Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:7075

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
16.700054-16 / 428200 / HA RK 16-290
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 16.700054-16 / 428200 / HA RK 16-290

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

23 december 2016

op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) van:

[verzoeker] ,

(verder te noemen: verzoeker),

gemachtigde mr. P.J. Hoogendam, advocaat te Den Haag.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het wrakingsverzoek van 2 december 2016;

  • -

    een het wrakingsverzoek aanvullende brief van 2 december 2016;

  • -

    de schriftelijke reactie van mr. A. Muller van 7 december 2016;

  • -

    de mondelinge behandeling op 9 december 2016.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 9 december 2016 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling zijn namens verzoeker verschenen mr. P.J. Hoogendam en mr. D.J.G.J. Cornelissen. Mr. A. Muller is met bericht van verhindering niet verschenen. De belanghebbenden zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet verschenen. Mr. P.J. Hoogendam heeft het wrakingsverzoek toegelicht aan de hand van een pleitnota.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. A. Muller (verder te noemen: de rechter-commissaris) als behandelend rechter-commissaris, in de zaak met het parketnummer 16.700054-16.

2.2.

Verzoeker heeft het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. Op

14 april 2016 is de cel van verzoeker onder leiding van de rechter-commissaris in [woonplaats] doorzocht. Bij deze doorzoeking zijn diverse door verzoeker handgeschreven aantekeningen, opgenomen in een schrift en op losse blaadjes, in beslag genomen en direct aan het onderzoeksteam ter beschikking gesteld. Naar de mening van verzoeker bevonden zich onder de in beslag genomen stukken geheimhouderstukken, die onder het verschoningsrecht vallen. Op het door verzoeker terzake ingediende klaagschrift is de rechtbank in de beschikking van 20 mei 2016 tot het oordeel gekomen dat een drietal notities zijn aan te merken als geheimhouderstukken. Deze beschikking is door de Hoge Raad in cassatie op 25 november 2016 bevestigd. Nu de rechter-commissaris inzage heeft gehad in de geheimhouderstukken, terwijl deze stukken geen deel uitmaken van het strafonderzoek, is bij verzoeker de subjectieve en objectieve vrees ontstaan dat de rechter-commissaris niet (langer) onafhankelijk en onpartijdig haar taak als rechter-commissaris in de strafzaak kan uitvoeren. Daar komt bij dat de rechter-commissaris voorafgaand aan de doorzoeking van de cel van verzoeker contact moet hebben gehad met de [woonplaats] rechter-commissaris die belast was met de doorzoeking, waarbij zij die rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk heeft geïnstrueerd.

Op 22 april 2016 is daarom aan de rechter-commissaris verzocht de inhoud van deze correspondentie te verstrekken, hetgeen op 25 april 2016 door de rechter-commissaris is geweigerd, omdat daar geen aanleiding voor zou zijn. Uit een door de rechter-commissaris aan de Hoge Raad gestuurde e-mail blijkt dat er geen schriftelijke communicatie zou zijn, wat niet strookt met wat zij eerder aan verzoeker heeft medegedeeld. De weigering van de rechter-commissaris tot verstrekking van de correspondentie in samenhang bezien met de kwestie van de inzage in de geheimhouderstukken moet worden aangemerkt als een beslissing die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring kan worden gevonden dan dat deze door partijdigheid, althans vooringenomenheid, is ingegeven en waardoor de schijn van subjectieve en objectieve partijdigheid van de rechter-commissaris is ontstaan. Verzoeker heeft ook als grond aangevoerd dat de rechter-commissaris op

24 november 2016 een proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt, waarin zij te kennen geeft dat een onderzoek naar de mogelijke locatiegegevens van de telefoon van verzoeker niet in het belang van het onderzoek is, omdat er thans geen betrouwbaar en veilig onderzoek naar deze gegevens mogelijk is. Dit terwijl de rechter-commissaris op verzoek van de raadsman en met instemming van de officier van justitie hierover twaalf vragen aan de firma [firma] heeft voorgelegd en op deze vragen ten tijde van de beslissing van de rechter-commissaris nog geen antwoord was gekregen. Nu de rechter-commissaris zonder enige noodzaak en prematuur een beslissing heeft genomen voedt dat de indruk dat de rechter-commissaris partijdig dan wel vooringenomen is.

2.3.

De rechter-commissaris heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat voor alle door verzoeker genoemde gronden geldt dat het verzoek tot wraking op grond van artikel 513 Sv ontijdig is gedaan.

Overigens is de rechter-commissaris van mening dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, al dan niet in samenhang bezien, niet kan leiden tot de conclusie dat zij partijdig of vooringenomen zou zijn of de schijn daartoe zou hebben gewekt. Over de geheimhouderstukken merkt zij op dat zij deze stukken op 21 april 2016 heeft ingezien. Voor zover dat voor haar oordeelsvorming noodzakelijk is mag zij ter beoordeling van de vraag of de stukken geheimhouderstukken betreffen van die stukken kennis nemen. Voor dergelijke informatie geldt dat deze geen enkele rol mag spelen bij het nemen van beslissingen van de rechter-commissaris in de strafzaak. Dat zij de stukken heeft ingezien rechtvaardigt aldus niet de subjectieve en objectieve vrees van verzoeker dat zij haar taak als rechter-commissaris niet (langer) onafhankelijk en onpartijdig zou kunnen uitvoeren. Wat betreft de aanname dat de rechter-commissaris heeft gecorrespondeerd met de rechter-commissaris in [woonplaats] onder wiens leiding de doorzoeking is uitgevoerd verwijst zij naar haar e-mail aan de raadsman van 25 april 2016 en haar e-mail aan de Hoge Raad van 17 augustus 2016, waarin zij aangeeft dat er geen sprake is van het geven van instructies. Het telkens beweren dat er door haar instructies zijn gegeven maakt niet dat deze stelling voor waar aangenomen moet worden.

Over het onderzoek naar de locatiegegevens van de telefoon van verzoeker wijst de rechter-commissaris erop dat op de zitting van 23 september 2016 de stukken in handen zijn gesteld van de rechter-commissaris om na verloop van twee weken na de zitting met betrekking tot de locatiegegevens van de telefoon het onderzoek te doen dat zij ambtshalve noodzakelijk acht. Aan deze opdracht van de rechtbank heeft zij voldaan door voor de regiezitting van

28 november 2016 een proces-verbaal van bevindingen op te maken met daarin haar beslissing dat zij ‘op dit moment’ geen nader onderzoek naar de locatiegegevens noodzakelijk acht. Dat verzoeker zich in deze beslissing niet kan vinden heeft hij ten tijde van de regiezitting niet aan de orde gesteld. Van de schijn van vooringenomenheid is ook op dit punt geen sprake.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 512 Sv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

De wrakingskamer is van oordeel dat voor zover het wrakingsverzoek ziet op het door de rechter-commissaris op 24 november 2016 opgemaakte proces-verbaal van bevindingen over het onderzoek naar de locatiegegevens van de telefoon van verdachte, het verzoek tijdig is gedaan. Verzoeker is in dit onderdeel van zijn verzoek ontvankelijk.

De wrakingskamer maakt uit het proces-verbaal van de regiezitting van de meervoudige kamer van 23 september 2016 op dat de rechtbank de rechter-commissaris heeft opgedragen om binnen twee weken nader onderzoek op dit punt te doen en om na die termijn van twee weken met betrekking tot het verkrijgen van de locatiegegevens het onderzoek te doen dat zij ambtshalve noodzakelijk acht. In dit kader heeft de rechter-commissaris op verzoek van de verdediging en met instemming van de officier van justitie vragen gesteld aan de firma [firma] . Nog voordat antwoord op de vragen is gekregen heeft de rechter-commissaris het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt ten behoeve van de regiezitting met de beslissing dat zij ‘op dit moment’ geen nader onderzoek noodzakelijk acht. De nog openstaande vragen aan [firma] en de beslissing dat geen onderzoek noodzakelijk is lijken wellicht met elkaar in tegenspraak, maar zijn dat naar het oordeel van de wrakingskamer niet. De rechtbank heeft in de eerste plaats aan de rechter-commissaris opdracht gegeven binnen twee weken het onderzoek te doen dat zij, rechter-commissaris, noodzakelijk achtte en de rechter-commissaris heeft dan ook in het licht van de bestaande mogelijkheden om dat onderzoek binnen de gestelde termijn uit te laten voeren geoordeeld dat het onderzoek niet noodzakelijk was. Daarnaast heeft de rechter-commissaris in haar proces-verbaal van 24 november 2016 niet alleen opgenomen dat [firma] nog niet op alle vragen geantwoord had maar ook dat de verdediging alternatieven voor onderzoek kon aandragen. De beslissing van de rechter-commissaris, waarin specifiek staat dat zij ‘op dit moment’ nader onderzoek niet van belang acht, staat op geen enkele wijze in de weg aan de mogelijkheid tot nader onderzoek naar aanleiding van de informatie van [firma] en daarmee tot het aanbrengen van mogelijk ontlastend bewijs, zeker niet nu de rechtbank nog geen dag bepaald heeft waarop de inhoudelijk behandeling van de strafzaak zal plaatsvinden. Verzoeker heeft op de regiezitting van 28 november 2016 ook geen blijk gegeven van de overtuiging die hem post gevat zou hebben dat de rechter-commissaris geen onderzoek meer naar de locatiegegevens op de telefoon van verzoeker zou laten verrichten. Van de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid kan daarom niet worden gesproken.

3.5.

Wat betreft de inzage in geheimhouderstukken door de rechter-commissaris maakt de wrakingskamer uit het wrakingsverzoek op dat verzoeker de beslissing van de Hoge Raad in cassatie van 25 november 2016 heeft afgewacht, in welke procedure in rechte is komen vast te staan dat er daadwerkelijk geheimhouderstukken in beslag zijn genomen. Het wrakingsverzoek is vervolgens in samenhang met de onder 3.4 genoemde grond ingediend. De wrakingskamer is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat het verzoek op dit punt tijdig is gedaan en acht verzoeker ontvankelijk in dit onderdeel van zijn verzoek.

De doorzoeking waarbij stukken zijn aangetroffen en inbeslaggenomen heeft plaatsgevonden in de cel van verzoeker. Niet gesteld kan worden dat bij een doorzoeking als deze er bij voorbaat van uit dient te worden gegaan dat er geheimhouderstukken zullen worden aangetroffen. Om vast te kunnen stellen of een bij de doorzoeking aangetroffen stuk als een geheimhouderstuk moet worden aangemerkt zal van dat stuk kennis genomen moeten worden. De rechter-commissaris heeft dat in dit geval ook gedaan. De enkele kennisneming van de stukken leidt er toe dat de rechter-commissaris wetenschap heeft van de inhoud daarvan, maar leidt niet tot de conclusie dat de rechter-commissaris daardoor bevooroordeeld is wat het verdere onderzoek in de zaak betreft.

3.6.

Nu verzoeker ook overigens geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de rechter-commissaris blijk heeft gegeven van partijdigheid dan wel van vooringenomenheid dan wel dat de vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is, zal de rechtbank het wrakingsverzoek in zoverre ongegrond verklaren.

3.7.

Over de weigering van de rechter-commissaris om de vermeende correspondentie tussen haar en de rechter-commissaris in [woonplaats] , waarin zij instructies omtrent de doorzoeking zou hebben gegeven, aan verzoeker te verstrekken overweegt de wrakingskamer het volgende. Op grond van artikel 37, eerste lid, Rv wordt het wrakingsverzoek gedaan “zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden”. Deze door verzoeker aangevoerde grond is gelegen in hetgeen zich voor de doorzoeking op 14 april 2016 en kort daarna heeft voorgedaan. Reeds op 25 april 2016 heeft de rechter-commissaris aan verzoeker laten weten niet aan zijn verzoek te zullen voldoen. Kennelijk was het handelen van de rechter-commissaris op dat moment geen aanleiding voor verzoeker om een wrakingsverzoek te doen en dit kan daarom niet nu alsnog als grond voor de wraking worden aangevoerd. Het verzoek is op dit punt niet tijdig gedaan zodat het verzoek daarom in zoverre niet-ontvankelijk is. De wrakingskamer acht verzoeker in dit onderdeel van zijn verzoek niet-ontvankelijk.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op de weigering van de rechter-commissaris om vermeende correspondentie tussen haar en de rechter-commissaris in [woonplaats] over te leggen (zoals genoemd in rechtsoverweging 3.7) en verklaart het verzoek tot wraking voor het overige ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter-commissaris, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Straf-, familie- en jeugdrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met parketnummer 16.700054-16 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mr. A.M. Koene en

mr. R.M. Berendsen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.