Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:7030

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
16/661826-15, 16/659157-16, 16/652662-16, 16/652418-16 en 16/660192-13 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak diefstal. De verklaring van verdachte dat hij de auto wilde terugbrengen valt niet uit te sluiten. Veroordeling voor poging tot diefstal d.m.v. braak gevolgd van bedreiging van geweld en twee diefstallen d.m.v. braak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/661826-15, 16/657157-16, 16/652662-16, 16/652418-16 en 16/660192-13 (tul) (gev. ttz).

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 28 oktober 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1995] te [geboorteplaats] ,

Verblijvende in [naam] op de [adres] te [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2016. Verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. D.R. Kops, advocaat te Breukelen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van 16/661826-15:

door middel van een valse sleutel de auto van [benadeelde 1] heeft weggenomen;

Ten aanzien van 16/659157-16:

heeft geprobeerd in te breken in de woning van [slachtoffer] , waarna hij gebruik heeft gemaakt van geweld of bedreiging met geweld;

Ten aanzien van 16/652662-16:

meerdere goederen van [benadeelde 2] uit een woning heeft weggenomen;

Ten aanzien van 16/652418-16:

samen met een ander of anderen 75 euro van [benadeelde 3] uit een woning heeft weggenomen door middel van braak/verbreking.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van 16/661826-15 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen

Ten aanzien van 16/659157-16 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en verwees daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Hierbij heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen over de herkenning van verdachte erg stellig zijn, dat verdachte vaker woninginbraken heeft gepleegd en hij na het feit met parketnummer 16/652418-16 ook kleding weggooide terwijl hij op de vlucht was.

Ten aanzien van 16/652662-16 is de officier van justitie van mening dat het bloed op de handdoek een daderspoor is. De handdoek was immers van aangever en voordat aangever weg ging uit zijn woning lag de handdoek schoon in de keuken. Toen aangever terug kwam, lag de handdoek in de slaapkamer met bloed erop waarvan het DNA-profiel ‘matcht’ met het DNA-profiel van verdachte. Verdachte heeft hierover geen uitleg gegeven terwijl sprake is van een Murray situatie. Derhalve kan het feit wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van 16/652418-16 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen. Voor het overige kan het tenlastegelegde wettig en overtuigend worden bewezen. De officier van justitie verwees daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van 16/661826-15 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat bij verdachte het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbrak. Uit de verklaring van verdachte volgt namelijk dat hij de auto alleen zonder toestemming heeft geleend en de auto ook weer wilde terugbrengen. Dit valt onder joyriding en dat is niet tenlastegelegd waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van 16/659157-16 heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die door de getuigen is gezien bij de [adres] en de getuigen heeft bedreigd. Volgens de verdediging moet door de korte confrontatie bij de [adres] , het feit dat het donker was, het tijdelijk uit het oog verliezen van de persoon die in eerste instantie door de getuigen is gezien bij de [adres] , het feit dat de getuigen vervolgens hebben gezien hoe verdachte door de politie is aangehouden en hierbij wellicht onbewust toe hebben geredeneerd naar de persoon bij de [adres] , zeer kritisch naar de vermeende herkenningen van verdachte door de getuigen worden gekeken. Steunbewijs waaruit zou kunnen blijken dat verdachte de dader is ontbreekt. Dit levert een contra-indicatie op voor betrokkenheid van verdachte. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank meent dat verdachte de persoon is die door de getuigen bij de [adres] is gezien en de bedreiging heeft geuit dat verdachte alsnog dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat de schade aan het deurkozijn op 24 november 2015 door verdachte is veroorzaakt. Het is immers niet duidelijk wanneer de braakschade precies is ontstaan. Het alarm van de [adres] is de week voor het tenlastegelegde afgegaan, wellicht omdat er toen geprobeerd werd om in te breken. Het alarm is bovendien op 24 november 2015 niet afgegaan en de enkele aanwezigheid van verdachte in de tuin, indien de rechtbank dat bewezen zou achten, betekent niet dat hij heeft geprobeerd om in te breken.

Ten aanzien van 16/652662-16 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat alleen een DNA-spoor onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen. Immers, het aantreffen van DNA is niet redengevend voor het oordeel dat verdachte de inbraak heeft gepleegd.

Ten aanzien van 16/652418-16 is de verdediging van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van medeplegen. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van 16/661826-15:

Verdachte heeft aangevoerd dat hij de auto wilde terug brengen naar mevrouw [benadeelde 1] . Gelet op het feit dat mevrouw [benadeelde 1] een kennis is van verdachte en verdachte kort nadat hij de auto had meegenomen een ongeluk heeft veroorzaakt, valt de verklaring van verdachte niet uit te sluiten. De rechtbank is derhalve van oordeel dat sprake kan zijn van joyriding en dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de auto daardoor niet kan worden bewezen, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van 16/659157-16: 1

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Aangeefster [slachtoffer] verklaarde dat zij op 24 november 2015 zag dat er in haar achtertuin onder het balkon van haar woning aan de [adres] te [woonplaats] een stoel stond.2 Aan de onderzijde van de deur van het balkon trof zij verse braakschade aan. Zij zag namelijk een stuk hout van het deurkozijn op de grond liggen.3

Getuige [getuige 1] verklaarde dat hij op 24 november 2015 samen met zijn vrienden [getuige 2] en [getuige 3] op de [adres] te [woonplaats] was toen hij een hard schrapend geluid hoorde. Hij zag een jongen door de heg rennen en over een hek klimmen.4 Hij hoorde de jongen zeggen: ‘he wat ik kan niets doen, wholla ik steek jullie’. Hij zag dat zijn twee vrienden op ongeveer 1.5 meter van de jongen stonden. Hij stond ongeveer 4 meter van de jongen verwijderd. Hij zag dat de jongen een stekende beweging maakte met een van zijn handen richting [getuige 3] en dat de jongen iets in zijn handen had dat leek op een schroevendraaier. Hij zag dat de jongen vervolgens wegrende. Zij zijn er achteraan gerend. Zij zagen de jongen even niet meer. Zij zagen vervolgens de jongen weer van rechts aan komen lopen. Hij herkende de jongen direct als de jongen die door de heg rende en hem en zijn vrienden bedreigde. Hij zag dat de jongen zijn zwarte winterjas niet meer aanhad en zijn rode muts had afgedaan. Hij zag dat de jongen zich zenuwachtig gedroeg.5 Zij zijn de jongen uiteindelijk hooguit een halve minuut tot een minuut uit het oog verloren.6

Getuige [getuige 2] verklaarde dat hij zag dat de verdachte op een paar meter afstand een gevechtshouding aan nam en hij daarbij de schroevendraaier dreigend ter hoogte van zijn schouder hield. Hij hoorde hem daarop roepen: ‘Wolla, ik steek jullie!’. De verdachte rende langs hen en zij renden achter hem aan. Hij is de verdachte vanaf de hoek van de Kozakkenweg uit het oog verloren. Zij zagen de verdachte uit de Fransestraat lopen en zagen dat hij schrok. Hij hoorde [getuige 1] en [getuige 3] gelijk zeggen: ‘Dat is hem, dat is hem.’7

Verbalisant [verbalisant 1] verklaarde dat hij op 24 november 2015 een onderzoek heeft ingesteld in de omgeving van de vluchtroute van verdachte. Hij zag dat er op de Kozakkenweg een brandgang was. Hij liep deze brandgang in en zag na drie meter aan de rechterkant onder een heg een schroevendraaier liggen. Hij verklaarde dat het via deze brandgang mogelijk is om na ongeveer 25 meter links in de Fransestraat te komen.8

Verbalisant [verbalisant 2] verklaarde dat hij op 25 november 2015 zag dat op de [adres] te [woonplaats] op het terras de openslaande deuren was gepoogd door middel van wrikken met een schroevendraaier in de sluitnaad open te breken.9 Hij verklaarde dat hij bij de openslaande deuren op de eerste verdieping de sporen met SIN AAIW6627NL en SIN AAIW6625NL van een breekwerktuig heeft veiliggesteld.10

Verbalisant [verbalisant 3] verklaarde dat hij op grond van het vergelijkend werktuigsporenonderzoek concludeerde dat de afgevormde werktuigsporen 1.2 (SIN AAIW6627NL) en 1.4 (SIN AAIW6625NL) waarschijnlijk zijn veroorzaakt met schroevendraaier B (de schroevendraaier aangetroffen door [verbalisant 1] onder een heg in de brandgang aan de Kozakkenweg te Utrecht11).12

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt dat de drie getuigen door de man bij de [adres] zijn bedreigd terwijl zij op korte afstond van deze man stonden. Hierdoor hebben de getuigen de man van dichtbij kunnen zien. Op de vluchtroute van de man (op de Kozakkenweg) werd een schroevendraaier aangetroffen. Het is mogelijk om via de Kozakkenweg de Fransestraat in te lopen. Dit is ook de straat waar de verdachte door de getuigen werd gezien, nadat zij de man zeer kort vanaf de hoek van de Kozakkenweg uit het oog waren verloren. De getuigen herkenden de verdachte alle drieals de eerder genoemde man. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte de man is die bij de [adres] door de getuigen is gezien. Dat de verdachte op de Fransestraat niet meer een muts en jas aanhad, maakt dit oordeel niet anders nu verdachte deze gemakkelijk (net als de schroevendraaier) had kunnen weggooien. Verdachte heeft ook bij het feit met parketnummer 16/652418-16, terwijl hij op de vlucht was, zijn jas uitgedaan.

Door de getuigen werd een hard schrapend/kraak geluid gehoord op 24 november 2015. Even later zien zij de verdachte met een schroevendraaier in zijn hand staan bij de [adres] . Bovendien werd later op de [adres] verse braakschade op de deur van het balkon aangetroffen en onder dit balkon is een stoel neergezet. De rechtbank acht bewezen dat de schade aan het deurkozijn op 24 november 2015 door verdachte is veroorzaakt en dat verdachte bij de [adres] heeft geprobeerd om in te breken.

Ten aanzien van 16/652662-16: 13

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Aangever [benadeelde 2] verklaarde dat zij op 27 juni 2016 omstreeks 10.30 uur de woning aan de [adres] te [woonplaats] verlieten. Zij hadden de woning afgesloten en in onbeschadigde toestand achtergelaten. Op 27 juni 2016, omstreeks 13.15 uur, zagen zij dat de schuttingdeur openstond en dat het slot ervan verbroken was. Ook zagen zij dat de grote ruit van de achterdeur gedemonteerd was. In de slaapkamer, die was doorzocht, lag op het bed de keukenhanddoek. Deze was schoon, maar er zat nu een veeg bloed in. Aangever verklaarde dat de veeg niet van hen was.14 Zij misten twee armbanden, één horloge, zeven kettingen, één ring en twee boordknopen.15

Verbalisant [verbalisant 4] zag op 27 juni 2016 dat op het bed in de grote slaapkamer van de woning op de [adres] te [woonplaats] een handdoek lag waarop een op bloed gelijkende substantie zichtbaar was.16 Hij heeft de op bloed gelijkende substantie bemonsterd op de aanwezigheid van bloed ten behoeve van een uit te voeren DNA-onderzoek (biologisch spoor AAJQ3999NL).17

Uit het deskundigenrapport van het NFI d.d. 27 juli 2016 volgt dat het spoor met SIN AAJQ3999NL aan een DNA-onderzoek is onderworpen. De conclusie was dat het celmateriaal afkomstig kan zijn van [verdachte] . De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen andere persoon (dan verdachte) matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.18

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt dat de aangever heeft verklaard dat de handdoek schoon was en in de woning lag voordat hij de woning verliet. Toen hij kort daarop, na ongeveer drie uur, terug kwam was er in zijn woning ingebroken en lag de handdoek met bloed erop op bed in zijn doorzochte slaapkamer. De rechtbank overweegt dat bloed op de handdoek een daderspoor is en dat verdachte zich kennelijk heeft verwond tijdens de inbraak en de handdoek in de woning heeft gepakt, heeft gebruikt en vervolgens heeft achtergelaten. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de woninginbraak heeft gepleegd.

Ten aanzien van 16/652418-16:

Partiële vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd, zodat hij van het tenlastegelegde medeplegen moet worden vrijgesproken.

Aangezien verdachte het tenlastegelegde feit heeft bekend en de raadsman voor het overige geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank voorzover zij dit feit bewezen acht, met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het tenlastegelegde bewezen gelet op:


- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2016;
- een proces-verbaal van aangifte van 1 juli 2016 doorgenummerde pagina’s 10 - 11 van het proces-verbaal nr. PL0900-2016202714.

Conclusie

De rechtbank komt op grond van het hiervoor overwogene tot de conclusie dat verdachte het bij parketnummers 16/659157-16, 16/652662-16 en 16/652418-16 tenlastegelegde heeft begaan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van 16/659157-16:

op 24 november 2015 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [slachtoffer] , en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, immers heeft hij, verdachte, een schroevendraaier, (met kracht) geplaatst in de sluitnaad van de balkondeur, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [getuige 2] en [getuige 1] en [getuige 3] , gepleegd om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf, de vlucht mogelijk te maken, immers heeft hij, verdachte, met een schroevendraaier, een dreigende houding aangenomen naar die [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] , en daarbij een stekende beweging daarmee gemaakt en daarbij die [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] dreigend toegevoegd de woorden: "wholla ik steek jullie neer";

ten aanzien van 16/652662-16:

op 27 juni 2016 te [woonplaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen twee armbanden, zes kettingen, een horloge, een ring en twee boordknopen, ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.

ten aanzien van 16/652418-16:

op 01 juli 2016 te Nieuwegein, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning heeft weggenomen een geldbedrag van 75 euro, toebehorende aan [benadeelde 3] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar een schuttingdeur opengebroken en een raam ontzet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

ten aanzien van 16/659157-16:

poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

ten aanzien van 16/652662-16:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

ten aanzien van 16/652418-16:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij met de reclassering en psycholoog van oordeel is dat het volwassenstrafrecht dient te worden toegepast. Hij heeft in de strafmaat meegenomen dat het ernstige feiten betreffen, dat verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, dat sprake is van recidive en dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten in de zaken met parketnummers 16/661826-15, 16/659157-16, 16/652418-16 en 16/652662-16 en de twee ad informandum feiten zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Hierbij dienen de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering worden geadviseerd te worden opgelegd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht dat mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van het feit met parketnummer 16/652418-16 om een straf gelijk aan de voorlopige hechtenis op te leggen en de tenuitvoerlegging te gelasten in een justitiële jeugdinrichting. Tevens heeft de verdediging verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Het onder 1 ad informandum gevoegde feit kan worden bewezen maar dit geldt niet voor het onder 2 ad informandum gevoegde feit nu verdachte ontkent dit feit te hebben gepleegd..

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak gevolgd van bedreiging met geweld en twee woninginbraken. Woninginbraken veroorzaken niet alleen veel materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is algemeen bekend dat woninginbraken nog geruime tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid kunnen zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woningen als bij de buurtbewoners. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar heeft alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Het volgende feit is ad-informandum gevoegd en is bij de bepaling van de strafmaat in aanmerking genomen:

1. 16/661826-15: 14 november 2015, Europalaan te Utrecht, Gemeente Utrecht,

Zodanig Gedrag dat gevaar op weg wordt/kan worden veroorzaakt/verkeer kan worden gehinderd.

De rechtbank overweegt dat het onder 2 ad informandum gevoegde feit niet bij de bepaling van de strafmaat in aanmerking is genomen, nu verdachte ook ter terechtzitting dit feit heeft ontkend.

Door psycholoog drs. L. Assa is op 8 september 2016 een Pro Justitia rapport uitgebracht omtrent de persoon van verdachte. De psycholoog beschrijft dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en een gebrekkig ontwikkeling in de zin van pdd-nos, zwakbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De stoornissen zijn altijd aanwezig en beïnvloeden de dagelijkse keuzes en gedragingen van verdachte, dus ook ten tijde van het hem tenlastegelegde. Op de mate waarin dit tijdens de tenlastegelegde feiten gebeurde, is onvoldoende zicht gekomen, vanwege de weigering van verdachte om iets erover te vertellen. De psycholoog adviseert om verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De psycholoog adviseert om het volwassenstrafrecht toe te passen vanwege de contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De psycholoog adviseert om verdachte een behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde op te leggen met een toezicht van de reclassering. Van belang is dat verdachte zal gaan beschikken over een structurele woonruimte, bijvoorbeeld binnen een begeleid wonen project, omdat helemaal zelfstandig wonen op dit moment nog te hoog gegrepen zal zijn. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank heeft acht geslagen op een door mevrouw H. van Benthem van de Reclassering Nederland op 12 oktober 2016 uitgebracht reclasseringsadvies . De reclassering adviseert het volwassenstrafrecht toe te passen vanwege de meerdere contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Ook adviseert de reclassering om verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: de meldplicht, behandelverplichting (ambulante behandeling), opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en dat verdachte wordt verplicht mee te werken aan een traject gericht op het verkrijgen van een passende dagbesteding en begeleiding bij het verkrijgen van een uitkering en het in kaart brengen van zijn financiële situatie. De rechtbank neemt het advies van de reclassering over.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 juli 2016, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, wat hem er kennelijk niet van heeft weerhouden wederom vergelijkbare feiten te plegen. Bovendien liep verdachte ten tijde van het plegen van het delict nog in een proeftijd. Ook dat heeft hem er niet van weerhouden deze feiten te plegen. Gelet hierop kan met geen andere straf worden volstaan dan met een gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk zal worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is. Daarbij moeten de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals hierna vermeld voor de noodzakelijke behandeling en begeleiding.

De verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis zal, gelet op dit veroordelend vonnis en de duur van hierbij opgelegde gevangenisstraf, worden afgewezen.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 13 juli 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 16/660192-13, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 29 april 2014 van de meervoudige strafkamer in het arrondissement Midden-Nederland, waarbij verdachte is veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 175 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 90 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een brief waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 13 augustus 2015 aan verdachte per post is toegestuurd.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering na voorwaardelijke veroordeling toe te wijzen en om de jeugddetentie om te zetten in een taakstraf van 180 uren.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat mocht de rechtbank de vordering na voorwaardelijke veroordeling toewijzen om de officier van justitie te volgen en de jeugddetentie om te zetten in een taakstraf.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging van 13 juli 2016 worden toegewezen. De rechtbank zal de hierbij toegewezen voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 90 dagen gelet op de landelijke oriëntatiepunten van de rechtspraak omzetten in een werkstraf van 200 uren.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 45, 57, 63, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak
- Verklaart het onder 16/661826-15 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring
- Verklaart bewezen dat verdachte het bij parketnummers, 16/659157-16, 16/652662-16 en 16/652418-16 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
- Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van 16/659157-16:

poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

ten aanzien van 16/652662-16:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

ten aanzien van 16/652418-16:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

-
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Straf
- Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden.
- Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
- Bepaalt dat een gedeelte, te weten 4 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.
- Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
- De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
- Stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

  1. zich na zijn veroordeling na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Reclassering Nederland, op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

  2. zich ambulant moet laten behandelen bij een forensisch ACT team of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, indien en voor zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  3. mee zal werken aan aanmelding bij een instelling voor begeleid wonen of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, vanaf het moment dat de proeftijd zal starten, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  4. gedurende de proeftijd mee zal werken aan een traject gericht op het verkrijgen van een passende dagbesteding (werk/opleiding) zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  5. gedurende de proeftijd mee zal werken aan begeleiding bij het verkrijgen van een uitkering en het in kaart brengen van zijn financiële situatie.

-
Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland, afdeling Reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling (16/660192-13)
- Gelast (in plaats van het geven van een last tot tenuitvoerlegging van de jeugddetentie van 90 dagen die de verdachte voorwaardelijk zijn opgelegd bij vonnis van meervoudige strafkamer in het arrondissement Midden-Nederland van 29 april 2014) een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 uren met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Verzoek opheffing van de voorlopige hechtenis

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en A.R. Creutzberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. van der Vegte, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 oktober 2016.

Mr. A.R. Creutzberg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Ten aanzien van 16/661826-15:

hij op of omstreeks 14 november 2015 te Vleuten, gemeente Utrecht,, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto (merk

Volkswagen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij

verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of

die/dat weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een

valse sleutel;

(parketnummer 661826-15)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Ten aanzien van 16/659157-16:

hij op of omstreeks 24 november 2015 te Utrecht, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen

geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de

toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of

goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of

inklimming, immers heeft hij, verdachte, een schroevendraaier, althans een

puntig voorwerp, in elk geval een stuk gereedschap (met kracht) geplaatst in

de sluitnaad van de balkondeur, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [getuige 2] en/of [getuige 1] en/of [getuige 3]

,gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en / of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf, hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers heeft hij,

verdachte, met een schroevendraaier, althans een puntig voorwerp, een

dreigende houding aangenomen naar die [getuige 2] , [getuige 1] en/of [getuige 3] , en/of

daarbij een stekende beweging daarmee gemaakt en/of daarbij die [getuige 2] , [getuige 1]

en/of [getuige 3] dreigend toegevoegd de woorden: "wholla ik steek jullie neer",

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Ten aanzien van 16/652418-16:

hij op of omstreeks 01 juli 2016 te Nieuwegein, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning heeft

weggenomen een geldbedrag van 75 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van braak/verbreking, immers heeft hij,

verdachte, toen aldaar een schuttingdeur opengebroken en/of een raam en/of

raamgrendels ontzet;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Ten aanzien van 16/652662-16:

hij op of omstreeks 27 juni 2016 te [woonplaats] , althans in het arrondissement

Oost-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een

woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen twee armbanden en/of zes

kettingen en/of een horloge en/of een ring en/of twee boordknopen, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de

toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen

goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van

braak/verbreking/inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0900-2015357568, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 52). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 25 - 26.

3 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 26.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina 34.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina 35.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina 36.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde pagina 32.

8 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 42.

9 Proces-verbaal Sporenonderzoek, doorgenummerde pagina’s 28.

10 Proces-verbaal Sporenonderzoek, doorgenummerde pagina’29.

11 Proces-verbaal, doorgenummerde pagina 46.

12 Proces-verbaal, doorgenummerde pagina 47.

13 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0600-2016316613, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 31). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

14 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 6.

15 Proces-verbaal aangifte, doorgenummerde pagina 7.

16 Proces-verbaal Sporenonderzoek, doorgenummerde pagina 18 en 19.

17 Proces-verbaal Sporenonderzoek, doorgenummerde pagina 19.

18 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een kopie van het deskundigenrapport d.d. 27 juli 2016 opgemaakt door ing. S. Redeker, doorgenummerde pagina’s 23 en 24 van het proces-verbaal.