Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:7145

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
02-01-2017
Zaaknummer
16/701382-14 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vijf mannen die in maart van dit jaar veroordeeld zijn voor hun betrokkenheid bij hennepteelt moeten in totaal €1,24 miljoen terugbetalen aan de Staat, zo oordeelt de rechtbank Midden-Nederland. De hennepteelt vond plaats in zes kwekerijen in onder andere Hilversum en Veenendaal en liep door tot februari 2015.

De 47-jarige man uit Utrecht die leiding gaf aan de criminele organisatie moet het grootste deel van het bedrag terugbetalen aan de Staat. De rechtbank bepaalt op basis van het dossier dat de man met de strafbare feiten een winst van €1.085.761,37 heeft gemaakt. Daarbij is onder andere gekeken naar het aantal oogsten, de opbrengsten en de kosten van de hennepkwekerijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/701382-14 (ontneming)

vonnis van de rechtbank d.d. 25 oktober2016

in de ontnemingszaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [1972] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in P.I. Zuid West, De Dordtse Poorten,

raadsman mr. J.W.H. Peters, advocaat te Amersfoort.

1 De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering ten bedrage van € 735.982,00 die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

  • -

    het strafdossier onder parketnummer 16/701382-14;

  • -

    het veroordelend vonnis van 10 maart 2016 waaruit blijkt dat veroordeelde door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank is veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf ter zake van (voor zover thans relevant):

feit 1:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11 derde lid en artikel 11 vijfde lid van de Opiumwet;

feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de

Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

  • -

    het rapport financieel onderzoek van 7 juli 2015;

  • -

    de conclusie van eis van het openbaar ministerie van 19 april 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord van de raadsman van 9 juni 2016;

  • -

    de conclusie van repliek van het openbaar ministerie van 30 juni 2016;

  • -

    de conclusie van dupliek van de raadsman (ongedateerd);

  • -

    de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting en de overige stukken in het dossier.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2016. De officieren van justitie en de raadsman zijn daarbij aanwezig geweest.

De veroordeelde is op de bij de wet voorgeschreven wijze opgeroepen en is eveneens aanwezig geweest op de terechtzitting van 13 september 2016.

2 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de vordering van 11 augustus 2015 strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ter terechtzitting bijgesteld naar een bedrag van

€ 1.203.655,67.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel beperkt dient te blijven tot de hennepkwekerijen ten aanzien waarvan [veroordeelde] is veroordeeld, te weten: Hilversum I, Hilversum II en Veenendaal I. Er kan geen voordeel worden ontnomen voor hennepkwekerijen waarvoor [veroordeelde] niet is veroordeeld, zijnde de hennepkwekerijen Schoonhoven, Veenendaal II en Utrecht. De ontneming van voordeel dient voorts te worden beperkt tot het voordeel dat [veroordeelde] daadwerkelijk heeft genoten.

Naar de mening van de raadsman bestaan er evenmin voldoende aanwijzingen dat [veroordeelde] de feiten waarvoor hij niet is veroordeeld heeft begaan (36e, tweede lid, Wetboek van Strafrecht), noch is voldoende aannemelijk dat hij voordeel heeft behaald uit deze feiten (36e, derde lid, Wetboek van Strafrecht). Dit betekent dat de hennepkwekerijen Schoonhoven, Veenendaal II en Utrecht ook niet langs deze weg bij de berekening van het voordeel kunnen worden betrokken.

[veroordeelde] ontving voor zijn werkzaamheden in de hennepkwekerijen Hilversum I, Hilversum II en Veenendaal I een bedrag van € 10.000,00 per afgeronde en verkocht oogst. Gelet op het aantal oogsten in de hennepkwekerijen waarbij [veroordeelde] betrokken was, dient het wederrechtelijk verkregen voordeel dat aan [veroordeelde] kan worden toegerekend te worden geschat op een bedrag van € 40.000,00, waarvan dan nog diverse kosten dienen te worden afgetrokken.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

Het uitgangspunt voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel vormt het onder 1 genoemde vonnis van deze rechtbank van 10 maart 2016.

Uit dit vonnis volgt dat [veroordeelde] (verder: veroordeelde) is veroordeeld voor (kortweg) deelname aan een criminele organisatie met [A] , [B] , [C] , [D] , [E] en [F] , in de periode van 1 april 2012 tot en met 3 februari 2015 en het opzettelijk telen en opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten in de hennepkwekerijen Hilversum I, Hilversum II en Veenendaal I in de periode van 1 april 2012 tot en met 3 februari 2015.

De grondslag voor het opleggen van de ontnemingsmaatregel

Het openbaar ministerie heeft de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Op grond hiervan is het mogelijk om de ontnemingsmaatregel op te leggen voor feiten waarvoor veroordeelde is veroordeeld en voor andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door veroordeelde zijn begaan.

Het openbaar ministerie heeft gevorderd om aan veroordeelde de ontnemingsmaatregel op te leggen in verband met zijn betrokkenheid bij:

  • -

    hennepkwekerijen Hilversum I, Hilversum II en Veenendaal I, op grond van de veroordeling in de strafzaak;

  • -

    hennepkwekerijen Schoonhoven, Veenendaal II en Utrecht, nu er voldoende aanwijzingen bestaan voor de betrokkenheid van veroordeelde bij deze hennepkwekerijen.

De rechtbank ziet zich daarom eerst voor de vraag gesteld of er voldoende aanwijzingen bestaan voor de betrokkenheid van veroordeelde bij de hennepkwekerijen Schoonhoven, Veenendaal II en Utrecht. De term “voldoende aanwijzingen” betekent dat slechts aannemelijk hoeft te zijn dat veroordeelde deze feiten heeft begaan (NJ 2002, 55).

Andere strafbare feiten

Hennepkwekerij [adres] in [woonplaats]

Op 20 april 2007 is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen op de eerste verdieping van het pand aan de [adres] in [woonplaats] . Op de vloer van de hennepkwekerij is een zestal sigarettenpeuken gevonden. In de hennepkwekerij is een vuilniszak gevonden met daarin een waterpomp. Het DNA-profiel dat is veiliggesteld uit het speeksel op deze sigarettenpeuken heeft een match opgeleverd met het DNA-profiel van veroordeelde. Het dactyloscopisch spoor aan de buitenzijde van de vuilniszak heeft een match opgeleverd met de ringvinger van de rechterhand van veroordeelde.

De vondst van deze sporen levert een aanwijzing op voor enige betrokkenheid van veroordeelde bij de hennepkwekerij in het pand aan de [adres] in [woonplaats] .

Naar het oordeel van de rechtbank is dit echter onvoldoende om aannemelijk te achten dat veroordeelde bij het telen van hennep in deze kwekerij was betrokken. Evenmin is op grond van het voorgaande aannemelijk geworden dat veroordeelde uit dit feit voordeel heeft behaald.

De rechtbank zal hennepkwekerij Schoonhoven derhalve niet in de berekening van het door veroordeelde genoten voordeel betrekken.

Hennepkwekerij [adres] in [woonplaats]

Op 15 augustus 2011 is op de tweede etage van het pand [adres] in [woonplaats] (Veenendaal II) een hennepkwekerij aangetroffen. Op de eerste etage werden hennepresten, bloembakken en afval aangetroffen. Op de begane grond bevond zich een stellage met daaronder een zevental blauwe vaten met in twee vaten resten van hennepplanten.

In een asbak die in een ruimte op de begane grond van het pand [adres] stond zijn twee sigarettenpeuken gevonden. Daarnaast is een tweede sigarettenpeuk gevonden op de vloer van de tweede etage van het pand [adres] . Het DNA-profiel dat is veiliggesteld uit het speeksel op deze sigarettenpeuken is telkens hetzelfde DNA-profiel. Dit DNA-profiel heeft een match opgeleverd met het DNA-profiel van veroordeelde.

De vondst van deze sporen levert een aanwijzing op voor enige betrokkenheid van veroordeelde bij de hennepkwekerij in het pand aan de [adres] in [woonplaats] .

Naar het oordeel van de rechtbank is dit echter onvoldoende om aannemelijk te achten dat veroordeelde bij het telen van hennep in deze kwekerij was betrokken. Evenmin is op grond van het voorgaande aannemelijk geworden dat veroordeelde uit dit feit voordeel heeft behaald.

De rechtbank zal hennepkwekerij Veenendaal II derhalve niet in de berekening van het door veroordeelde genoten voordeel betrekken.

Hennepkwekerij [adres] in [woonplaats]

Op 29 januari 2015 is het pand aan de [adres] in [woonplaats] doorzocht. In het pand zijn resten van cannabisplanten gevonden1 en ook boobytraps (zoals doorgezaagde traptreden), vernielde wandcontactdozen en leidingen en sporen van getimmerde tussenwanden die inmiddels ook al weer waren verwijderd.2 Bij onderzoek aan de elektriciteitsinstallatie werd gezien dat diverse zegels van de meterbehuizing en de hoofdzekeringenkast waren verbroken en dat deze elders in de meterkast lagen.3

Veroordeelde is de gebruiker van een Jeep Cherokee4 met kenteken [kenteken] en een Volkswagen Touareg met kenteken [kenteken] .5 In de periode tussen 11 september 2014 en 16 oktober 2014 is de Jeep Cherokee zeven keer geparkeerd op de [straat] in [woonplaats] en één keer op de [adres] , voor perceel [nummer] . Dat was op 5 oktober 2014. De [straat] is een omliggende straat van de [adres] .6 Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor zijn herhaalde aanwezigheid in de nabijheid van dit pand.

Op 14 november 2014 zijn warmtebeelden gemaakt van de panden aan de [adres] in [woonplaats] . Uit deze warmtebeelden is gebleken dat het bovenste deel van het pand aan de [adres] meer warmte uitstraalde dan de omringende panden.7

[E] heeft verklaard dat hij het pand aan de [adres] in [woonplaats] heeft leeggehaald. Volgens [E] heeft er een hennepkwekerij in het pand gezeten.8

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het aannemelijk dat in het pand aan de [adres] in [woonplaats] een hennepkwekerij heeft gezeten. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande voorts aannemelijk dat veroordeelde betrokkenheid heeft gehad bij de hennepkwekerij aan de [adres] in [woonplaats] en ook dat hij daaruit wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

Aantal oogsten in hennepkwekerij [woonplaats]

Het pand aan de [adres] in [woonplaats] is op 29 januari 2015 doorzocht. Op dat moment werd geen hennepkwekerij in het pand aangetroffen.9 Afgaand op metingen via de elektriciteitsmeter wordt uitgegaan van hennepteelt in het pand aan de [adres] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 20 november 2014.10

In de periode van 13 tot en met 18 november 2014 heeft [D] in het pand aan de [adres] in [woonplaats] overnacht.11

Volgens een verklaring van veroordeelde werd er in hennepkwekerijen overnacht als er oogstrijpe hennepplanten stonden.12 Volgens een verklaring van [E] moest in de hennepkwekerijen worden geslapen om te voorkomen dat er inbrekers zouden komen.13

Zoals hiervoor reeds omschreven is veroordeelde in oktober 2014 gezien op en in de omgeving van de [adres] . In die periode was in het pand aan de [adres] een in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig.

Gelet hierop en rekening houdend met de periode waarin veroordeelde op en bij de [adres] is gezien, acht de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde betrokken is geweest bij één oogst in het pand aan de [adres] in [woonplaats] en daaruit voordeel heeft genoten.

Feiten waarvoor een veroordeling is gevolgd

Oogsten in hennepkwekerijen Hilversum I en II

Uit het vonnis in de strafzaak volgt dat veroordeelde is veroordeeld voor het medeplegen van het telen van hennep in de kwekerijen Hilversum I, Hilversum II en Veenendaal I. Veroordeelde heeft de hennepkwekerijen in het pand aan de [adres] te [woonplaats] (Hilversum I en II) bijgehouden door water te geven, knippers op te halen en reparaties te verrichten.14

Veroordeelde is ook betrokken geweest bij de hennepkwekerij aan de [adres] in [woonplaats] door deze bij te houden, onderhoud te verrichten, water te geven en met knippers te komen.15

Volgens veroordeelde is sprake geweest van één oogst in hennepkwekerij Hilversum II.16 In Hilversum I zijn volgens hem hooguit drie of vier oogsten geweest.17

De rechtbank zal bij het bepalen van het aantal oogsten in het voordeel van veroordeelde uitgaan van betrokkenheid bij drie oogsten in hennepkwekerij Hilversum I. Daarnaast zal zij, met veroordeelde, uitgaan van één oogst in Hilversum II.

Oogsten in hennepkwekerij Veenendaal I

Op 15 december 2014 is in een bedrijfspand aan de [adres] in [woonplaats] een hennepkwekerij aangetroffen18 met kweekruimten (ruimten A, B, C en D in unit IV) met (in totaal) 1140 hennepplanten van zes weken oud en een kweekruimte (ruimte E in unit IV) met 1048 hennepplanten van vijf weken oud.19

In de hennepkwekerij Veenendaal I heeft in juni 2014 brand gewoed. Veroordeelde is vlak voor de brand bij deze hennepkwekerij betrokken geraakt.20

Uit handgeschreven aantekeningen van [D] volgt dat de brand heeft gewoed op

6 juni.21

De periode van 1 juni 2014 tot en met 15 december 2014 omvat 29 weken. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kweekcyclus van hennepplanten een periode van tien weken bedraagt. Op grond van het voorgaande is aannemelijk dat in hennepkwekerij Veenendaal I twee oogsten zijn geweest in de periode dat veroordeelde bij hennepkwekerij Veenendaal I betrokken was.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat veroordeelde betrokken is geweest bij (in totaal) zeven oogsten in de hennepkwekerijen Hilversum I, Hilversum II, Veenendaal I en Utrecht.

De vergoeding voor veroordeelde

Veroordeelde heeft verklaard dat hij een vergoeding ontving van € 10.000,00 per oogst voor de werkzaamheden die hij verrichte in en ten behoeve van de hennepkwekerijen.22

In de woning van [B] is een schrift met handgeschreven aantekeningen gevonden.23 In dit schrift zijn (onder meer) onderstaande aantekeningen gemaakt:

“Bussum

€ 7500 huur 3x

€ 1500 Bolle 3x

€ 5,355 stekke

€ 1,470 stekke

€ 625 voeding

€ 165 (aarde tent)

€ 150 zagbe (3 dagen)

x x x x x

x x x x x

x x x x x

€ 4,000 knippers (2 dage)

€ 2,000 kniphok (2 dage)

€ 1,250 voor het droge

x x x x x

x x x x x

x x x x x

€ 10,000 [veroordeelde] ”.24

Onderzoek PAVO

In onderzoek PAVO is vastgesteld dat [veroordeelde] en [A] , samen met anderen, betrokken waren bij hennepkwekerijen die in 2010 zijn aangetroffen.25 Uit de in het onderzoek PAVO opgenomen vertrouwelijke communicatie (OVC, gesprek van 20 januari 2010)26 is gebleken dat [veroordeelde] (de rechtbank begrijpt: veroordeelde) erbij bleef slapen en dat [veroordeelde] een katvangertje is die per hok 10.000 beurt om het bij te houden.27

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde per oogst een bedrag van € 10.000,00 heeft ontvangen voor de door hem verrichte werkzaamheden in de hennepkwekerijen Hilversum I, Hilversum II, Veenendaal I en Utrecht.

Kosten

Namens veroordeelde is verzocht om rekening te houden met kosten die veroordeelde heeft gemaakt ten behoeve van het verrichten van zijn werkzaamheden in hennepkwekerijen. Het gaat hierbij om telefoonkosten, benzinekosten en kosten voor werkkleding.

Uit de aantekeningen in het onder [B] in beslag genomen schrift volgt dat er meerdere bedragen zijn genoemd in relatie tot “ [veroordeelde] ”. De rechtbank wijst in dit verband op de aantekening van “€ 250 [veroordeelde] ” (pagina 6080, dossier Algemene Bevindingen) en op de aantekening “200 [veroordeelde] ” (pagina 6081, dossier Algemene Bevindingen). De rechtbank houdt het ervoor dat deze bedragen kostenvergoedingen zijn, die reeds aan veroordeelde zijn uitbetaald. De door veroordeelde opgevoerde kosten zijn niet op een andere manier aannemelijk geworden. Bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt dan ook geen rekening gehouden met de (beweerdelijk) door veroordeelde gemaakte kosten.

Draagkracht

Namens veroordeelde is een draagkrachtverweer gevoerd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (NJ 2007, 195) heeft een draagkrachtverweer alleen dan kans van slagen als aanstonds duidelijk is dat de veroordeelde op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Deze situatie doet zich in het geval van veroordeelde niet voor.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op een bedrag van 7 oogsten x € 10.000,00 is € 70.000,00.

Betalingsverplichting

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van omstandigheden gebleken die aanleiding zijn om het door veroordeelde te betalen bedrag op de voet van artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht lager vast te stellen dan het geschatte voordeel.

Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank aan veroordeelde de verplichting opleggen om ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 70.000,00 aan de Staat te voldoen.

3 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

€ 70.000,00;

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 70.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. J.M. Eelkema en

mr. J.W. Frieling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 oktober 2016.

De griffier is buiten staat om dit vonnis mee te ondertekenen.

1 Het proces-verbaal van sporenonderzoek van 23 februari 2015, pagina 1417 en 1418, zaaksdossier Utrecht.

2 Het proces-verbaal van relaas van 9 juli 2015, pagina 1294, zaaksdossier Utrecht.

3 Het proces-verbaal van relaas van 9 juli 2015, pagina 1297, zaaksdossier Utrecht.

4 Proces-verbaal gebruik Jeep [kenteken] , pagina 5812 en 5813, dossier Algemene Bevindingen.

5 Proces-verbaal bakengegevens en gebruik Volkswagen Touareg [kenteken] , pagina 5871 tot en met 5873, dossier Algemene Bevindingen.

6 Het proces-verbaal van relaas van 9 juli 2015, pagina 1294, zaaksdossier Utrecht.

7 Het proces-verbaal van bevindingen van 20 november 2014, pagina 1370.

8 De verklaring van [E] van 19 maart 2015, pagina 11.

9 FIN/RAPP?005, pagina 506 en 507.

10 FIN/RAPP/005, pagina 508.

11 Het proces-verbaal van bevindingen van 30 december 2014, pagina 1333 tot en met 1338, zaaksdossier Utrecht.

12 De verklaring van [veroordeelde] van 15 juli 2015, pagina’s 6 en 7.

13 De verklaring van [E] van 8 mei 2015, pagina 5251, persoonsdossier [E] .

14 De verklaring van [veroordeelde] van 15 juli 2015, pagina 2.

15 De verklaring van [veroordeelde] van 15 juli 2015, pagina 6 en 7.

16 De verklaring van [veroordeelde] bij de rechter-commissaris van 17 december 2015, pagina 4.

17 De verklaring van [veroordeelde] van 15 juli 2015, pagina 2.

18 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 16 februari 2015, pagina 1095, zaaksdossier Veenendaal I.

19 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 16 februari 2015, pagina 1096, zaaksdossier Veenendaal I en het proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2014, pagina 1106, zaaksdossier Veenendaal I.

20 De verklaring van [veroordeelde] van 15 juli 2015, pagina 6.

21 Het schriftelijke bescheid, te weten: een kopie van een handgeschreven briefje, pagina 6057, dossier Algemene Bevindingen.

22 De verklaring van [veroordeelde] bij de rechter-commissaris van 17 december 2015, pagina 4.

23 Het proces-verbaal van bevindingen van 28 april 2015, pagina 6072, dossier Algemene Bevindingen.

24 Het schriftelijke bescheid, te weten: de kopie van handgeschreven aantekeningen, pagina 6079, dossier Algemene Bevindingen.

25 Het proces-verbaal van relaas van 8 juli 2015, pagina 4320, zaaksdossier Criminele Organisatie.

26 Het proces-verbaal van relaas van 8 juli 2015, pagina 4314, zaaksdossier Criminele Organisatie

27 Het proces-verbaal van bevindingen van 23 juni 2015, pagina 6550, dossier Algemene Bevindingen.