--

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 10.325,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond, mr. V.M.M. van Amstel en mr. K. de Meulder en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2016.1

1 type: MS (4185) coll: