Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:7079

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
UTR 15/3818
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:1041, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning planschade vanwege vaststelling bestemmingsplan. Eiser is van mening dat zijn woongenot wordt aangetast door het bestemmingsplan en dat sprake is van een waardevermindering van zijn woning. Aan de orde komen uitzichtschade, verkeersintensiteit, geluidhinder, geurhinder en luchtkwaliteit alsmede trillinghinder en lichthinder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/3818

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J.M. van Lint),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort, verweerder

(gemachtigde: mr. M. de Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een tegemoetkoming in de door hem geleden planschade toegekend van € 14.800,-.

Bij besluit van 10 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. [A] , werkzaam bij [naam adviesbureau 1] B.V.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats] .

De raad van de gemeente Montfoort heeft bij besluit van 6 februari 2012 het bestemmingsplan “ [...] ” (verder: het bestemmingsplan) vastgesteld, welk plan voorziet in het verlengen van de in de nieuwbouwwijk [...] gelegen [straatnaam] tot aan de weg [straatnaam] te Montfoort voor al het verkeer. Tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). Bij uitspraak van 10 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:189) heeft de ABRS de ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van de gemeenteraad van 6 februari 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

2. Eiser heeft zich op 18 januari 2014 tot verweerder gewend met het verzoek hem in aanmerking te brengen voor een planschadevergoeding. Eiser is van mening dat zijn woongenot wordt aangetast door het bestemmingsplan en dat sprake is van een waardevermindering van zijn woning.

Verweerder heeft de aanvraag tot planschade voorgelegd aan [naam adviesbureau 1] B.V. (hierna: [naam adviesbureau 1] ). [naam adviesbureau 1] heeft in zijn rapportage van 9 oktober 2014 een planologische vergelijking gemaakt tussen het voorheen geldende planologische regime en het bestemmingsplan. De conclusie van [naam adviesbureau 1] is dat het bestemmingsplan eiser in een nadeliger positie heeft gebracht, wat heeft geleid tot voor vergoeding vatbare schade als gevolg van waardevermindering van zijn woning.

3. Verweerder heeft eiser, overeenkomstig het rapport van [naam adviesbureau 1] , bij besluit van 3 december 2014 een planschadevergoeding toegekend. Het toegekende bedrag is bepaald met inachtneming van de drempel van 2% op grond van het normaal maatschappelijk risico als bedoeld in artikel 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Dit besluit heeft verweerder gehandhaafd bij het bestreden besluit.

4. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die schade lijdt of zal lijden in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder a, dient verweerder bij zijn beslissing op de aanvraag in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak te betrekken.

Ingevolge artikel 6.5, aanhef en onder a, dient verweerder bij toekenning van een tegemoetkoming ook de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand te betrekken.

5. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon, worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts indien realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt afgeweken moet worden.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser door het nieuwe bestemmingsplan in een nadeliger positie is komen te verkeren. Het geschil spitst zich met name toe op de door [naam adviesbureau 1] gemaakte taxatie en daarmee op de waardering van de waardedaling van eisers woning. Eiser heeft daarbij uitvoerig uiteen gezet op welke gronden hij van mening is dat de advisering door [naam adviesbureau 1] niet deugdelijk is.

7. Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de ABRS van 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:56) mag een bestuursorgaan, indien in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht. De rechtbank is van oordeel dat [naam adviesbureau 1] is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en dat verweerder in beginsel op een door [naam adviesbureau 1] uitgebracht advies mag afgaan.

De rechtbank dient op basis van hetgeen eiser heeft aangevoerd te beoordelen of het advies van [naam adviesbureau 1] in dit geval onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins zodanige gebreken kleven, dat verweerder het advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

Uitzichtschade

8. Volgens eiser lijdt hij uitzichtschade als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, omdat nu bouwwerken tot een hoogte van 3 meter zijn toegestaan, terwijl in het oude bestemmingsplan bouwwerken van slechts 1,5 meter hoog waren toegestaan. Verder is eiser van mening dat het uitzicht kwalitatief is verslechterd, omdat nu wordt uitgekeken op een weg, waar voorheen agrarische percelen waren.

8.1

[naam adviesbureau 1] heeft in zijn advies geoordeeld dat door de verlenging van de weg het landschap ten noorden van de woning van eiser is veranderd, waarbij tevens is gewezen op de mogelijkheid dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, kunnen worden opgericht met een hoogte van 3 meter. [naam adviesbureau 1] heeft deze verandering niet gekwalificeerd als een aantasting van het uitzicht, omdat er geen sprake is van een wezenlijke zichtbeperking omdat het bestaande uitzicht niet wordt belemmerd door de weg. Ter zitting van de rechtbank is dit standpunt nader toegelicht en is aangegeven dat van aantasting van het uitzicht wordt gesproken als sprake is van een belemmering van het uitzicht. Aangezien het bestaande uitzicht niet wordt belemmerd door de weg, is volgens [naam adviesbureau 1] in zoverre geen sprake van een planologische verslechtering. Wel gaat [naam adviesbureau 1] er vanuit dat de situeringswaarde van de woning van eiser wordt aangetast als gevolg van de aanleg van de weg op korte afstand van zijn woning en de als gevolg daarvan mogelijk geworden toename van de verkeersintensiteit. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om deze benadering van [naam adviesbureau 1] en de in dat kader getrokken conclusies onjuist te achten.

Verkeersintensiteit

9. Eiser heeft verder aangevoerd dat het door verweerder gebruikte verkeersonderzoek niet als basis kan dienen voor de beoordeling of sprake is van planschade. De toename van het verkeer wordt naar de mening van eiser in het betreffende verkeersrapport fors onderschat. Volgens eiser zal het verkeer veel meer toenemen dan het daarin genoemde aantal van maximaal 1.750 voertuigen per etmaal.

9.1

[naam adviesbureau 1] heeft gebruik gemaakt van het verkeersonderzoek van verkeerskundig adviesbureau [naam adviesbureau 2] van 10 september 2010, dat in opdracht van de gemeente is uitgevoerd en waaruit blijkt dat de verkeersintensiteit op de [straatnaam] niet meer zal gaan bedragen dan 1.750 motorvoertuigen per etmaal. Deze toename van de verkeersintensiteit geeft overlast in de vorm van geluidhinder en lichthinder, aldus [naam adviesbureau 1] .

9.2

De rechtbank stelt vast dat het bovengenoemde verkeersonderzoek ten grondslag is gelegd aan het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Uit het rapport blijkt dat de verkeersintensiteiten en de daarmee samenhangende geluidsbelasting zijn gebaseerd op verkeerstellingen en dat bij dat onderzoek is uitgegaan van een zogenoemd worst case scenario. In de uitspraak van 10 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:189) met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan, heeft de ABRS overwogen geen aanleiding te zien om te twijfelen aan de juistheid van de berekende verkeersintensiteit. De ABRS heeft dan ook geconcludeerd dat de raad van de gemeente Montfoort in die procedure bij de berekening van de verkeersintensiteit en de daarmee samenhangende geluidsbelasting voldoende rekening heeft gehouden met de toekomstige ontwikkelingen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om in deze procedure tot een andersluidend oordeel te komen. Het betoog van eiser dat de verkeerstoename fors wordt onderschat is niet onderbouwd en is reeds om die reden onvoldoende om te concluderen dat het onderzoek van het adviesbureau [naam adviesbureau 2] niet mocht worden gebruikt. Het betoog van eiser slaagt dan ook niet.

Geluidhinder

10. Eiser heeft met betrekking tot de door hem ondervonden geluidhinder als gevolg van de toename van de verkeersintensiteit aangevoerd dat die hinder door [naam adviesbureau 1] te laag is ingeschat en ten onrechte wordt gebagatelliseerd.

10.1

[naam adviesbureau 1] heeft in zijn advies opgemerkt dat door de toename van de verkeersintensiteit overlast ontstaat in de vorm van geluidhinder door het optrekken en afremmen van motorvoertuigen op het kruispunt [straatnaam] - [straatnaam] . [naam adviesbureau 1] heeft bij dat advies betrokken een op verzoek van de gemeente Montfoort uitgevoerd akoestisch onderzoek van 15 april 2013. [naam adviesbureau 1] heeft de voor eiser ontstane toename van de geluidhinder gekwalificeerd als gering.

10.2

De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de geluidhinder door [naam adviesbureau 1] onjuist is ingeschat.. [naam adviesbureau 1] heeft met betrekking tot dit aspect in zijn advies rekening gehouden met het akoestisch onderzoek van 15 april 2013 en met de resultaten zoals die uit het verkeersonderzoek naar voren zijn gekomen. In wat eiser heeft aangevoerd ten aanzien van genoemde onderzoeken, waarbij hij stelt dat is gerekend en/of gemeten bij woningen aan het [straatnaam] , die minder geluidsoverlast ondervinden van de weg, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om te concluderen dat [naam adviesbureau 1] , dat uit is gegaan van een worst case scenario, de geluidhinder ter plaatse van de woning van eiser onvoldoende op waarde heeft geschat. Het betoog van eiser slaagt dan ook niet.

Geurhinder en luchtkwaliteit

11. Eiser betoogt dat verweerder bij de beoordeling of sprake is van een planologische verslechtering ten onrechte geen rekening heeft gehouden met geurhinder en verslechtering van luchtkwaliteit. Eiser heeft ter ondersteuning van dat standpunt een rapport overgelegd van [naam adviesbureau 3] van 8 augustus 2016.

11.1

Aangezien dit argument pas in een laat stadium van de procedure is aangevoerd, is namens verweerder hierop eerst ter zitting gereageerd. Verweerder heeft gesteld dat eiser ook onder het oude planologische regime geurhinder door agrarisch gebruik en van zware agrarische voertuigen had te dulden en dat die aspecten ook zijn beoordeeld in het kader van de toename van de verkeersintensiteit en de vermindering van de situeringswaarde. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze ter zitting gegeven toelichting ontoereikend te achten. Het betoog van eiser op dit punt kan de rechtbank dan ook niet tot het oordeel leiden dat verweerder om die reden niet mocht afgaan op het door [naam adviesbureau 1] uitgebrachte advies.

Trillinghinder

12. Eiser heeft verder betoogd dat verweerder heeft verzuimd om de trillinghinder als vorm van overlast mee te nemen in het planschadeonderzoek, waardoor de taxatie van de hoogte van de planschade onjuist is. Eiser heeft in dat verband gewezen op de aanleg van het verkeersplateau dat naar zijn mening een rechtstreeks gevolg is van de verlenging van de [straatnaam] . Dit verkeersplateau veroorzaakt merkbare trillinghinder

12.1

Verweerder heeft gesteld dat de plaatsing van het verkeersplateau niet is vastgelegd in het bestemmingsplan, maar de feitelijke inrichting van de weg betreft en dat het plateau bovendien niet in het plangebied ligt, zodat de gestelde trillinghinder niet kan worden betrokken bij de planologische vergelijking.

12.2

In het midden latend of het verkeersplateau al dan niet gedeeltelijk in het plangebied ligt, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het verkeersplateau geen onderdeel uitmaakt van de planologische verandering, te weten de vaststelling van het bestemmingsplan. Reeds daarom kan eventuele schade door trillingen als gevolg van dit verkeersplateau niet als planschade worden aangemerkt. Het betoog slaagt dan ook niet.

Lichthinder

13. Door eiser is voorts aangevoerd dat de door hem ondervonden lichthinder door verweerder wordt onderschat. De lichthinder van aankomende auto’s en andere motorvoertuigen is ’s avonds al vanaf 500 meter merkbaar in zijn woning.

13.1

[naam adviesbureau 1] heeft de door eiser ondervonden lichthinder als gevolg van de koplampen van motorvoertuigen onderkend en dit aspect betrokken als schadefactor bij de bepaling van de hoogte van de toegekende planschadevergoeding. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit aspect door [naam adviesbureau 1] in zijn advies is onderschat.

De enkele omstandigheid dat eiser een andere mening is toegedaan over de ernst, en daarmee de waardering, van de planologische verslechtering, is onvoldoende om aan te nemen dat de planvergelijking op dat punt onjuist of onvolledig is. Het betoog van eiser slaagt dan ook niet.

Deskundigheid taxateur

14.Ten slotte heeft eiser de deskundigheid van de door [naam adviesbureau 1] ingeschakelde taxateur, mevrouw [B] , in twijfel getrokken. Hij heeft gewezen op de omstandigheid dat de taxateur ten tijde van de taxatie de leeftijd van 70 jaar had en gesteld dat zij onvoldoende kennis heeft van de lokale markt in Montfoort en daarom niet staat moet worden geacht om een goede taxatie uit te voeren.

14.1

De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Het enkele feit dat de taxateur ten tijde van de taxatie de leeftijd van 70 jaar had en niet (meer) was ingeschreven in het register van makelaars en taxateurs, brengt niet met zich dat zij op dit gebied niet deskundig is en derhalve niet als taxateur mocht worden ingeschakeld. Namens verweerder is ter zitting toegelicht dat mevrouw [B] lange tijd bij [naam adviesbureau 1] werkzaam is geweest en veel ervaring en deskundigheid heeft op het gebied van planschadetaxaties. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om mevrouw [B] als onvoldoende gekwalificeerd aan te merken.

Conclusie rapport [naam adviesbureau 1] en omvang toegekende tegemoetkoming planschade

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat aan het door [naam adviesbureau 1] verrichte onderzoek zodanige gebreken kleven, dat verweerder dat advies op dit punt niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen en de omvang van de toegekende tegemoetkoming in de planschade niet daarop heeft mogen baseren. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen, zoals door eiser verzocht.

Kosten van rechtsbijstand

16. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder verzuimd heeft een vergoeding toe te kennen voor juridische bijstand, hetgeen wel gebruikelijk is bij planschade. Eiser is van mening dat verweerder voor het nemen van het bestreden besluit naar aanleiding van het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften (de commissie) om specificaties had moeten vragen, waarna verweerder op het verzoek om een kostenvergoeding had kunnen beslissen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, is het bestreden besluit in dat opzicht onzorgvuldig tot stand gekomen.

17. Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro vergoeden burgemeester en wethouders, indien burgemeester en wethouders een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 toekennen, daarbij tevens de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand.

18. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn aanvullend bezwaarschrift slechts heeft aangegeven dat bij de beschikking verzuimd is een vergoeding toe te kennen voor juridische bijstand, terwijl er wel juridische bijstand is verleend. In het advies van de commissie staat vermeld dat de commissie zich niet kan uitlaten over de claim van bezwaarmaker ten aanzien van de kostentegemoetkoming, nu er geen specificaties zijn overgelegd. Het college kan dit in de heroverweging meenemen indien een en ander dan inmiddels wel gespecificeerd is, aldus de commissie. De rechtbank overweegt dat (de gemachtigde van) eiser in de bezwaarfase geen enkele nadere onderbouwing heeft gegeven dan wel een specificatie heeft overgelegd van de kosten die naar zijn mening door verweerder op grond van artikel 6.5 voornoemd hadden moeten worden vergoed. Nu dit is nagelaten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het niet toekennen van een kostenvergoeding op grond van artikel 6.5 onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder om specificaties had moeten vragen. De rechtbank overweegt daarbij dat verweerder niet gehouden is om de in verband met de behandeling van de aanvraag opgekomen kosten ambtshalve te vergoeden. De rechtbank wordt in dit oordeel gesteund door de uitspraak van de ABRS van 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:450. Het betoog van eiser slaagt dus niet.

Eindconclusie

19. Het beroep is dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Wijna, voorzitter, en mr. drs. R. in ʼt Veld en mr. drs. S. Lanshage, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.