Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:7088

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
16/659824-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie mannen zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf voor het afpersen van de eigenaar van een viswinkel aan de Kanaalstraat in Utrecht. Twee mannen krijgen een gevangenisstraf van 3 jaar en één man krijgt een gevangenisstraf van 3,5 jaar opgelegd. Naast de opgelegde gevangenisstraf moeten de mannen ook een schadevergoeding betalen aan de drie slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659824-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 december 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1984] ,

gedetineerd in het Detentiecentrum te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2016 en 15 december 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. D.R. Kops, advocaat te Breukelen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 22 juni 2016 samen met anderen met geweld heeft geprobeerd drie personen een geldbedrag af te persen, die op dat moment werkzaam waren bij een viswinkel aan de [adres] te Utrecht.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zich op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging betoogt dat verdachte en de medeverdachten door een derde persoon zijn verzocht om € 4.000,00 op te halen bij [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] zou dit bedrag verschuldigd zijn, omdat hij verkeerde wiet zou hebben geleverd. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van aangevers op elkaar zijn afgestemd en terzijde dienen te worden geschoven. Nu er van het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling geen sprake is, dient vrijspraak te volgen. De verdediging betoogt verder dat er geen nauwe en bewuste samenwerking is geweest wat betreft de toepassing van het geweld, zodat ook hiervoor vrijspraak dient te volgen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De redengevende feiten en omstandigheden die tot deze conclusie leiden zijn de volgende.

Door [slachtoffer 1] is op 22 juni 2016 – voor zover hier van belang en voor zover nodig samengevat weergegeven – het volgende verklaard:1

O: [slachtoffer 1] , vandaag heeft er een incident plaatsgevonden in jouw winkel aan de [adres] te Utrecht.

A: Iets na 10:00 uur kwamen drie personen de winkel binnen. Ik was aan het etaleren en ineens stonden ze binnen. Twee personen liepen direct naar de toonbank en een persoon bleef bij de uitgang staan.

Persoon 1 begon te praten. Hij had het woord. Hij zei [dat] ik wist waarom ze er waren. Dat ik een rotstreek had uitgehaald, doordat ik die zaak was begonnen. Dat hij in opdracht kwam van iemand die ik zou kennen. Dat ik iedere maand 4000 euro moest betalen, want anders zou de zaak plat gaan. Hij zei dat ze vandaag zouden beginnen met geld halen.

Ik was helemaal in schok. Ik zag dat persoon 1 de hele tijd met zijn hand in zijn jas ging. Hierdoor werd ik bang. Ik dacht dat hij een wapen had. Ik zei tegen mezelf dat ik rustig moest blijven.

Persoon 1 zei dat ik en de anderen mee naar achteren moesten lopen. Hij zei letterlijk: “Kom mee naar achteren allemaal’. We liepen naar achteren en ik vroeg aan hem: ‘Wie heeft je gestuurd’. Ik hoorde dat hij zei: ‘niets vragen, je hebt twee minuten, twee minuten, nu beslissen, heb je geld hier in de zaak’. Ik zei dat ik geen geld in de zaak had. Hij zei dat we nu moesten beslissen. Hij zei dat hij anders terug zou komen. Ik zei dat hij dan maar terug moest komen. Toen zag ik dat persoon 3 ook de ruimte in kwam lopen. Ik zag dat hij handschoenen aandeed. Hij stond toen vlak voor me. Ik hoorde dat hij zei: ‘nu beslissen’. Ik zei dat hij om vier uur terug moest komen. Hij begon mij toen te slaan. Die lange persoon 1 begon [slachtoffer 2] te slaan.

V: Waar sloeg persoon 3 jou?

A: Ik voelde dat hij me op mijn gezicht sloeg. Ook sloeg hij mij op mijn hoofd en op mijn lichaam. Hij heeft zeker wel twee keer een klap op mijn ribben aan mijn linkerzijde gegeven. Ook heeft hij me een aantal klappen boven mijn oog gegeven. Ik heb mijn hoofd beschermd met mijn armen.

In een proces-verbaal van bevindingen is – voor zover hier van belang en voor zover nodig samengevat weergegeven – het volgende gerelateerd:2

Op 23 juni 2016 hebben wij, in het kader van de op 22 juni 2016 op heterdaad aangehouden verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , videobeelden bekeken. Om 10:07:51 uur is te zien dat de verdachte [medeverdachte 2] het gedeelte van de viswinkel verlaat en het magazijn met versnelde pas binnenloopt. Hij loopt tussen de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] door naar [slachtoffer 1] waarbij hij [verdachte] opzij duwt. Als hij tegenover [slachtoffer 1] staat begint hij na een paar seconden de aangever te slaan. Wij zien dat de verdachte [medeverdachte 2] het volgende geweld heeft toegepast jegens aangever [slachtoffer 1] :

- Met linkerknie een stoot tegen althans richting het hoofd van aangever.

Door [slachtoffer 2] is – voor zover hier van belang en voor zover nodig samengevat weergegeven – het volgende verklaard:3

Op 22 juni 2016 was ik aanwezig in viswinkel [bedrijfsnaam 1] aan de [adres] te Utrecht. De winkel is eigendom van [slachtoffer 1] . Iets na 10:00 uur kwamen drie personen de winkel binnen. Ik, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] waren aanwezig in de winkel. Persoon 1 zei: “Jullie weten waarom we hier zijn” Je hebt een kutstreek uitgehaald bij de persoon die ons heeft gestuurd.” Jij weet wie” ‘Nu moet je iedere maand 4000 euro betalen anders verbouwen we je zaak en pakken we jou ook” Je moet nu geld geven”. Hij zei dat tegen [slachtoffer 1] , de eigenaar van de winkel. Persoon 1 zei dat hij nu geld moest hebben. Hij zei vervolgens dat we allemaal naar achteren moesten gaan.

Persoon 1 stuurde ons naar achteren. We moesten alle drie bij de achterdeur gaan staan. Met alle drie bedoel ik, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en ik zelf. Persoon 1 vroeg hoe laat we het geld hadden en vroeg hoe laat hij het geld kon ophalen. Ik zag dat persoon 2 op mij af liep en zag dat persoon 3 op [slachtoffer 1] afliep. Ik hoorde dat persoon 3 tegen [slachtoffer 1] zei dat hij hem moest hebben. Ik zag vervolgens dat [slachtoffer 1] op zijn hoofd en lichaam werd geslagen door persoon 3. Ik zag dat [slachtoffer 1] rake klappen kreeg. Ik zag dat persoon 3 motorhandschoenen droeg met harde knokkels. Ik zei tegen persoon 3 dat hij moest stoppen en normaal moest doen. Ik zag dat persoon 2 op mij af kwam en voelde dat hij mij meerdere harde klappen in mijn gezicht

en op mijn lichaam gaf. Ik ging naar de grond toe en probeerde me te beschermen. Na een aantal klappen te hebben gekregen stopte het geweld.

Door een persoon, gehoord onder nummer 1231523 is – voor zover hier van belang en voor zover nodig samengevat weergegeven – het volgende verklaard:4

Op 22 juni 2016 bevond ik mij in de viszaak [bedrijfsnaam 1] aan de [adres] te Utrecht. Ik was daar werkzaam. We waren met drie personen in de zaak. De eigenaar mijn oom [slachtoffer 1] . Tevens was [slachtoffer 2] in de zaak. Die was ook aan het werk voor mijn oom. Ik was achter bezig. Toen ik terug liep naar de zaak zag ik drie man in de zaak staan. Ik dacht dat het klanten waren. Zowel de eerste als de derde persoon deden net alsof ze een wapen wilde pakken ze hielden hun rechterhand in hun zak. De man bij de deur heeft niets gezegd zover ik weet. De man tweede man stond in het midden en de eerste man stond bij de toonbank en keek naar onze handen. De tweede man zei tegen mij kijk naar hem en hij wees naar de man met de zonnebril. Ik hoorde toen dat deze man zei handen omhoog. Ik deed mijn handen omhoog maar moest mijn handen weer naar beneden doen. Hij zei ik wil je handen blijven zien niet op alarmknoppen drukken we houden niet van die grapjes. Hierna zei hij dat hij gestuurd was en dat wij wel wisten door wie. Jullie gaan iedere maand 4 a 5 duizend euro betalen anders gaat de zaak plat. Hierna zei hij dat hij geld wilde en wel nu 4 duizend euro. De man met de bril zei toen dat hij het maar moest regelen anders ging de zaak plat. Dit heeft hij een paar keer gezegd. Ze zouden om vier uur terug komen en dan willen we 4 of 5 duizend euro. De man met de zonnebril gebaarde en zei dat we naar achteren moesten lopen en deed of hij een wapen wilde pakken onder jas. Hij bleef maar herhalen hebben jullie echte geld hier helemaal niets. We liepen toen naar achteren en de man met de zonnebril liep achter ons aan. We waren toen met zijn drieën achter en met de man met de zonnebril. Degene bij de deur bleef in de winkel en de andere liep mee. Weer zei de man met de zonnebril: “Ik maak geen grapje. Als jullie om 4 uur niet betalen gaat de zaak plat.” Ik moest op mijn hurken gaan zitten. De man met de handschoenen aan, die ze dus later aandeed liep langs mij. Hij stond toen dus voor mijn oom en [slachtoffer 2] . Ik voelde mij zeer bedreigd. Mijn oom en [slachtoffer 2] bevonden zich op een meter afstand maar ik kon ze niet zien. Er was niet meer ruimte achter. Ik hoorde achter mij klappen en geschreeuw. Ik hoorde: “au, au klootzak.” Ik hoorde meerdere klappen.

Door verdachte is bij de rechter-commissaris – voor zover hier van belang en voor zover nodig samengevat weergegeven – het volgende verklaard:5

[medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en ik reden op 22 juni 2016 naar de [adres] en stapten alle drie de winkel in.

Door verdachte is ter terechtzitting – voor zover hier van belang en voor zover nodig samengevat weergegeven – het volgende verklaard:6

Hetgeen ik bij de rechter-commissaris als getuige in de zaken tegen de medeverdachten heb verklaard, verklaar ik ook als verdachte in mijn eigen zaak.

Bewijsoverweging

Door de verdediging is betoogd dat verdachte en de medeverdachten in opdracht van een ander naar de winkel van aangever [slachtoffer 1] zijn gegaan, om daar een wietschuld te innen en niet, zoals door de aangevers is verklaard, aangevers af te persen vanwege een (concurrentie)conflict tussen aangever [slachtoffer 1] en zijn voormalig werkgever, de eigenaar van de viswinkel [bedrijfsnaam 2] , genaamd ‘ [A] ’.

De rechtbank acht de verklaring dat het ozu gaan om het innen van een wietschuld niet aannemelijk. Het ligt op de weg van verdachte om de naam van de opdrachtgever te noemen, maar dit heeft hij niet gedaan. Het door verdachte geschetste scenario wordt ook niet op een andere manier onderbouwd. De rechtbank betrekt hierin ook het moment waarop verdachte deze verklaring voor het eerst heeft ingebracht, namelijk eerst bij het verhoor door de rechter-commissaris.

Het door verdachte geschetste scenario is bovendien strijdig met de door aangevers afgelegde verklaringen, die elkaar inhoudelijk ondersteunen. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen van de aangevers. Daarbij is van belang dat de verklaringen van aangevers worden ondersteund door de gegevens van de in de vluchtauto aangetroffen TomTom, waarin als recent bezochte locatie het adres van de viswinkel [bedrijfsnaam 2] is geregistreerd, en door de gegevens in de in de vluchtauto aangetroffen mobiele telefoon, waarin de naam ‘ [A] ’ in de contactenlijst is opgenomen.

De rechtbank overweegt verder dat uit de bewijsmiddelen – en overigens ook uit verdachtes eigen verklaring – blijkt dat hij en de medeverdachten de viswinkel van [slachtoffer 1] zijn binnengegaan om € 4.000,00 te innen. Onder deze omstandigheden heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat daarbij geweld te pas zou komen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 22 juni 2016 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] ,

met zijn mededader(s),

- dreigend tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat hij, [slachtoffer 1] , iedere maand 4000 euro moest betalen anders zou de zaak platgaan en dat hij, [slachtoffer 1] , nu geld moest geven, en

- daarbij dreigend met een hand in de eigen jas is gegaan en

- toen die [slachtoffer 1] verklaarde geen geld te hebben vervolgens die [slachtoffer 1] en
[slachtoffer 2] en een persoon, die aangifte heeft gedaan onder 1231523 (verhoor onder nummer 2) (hierna: aangever 1231523) hebben toegevoegd de woorden: "kom mee naar achteren allemaal", en

- vervolgens die [slachtoffer 1] met kracht met gebalde vuist meermalen, tegen het hoofd en het gezicht en het lichaam heeft geslagen en gestompt en

- die [slachtoffer 1] met kracht in de richting van het hoofd een zogenaamd "knietje" heeft gegeven en

- die [slachtoffer 2] met kracht met gebalde vuist meermalen, tegen het hoofd en het gezicht en het lichaam hebben geslagen/of gestompt en

- vervolgens dreigend tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en aangever 1231523 hebben gezegd dat hij, verdachte, en zijn mededaders om vier uur terug zouden komen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

medeplegen van poging tot afpersing.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, onder de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht, behandeling bij De Waag en een locatie- en contactverbod als bijzondere voorwaarden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt verdachte te straffen gelijk aan het voorarrest. Subsidiair verzoekt de verdediging aan te sluiten bij het toepasselijke oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waarbij sprake is van licht of geen geweld, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben de eigenaar van een viswinkel geprobeerd te dwingen tot afgifte van een (maandelijks) bedrag van € 4.000,00, op de manier zoals in de bewezenverklaring is omschreven. Voor de slachtoffers is dit een bijzonder intimiderende en angstaanjagende ervaring geweest. De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde feit professioneel is uitgevoerd.

Een delict als dit veroorzaakt veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft met die gevoelens geen rekening gehouden toen hij en zijn mededaders besloten op een gewelddadige manier geld af te willen persen. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan.

Anders dan de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het aandeel van verdachte in de poging overval – doordat verdachte als enige niet heeft geslagen – feitelijk niet kleiner is geweest dan dat van de medeverdachten. Verdachte heeft immers op dreigende wijze het woord gevoerd, terwijl medeverdachten die woorden met gebaren en geweld kracht bij hebben gezet. Ten laste is gelegd en bewezen is verklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders de poging tot afpersing heeft gepleegd. Verdachte en de medeverdachten zijn dan naar het oordeel van de rechtbank gelijkelijk verantwoordelijk.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 oktober 2016. Hieruit blijkt dat verdachte weliswaar al eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, maar wel al langere tijd geleden.

Om te bevorderen dat landelijk door gerechten in gelijke gevallen gelijke straffen worden opgelegd heeft het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) oriëntatiepunten voor straftoemeting opgesteld. De rechtbank heeft mede gelet op het voor een overval op een winkel opgestelde oriëntatiepunt, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, indien sprake is van het toepassen van meer dan licht geweld. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van aanmerkelijk meer dan licht geweld. Anders dan de officier van justitie, die als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren neemt, gaat de rechtbank uit van de in voornoemd oriëntatiepunt genoemde gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Dat verdachte wordt veroordeeld voor een poging tot afpersing, daar waar het oriëntatiepunt uitgaat van een voltooid delict, maakt in dit geval voor de strafmaat niet uit. Daarbij is van belang dat sprake is van een reeks uitvoeringshandelingen waarbij het slechts door het toeval komt – namelijk dat aangever [slachtoffer 1] geen geld voorhanden had – dat geen sprake is van een voltooid delict.

Al met al is de conclusie dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur van 3 jaren. Die straf is hoger dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Evident is dat verdachte hulp en begeleiding nodig heeft bij het aanpakken van de problemen die hij op verschillende levensgebieden heeft, zoals ook is geadviseerd door Reclassering Nederland in het rapport van 31 oktober 2016. Deze hulp en begeleiding zullen naar het oordeel van de rechtbank evenwel vorm moeten krijgen in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling. De rechtbank gaat ervan uit dat de officier van justitie in dit verband tijdig, voorafgaand aan de datum van voorwaardelijke invrijheidsstelling, zal onderzoeken of en, zo ja, welke bijzondere voorwaarden daaraan dienen te worden verbonden en welke maatregelen ter invulling van die voorwaarden getroffen dienen te worden.

9 De vorderingen van de benadeelde partijen

9.1.

De vordering van [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een schadevergoeding gevorderd ten bedrage van
€ 609,84, te weten € 209,84 aan materiële schade en € 400,00 aan immateriële schade. Verder vordert de benadeelde partij een bedrag van € 605,00 aan proceskosten.

De officier van justitie acht zowel de materiële – als de immateriële schadevergoeding en de proceskosten, voor toewijzing vatbaar.

De verdediging refereert zich ten aanzien van zowel de materiële – als de immateriële kosten aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging verzoekt de proceskosten af te wijzen, omdat het een buitenproportioneel hoge rekening betreft.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van
[slachtoffer 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De materiële schade wordt als onweersproken toegewezen. De immateriële schade wordt toegewezen nu deze in het verzoek tot schadevergoeding voldoende is toegelicht. De rechtbank waardeert de schade in totaal op € 609,84. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal in het belang van [slachtoffer 1] , als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte jegens [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

Wat betreft de kosten voor rechtsbijstand gaat de rechtbank uit van het maximale aantal punten van het liquidatietarief (salarissen in rolzaken kanton) te weten 2 punten tegen een tarief van € 100,00 per punt, aan proceskosten en zal zij deze kosten derhalve toewijzen tot een bedrag van € 200,00.

9.2.

De vordering van [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een schadevergoeding gevorderd ten bedrage van

€ 400,00, te weten aan immateriële schade. Verder vordert de benadeelde partij een bedrag van € 605,00 aan proceskosten.

De officier van justitie acht zowel de immateriële schadevergoeding als de proceskosten, voor toewijzing vatbaar.

De verdediging refereert zich ten aanzien van de immateriële kosten aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging verzoekt de proceskosten af te wijzen, omdat het een buitenproportioneel hoge rekening betreft.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van
[slachtoffer 2] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden, die in het verzoek tot schadevergoeding voldoende is toegelicht. De rechtbank waardeert deze schade op € 400,00. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal in het belang van [slachtoffer 2] , als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte jegens [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

Wat betreft de kosten voor rechtsbijstand gaat de rechtbank uit van het maximale aantal punten van het liquidatietarief te weten 2 punten tegen een tarief van € 60,00 per punt, aan proceskosten en zal zij deze kosten derhalve toewijzen tot een bedrag van € 120,00.

9.3

De vordering van de benadeelde partij onder nummer 1231523

De benadeelde partij onder nr. 1231523 heeft een schadevergoeding gevorderd ten bedrage van € 250,00, te weten aan immateriële schade. Verder vordert de benadeelde partij een bedrag van € 605,00 aan proceskosten.

De officier van justitie acht zowel de immateriële schadevergoeding als de proceskosten, voor toewijzing vatbaar.

De verdediging refereert zich ten aanzien van de immateriële kosten aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging verzoekt de proceskosten af te wijzen, omdat het een buitenproportioneel hoge rekening betreft.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van
de benadeelde partij onder nummer 1231523 niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden die in het verzoek tot schadevergoeding voldoende is toegelicht. De rechtbank waardeert deze schade op € 250,00. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal in het belang van de benadeelde partij onder nummer 1231523, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte jegens de benadeelde partij onder nummer 1231523 naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

Wat betreft de kosten voor rechtsbijstand gaat de rechtbank uit van het maximale aantal punten van het liquidatietarief te weten 2 punten tegen een tarief van € 30,00 per punt, aan proceskosten en zal zij deze kosten derhalve toewijzen tot een bedrag van € 60,00.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 6 genoemde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie (3) jaar;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen

- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 609,84, bestaande uit
€ 209,84 aan materiële schade en € 400,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte, hoofdelijk, tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald;

- veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk (zodat als de één betaalt de andere medeverdachten in zoverre zijn bevrijd) in de kosten door [slachtoffer 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 200,-;

- legt aan verdachte op de verplichting om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 1] , € 609,84 te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door/namens een ander/anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 400,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte, hoofdelijk, tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald;

- veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk (zodat als de één betaalt de andere medeverdachten in zoverre zijn bevrijd) in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 120,-;

- legt aan verdachte op de verplichting om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 2] , € 400,00 te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door/namens een ander/anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- wijst de vordering van de benadeelde partij onder nummer 1231523 toe tot een bedrag van € 250,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte, hoofdelijk, tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij onder nummer 1231523 voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald;

- veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk (zodat als de één betaalt de andere medeverdachten in zoverre zijn bevrijd) in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 60,-;

- legt aan verdachte op de verplichting om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
de benadeelde partij onder nummer 1231523, € 250,00 te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door/namens een ander/anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Veenstra, voorzitter, mrs. C.A.M. van Straalen en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 december 2016.

De griffier en mr. Van Ommeren zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 22 juni 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een persoon, die aangifte heeft gedaan onder 1231523 (verhoor onder nummer 2) (hierna: aangever 1231523) te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of aangever 1231523, in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s),

(telkens) met zijn mededader(s), althans alleen

- ( dreigend) tegen die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd dat hij, [slachtoffer 1] , iedere maand 4000 euro moest betalen anders zou de zaak platgaan en/of dat hij, [slachtoffer 1] , nu geld moest geven, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- ( daarbij) (dreigend) met een hand in de eigen jas is/zijn gegaan en/of

- ( toen die [slachtoffer 1] verklaarde geen geld te hebben) (vervolgens) die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] en/of aangever 1231523 (dreigend) hebben/heeft toegevoegd de woorden: "kom mee naar achteren allemaal", althans woorden van gelijke

(dreigende) aard en/of strekking en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] (met kracht) (met gebalde vuist) meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam hebben/heeft geslagen en/of gestompt en/of

- die [slachtoffer 1] (met kracht) op/tegen het hoofd, althans in de richting van het hoofd, een zogenaamd "knietje" hebben/heeft gegeven en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] (met kracht) (met gebalde vuist) meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam hebben/heeft geslagen/of gestompt en/of

- ( vervolgens) (dreigend) tegen die die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of aangever 1231523 hebben/heeft gezegd dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (om vier uur) terug zou/zouden komen, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

1 Het proces-verbaal van aangifte, opgenomen op pagina 24-30 van het proces-verbaal dossiernummer 2016191244C, van politie Midden-Nederland, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 283.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 74-77.

3 Het proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 43-48.

4 Het proces-verbaal van verhoor, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 38-40

5 De verklaring van verdachte, afgelegd bij de rechter-commissaris op 21 november 2016.

6 De verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 15 december 2016.