Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:7220

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-12-2016
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
UTR - 16 - 1436
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheidskwestie, niet kennelijk ongegrond, op zitting behandeld.

Eisers bezwaar tegen de weigering van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor strijdig planologisch gebruik van een pand ten behoeve van het oprichten van een koffiehuis/coffeeshop is door verweerder terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van bezwaargronden (zoals vereist in art 6:5 Awb). Eiser heeft pro forma bezwaar gemaakt en daarna meermaals contact gehad met verweerder. Verweerder heeft eiser daarbij een hersteltermijn als bedoeld in art 6:6 Awb geboden om zijn gronden aan te vullen. Eiser heeft dit niet gedaan. De stelling van eiser ter zitting dat hij zowel een brief als een email van verweerder niet heeft ontvangen, wordt als ongeloofwaardig beschouwd, omdat eiser daarvoor nog per email contact heeft gehad met verweerder en op het bekende postadres post van verweerder heeft ontvangen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/1436

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J.D. van Doleweerd),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J. van Eyck).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om aan eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor strijdig planologisch gebruik van het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] .

Bij besluit van 25 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser wil een koffiehuis/coffeeshop vestigen in het pand [adres] te [vestigingsplaats] (het pand), waarover eiser kan beschikken. Eiser heeft daarom op 13 maart 2015 bij verweerder een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor strijdig planologisch gebruik van het pand. Met het primaire besluit heeft verweerder geweigerd om de omgevingsvergunning te verlenen, omdat in het gemeentelijke coffeeshopbeleid is bepaald dat uitsluitend medewerking kan worden verleend aan de vestiging van een coffeeshop wanneer er in het bestemmingsplan een horecabestemming aan het desbetreffende perceel is toegekend. Dat is hier niet het geval.

Eiser heeft bij ongedateerde brief, ontvangen door verweerder op 10 juli 2015, pro forma bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij brief van 14 juli 2015 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om binnen dertig dagen alsnog bezwaargronden in te dienen. Eiser is er in deze brief tevens op gewezen dat de mogelijkheid bestond dat zijn bezwaar niet-ontvankelijk kon worden verklaard, indien hij de gevraagde gronden niet binnen de gestelde termijn zou toesturen. Bij e-mail van 20 juli 2015 heeft eiser verzocht om de bezwaartermijn te verlengen totdat de raad verdere uitspraken over het coffeeshopbeleid heeft gedaan. Eiser heeft te kennen gegeven dat hij hierop wil wachten met zijn bezwaar, omdat de regels mogelijk gaan wijzigen.

Bij e-mail van 23 juli 2015 heeft verweerder aan eiser laten weten dat verlenging van de bewaartermijn niet mogelijk is, maar dat wel kan worden afgesproken dat de behandeling van het bezwaarschrift wordt aangehouden en de beslistermijn wordt opgeschort tot eiser aangeeft dat de behandeling weer kan worden hervat. Dat zou dan kunnen op het moment dat de raad nadere uitspraken heeft gedaan over het coffeeshopbeleid. Op dat moment kan eiser ook nog de gronden van bezwaar aanvoeren, aldus verweerder in deze e-mail.

Bij e-mail van 2 oktober 2015 heeft verweerder aan eiser schriftelijk bevestigd dat, zoals eiser en verweerder telefonisch hebben afgesproken, het bezwaarschrift van eiser op zijn verzoek zal worden aangehouden in afwachting van (mogelijke bespreking van) wijziging van het coffeeshopbeleid in de gemeenteraad. Ook is afgesproken dat eiser contact zal opnemen indien hij geen verdere aanhouding meer wenst. Bij e-mail van 21 oktober 2015 heeft eiser deze afspraken zoals vermeld in de e-mail van 2 oktober 2015 aan verweerder bevestigd.

Bij e-mail van 17 december 2015 heeft verweerder eiser laten weten dat de bespreking van het coffeeshopbeleid op 8 december 2015 in de raadsvergadering heeft plaatsgevonden. Verweerder ziet daarom geen aanleiding meer voor een verdere aanhouding. Eiser wordt verzocht om verweerder te berichten of de bespreking aanleiding vormt om zijn bezwaar in te trekken. Indien eiser zijn bezwaar wil handhaven, dan biedt verweerder eiser de mogelijkheid om zijn bezwaren op 15 januari 2016 tijdens een hoorzitting met een lid van het college van burgemeester en wethouders mondeling toe te lichten. Verweerder heeft in de e-mail vermeld dat als hij geen reactie van eiser verneemt, de uitnodiging voor de hoorzitting op 15 januari 2016 tevens per post zal worden verzonden.

Bij brief, gedateerd 15 december 2015, heeft verweerder eiser uitgenodigd om zijn bezwaren mondeling toe te lichten tijdens een hoorzitting op 15 januari 2016. Eiser is in deze uitnodiging tevens in de mogelijkheid gesteld om nadere stukken aan te leveren. Verweerder heeft op deze uitnodiging geen reactie van eiser ontvangen. Eiser is niet naar de hoorzitting gekomen.

Het voorgaande heeft geleid tot het bestreden besluit.

2. Het bestreden besluit gaat over de beslissing van verweerder om eisers bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk te verklaren. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij het bezwaarschrift van eiser niet inhoudelijk heeft kunnen behandelen door het ontbreken van bezwaargronden.

3. Eiser voert aan dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat verweerder hem na de bespreking van het nieuwe coffeeshopbeleid in de raadsvergadering ten onrechte geen hersteltermijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geboden voor het indienen van bezwaargronden.

4. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient een bezwaarschrift te zijn voorzien van de gronden van bezwaar. Indien dat niet het geval is, dan kan het bezwaar op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener van het bezwaar de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.1.

De rechtbank stelt vast - en ook tussen partijen is niet in geschil - dat het bezwaarschrift van eiser van 10 juli 2015 niet is voorzien van bezwaargronden en daarmee niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
Verweerder heeft eiser vervolgens bij brief van 14 juli 2015 na ontvangst van zijn bezwaarschrift schriftelijk in de gelegenheid gesteld om binnen dertig dagen bezwaargronden in te dienen. Daarmee heeft verweerder eiser de in artikel 6:6 van de Awb bedoelde gelegenheid geboden om het gebrek binnen een daartoe gestelde termijn te herstellen. In deze brief is eiser ook gewezen op de mogelijkheid van niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Eiser heeft van deze herstelmogelijkheid om gronden in te dienen geen gebruik gemaakt, maar hij heeft bij e-mail van 20 juli 2015 verzocht om verlenging van de bezwaartermijn. Uit de verdere e-mailwisseling blijkt dat verweerder naar aanleiding van deze e-mail met eiser heeft afgesproken dat de behandeling van het bezwaarschrift van eiser wordt uitgesteld in afwachting van de bespreking van het coffeeshopbeleid op de raadsvergadering.
Na de raadsvergadering heeft verweerder eiser bij e-mail van 17 december 2015 gevraagd of de bespreking van het coffeeshopbeleid op 8 december 2015 in de raadsvergadering gevolgen had voor zijn bezwaar. Daarbij is hem de mogelijkheid geboden om zijn bezwaargronden op een hoorzitting naar voren te brengen. Eiser heeft hierop niet gereageerd. Verweerder heeft eiser vervolgens bij brief met dagtekening 15 december 2015 uitgenodigd voor een hoorzitting op 15 januari 2016. Eiser is niet verschenen op de hoorzitting.

Weliswaar ontkent eiser dat hij zowel de e-mail van 17 december 2015 met de vooraankondiging voor de hoorzitting als de schriftelijke uitnodiging van 15 december 2015 voor de hoorzitting niet heeft ontvangen, maar deze ontkenning is pas ter zitting namens de gemachtigde van eiser gedaan. De rechtbank stelt verder vast dat de brief met de uitnodiging voor de hoorzitting naar het adres is gestuurd dat eiser ten behoeve van de aanvraag om een omgevingsvergunning en in beroep heeft opgegeven. Verder heeft verweerder de e-mail van 17 december 2015 gestuurd naar het e-mailadres dat eiser eerder heeft gebruikt in de
e-mailwisseling met verweerder. Dit brengt de rechtbank ertoe dat de blote ontkenning namens eiser van de ontvangst van zowel de brief als de e-mail als ongeloofwaardig moet worden bestempeld. Daarom gaat de rechtbank uit van de ontvangst van deze stukken door eiser.

4.2.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaargronden naar voren te brengen. Nu eiser dat desondanks niet heeft gedaan, heeft verweerder zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. E.C. Jonkman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.