Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:7023

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
27-12-2016
Zaaknummer
5272701 / MC EXPL 16-8534
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassingsbereik van artikel 2.10 lid 3 (wet normering Topinkomens (WNT). Werknemer is bestuurder van een woningcorporatie. De Raad van Toezicht schorst de werknemer. Partijen sluiten een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsrelatie. In de overeenkomst is opgenomen de maximale vergoeding van € 75.000,00 op basis van de WNT. Daarnaast is de wettelijke opzegtermijn in acht genomen en de loon doorbetalingsverplichting overeengekomen tot einde dienstverband (ongeveer € 71.000,00). Werkgever vordert dit laatste bedrag wegens onverschuldigde betaling met een beroep op artikel 2.10 lid 3 WNT. De vordering wordt afgewezen. Artikel 2.10 lid 3 WNT is een anti-misbruik bepaling. De ratio van deze bepaling is dat voorkomen wordt dat partijen middels een overeenkomst in het kader van beëindiging van het dienstverband het WNT-maximum van € 75.000,00 proberen te omzeilen. Weliswaar is in het onderhavig geval sprake van een overeenkomst ter beëindiging van de arbeidsrelatie en zou strikte toepassing van artikel 2.10 WNT met zich brengen dat werkgever een vorderingsrecht heeft op werknemer wegens onverschuldigde betaling, maar dat doet geen recht aan de bedoeling van de wetgever, te weten het tegengaan van misbruik. Uit de memorie van toelichting valt af te leiden dat de minister kennelijk het oog had op tussen partijen afgesproken non-activiteit. In het licht van het feit dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over de non-activiteit maar dat werknemer door zijn werkgever (kennelijk) op non-actief is gesteld, daartegen heeft geprotesteerd en zich ook bereid heeft verklaard om zijn werkzaamheden, althans de nader overeengekomen werkzaamheden, te hervatten, is het evident dat hier geen sprake is van een poging van partijen om het maximum te omzeilen. Daarbij speelt een rol dat de gestelde overschrijding van het wettelijk maximum zich beperkt tot beloning voor de duur van de wettelijke opzegtermijn. Een andere conclusie zou naar het oordeel in de gegeven omstandigheden bovendien leiden tot een onaanvaardbaar onbillijk resultaat.

Wetsverwijzingen
Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector
Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector 2.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/4038
RAR 2017/56
AR 2017/1959
JIN 2017/47 met annotatie van E. Hagendoorn
AR-Updates.nl 2016-1502
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 21 december 2016

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 5272701 / MC EXPL 16-8534 van

de stichting
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde mr. P. Caris,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. M.J.G.M. Lamers.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is tussen 1 november 2002 en 1 februari 2014 in dienstbetrekking geweest van [eiseres] , laatstelijk in de functie van bestuurder.

2.2.

Met ingang van 6 september 2013 is [gedaagde] door de Raad van Toezicht ontheven van zijn taken en geschorst. De brief vermeldt daarover:

“Reden waarom wij na ampel overleg het vertrouwen in jou als voorzitter van de Raad van Bestuur thans op zeggen.”

“Gegeven het besluit is jou verzocht om de komende periode vanaf uit huis te werken en zonder toestemming van de voorzitter van de Raad van Commissarissen geen besluiten meer te nemen c.q. overeenkomsten aan te sluiten die voor [eiseres] een verplichtende werking hebben.

2.3.

De toenmalig gemachtigde van [gedaagde] deelt bij e-mail van 18 september 2013 aan de gemachtigde van [eiseres] het volgende mede:

“Client maakt bezwaar tegen de opgelegde schorsing en is het ook niet eens met de daaraan - kennelijk - ten grondslag gelegde argumenten.”

2.4.

De toenmalig gemachtigde van [gedaagde] deelt bij mail van 20 september 2013 aan de gemachtigde van [eiseres] het volgende mede:

“In aansluiting op ons telefoongesprek, herhaal ik dat cliënt - alhoewel hij het volstrekt niet eens is met het besluit van de RvC en met name ook niet met de door de RvC gevolgde werkwijze - toch wil onderzoeken of een minnelijke regeling bereikt kan worden.”

2.5.

Partijen sluiten op 12 november 2013 een vaststellingsovereenkomst waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Zijn overeengekomen als volgt:

1. De arbeidsovereenkomst zal op initiatief van [eiseres] per 1 februari 2014 met

wederzijds goedvinden worden beëindigd.

2. [gedaagde] legt met onmiddellijke ingang zijn functie als bestuurder van [eiseres] neer.

Hij zal worden uitgeschreven in het Stichtingenregister. Zonodig zal [gedaagde] daar zijn

medewerking aan verlenen.

3. [gedaagde] zal in de periode tot 1 februari 2014 belast zijn met het inwerken van de nieuwe

(waarnemend) bestuurder.

4. [gedaagde] ontvangt bij het einde van het dienstverband een reguliere eindafrekening van

zijn salaris en emolumenten waaronder vakantietoeslag en de vergoeding voor de niet genoten

vakantiedagen.

5. [eiseres] zal aan [gedaagde] een beëindigingsvergoeding betalen van € 75.000,--.

[eiseres] zat haar volledige medewerking verlenen om de ontslagvergoeding op een

nader door [gedaagde] aan te geven wij ze, mits fiscaal aanvaardbaar, uit te betalen. Deze

betaling zal vóór 15 november 2013 plaatsvinden.”

“8. Behoudens ten aanzien van de verplichting van partijen uit deze overeenkomst verlenen

zij elkaar over en weer finale kwijting ter zake van al hetgeen zij nog van elkaar te

vorderen mochten hebben uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging

daarvan.

9. De Raad van Commissarissen zal [gedaagde] volledige decharge verlenen voor het

gevoerde financiële beleid nadat [eiseres] een desbetreffende goedkeurende verklaring

van de accountant heeft ontvangen.

10. Deze overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW.”

2.6.

Bij brief van 18 maart 2016 van de Autoriteit Woningcorporaties, Inspectie Leefomgeving en Transport wordt ten aanzien van de uitleg van de WNT het volgende medegedeeld:

“Ik constateer echter op basis van het forensisch onderzoek dat uw voormalig

bestuurders de heren [gedaagde] en [A] op 6 september 2013 hun taken hebben

beëindigd. Zoals aangegeven in de gesprekken van 27 januari 2016 en 17 februari

2016 is hierdoor een overtreding van artikel 2.10 lid 3 van de WNT ontstaan.

Volgens het hiervoor genoemde artikel wordt de bezoldiging over een periode

waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband

geen taken meet verricht, aangemerkt als uitkering wegens beëindiging van het

dienstverband en wordt de datum waarop de topfunctionaris de uitoefening van

zijn taken heeft beëindigd, aangemerkt als datum waarop het dienstverband is beëindigd.”

“Ik constateer dat beide bestuurders daarna eerst op 6 september 2013 door een

besluit van de RvT zijn geschorst. Ik constateer voorts dat in het rapport van

[bedrijf] op meerdere plaatsen wordt aangegeven dat er vanaf genoemd

moment geen werkzaamheden meer zijn verricht voor [eiseres] en sprake is van

non activiteit. Verder geeft het rapport aan dat richting het SPW is aangegeven

dat er sprake is geweest van een beëindigingsvergoeding en een non

activiteitsregeling.

De schorsing door de RvT en de periode van non activiteit van beide bestuurders

is niet alleen voor het SPW een relevant feit, naar ook voor de WNT. Bezoldiging in

een periode van non activiteit is in strijd met de WNT en moet worden verrekend

met een eventueel toe te kennen beëindigingsvergoeding. De totale bezoldiging

die betrekking heeft op de periode vanaf de datum dat geen activiteiten meer zijn.

verricht mag volgens de WNT niet meer bedragen dan €75.000 (bij een volledig

dienstverband). Het deel van de bezoldiging dat de €75.000 te boven gaat is aan

te merken als onverschuldigde betaling. [eiseres] dient in het verlengde hiervan

over te gaan tot terugvordering van deze onverschuldigde betaling. De hoogte van

het bedrag dient u te bepalen en door uw extern accountant te laten beoordelen.”

2.7.

Bij brief van de gemachtigde van [eiseres] van 25 april 2016 aan [gedaagde] wordt aanspraak gemaakt op terugbetaling van een bedrag van € 70.811,00 wegens onverschuldigde betaling, omdat indertijd in strijd is gehandeld met artikel 2.10 lid 3 Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (verder WNT), inhoudende dat [gedaagde] vanaf 6 september 2013 geen werkzaamheden meer heeft verricht en er zodoende een periode van (bezoldigde) vrijstelling van werkzaamheden tot het einde van het dienstverband heeft plaatsgevonden, welke bezoldiging moet worden gezien als een uitkering wegens beëindiging van het dienstverband en daarmee het maximum uit te keren bedrag in het kader van de WNT overschrijdt.

3 Relevante wet- en regelgeving

3.1.

Artikel 1.6 WNT luidt:

1. Voor zover partijen een hogere bezoldiging overeenkomen dan bij of krachtens deze wet is toegestaan, bedraagt de bezoldiging van rechtswege het bedrag dat ten hoogste is toegestaan. Betalingen die dat bedrag overschrijden, zijn onverschuldigd betaald.

2. Voor zover partijen een hogere uitkering wegens beëindiging van het dienstverband overeenkomen dan bij of krachtens deze wet is toegestaan, bedraagt de uitkering van rechtswege het bedrag dat ten hoogste is toegestaan. Betalingen die dat bedrag overschrijden, zijn onverschuldigd betaald, tenzij de betaling voortvloeit uit een rechterlijke uitspraak.

3. Voor zover partijen een winstdeling, bonus of andere vorm van variabele beloning overeenkomen, is deze overeenkomst nietig, tenzij die overeenkomst betrekking heeft op uitzonderingen krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2.11 of artikel 3.8. De betaling van een winstdeling, bonus of andere vorm van variabele beloning is nietig, tenzij die betaling betrekking heeft op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde uitzonderingen.

4. Ieder beding tussen partijen houdende kwijtschelding van een onverschuldigde betaling of een schenking die met de onverschuldigde betaling wordt verrekend, is nietig.

3.2.

Artikel 2.10 WNT luidt:

1. Partijen komen geen uitkeringen overeen wegens beëindiging van het dienstverband, die gezamenlijk meer bedragen dan de som van de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband, tot ten hoogste € 75 000. In geval van een dienstverband met een kleinere omvang dan het bij de verantwoordelijke gebruikelijk voltijdse dienstverband bedragen de uitkeringen ten hoogste € 75 000, vermenigvuldigd met het aantal uren waarop het dienstverband betrekking heeft en gedeeld door het aantal uren van een voltijds dienstverband.

2. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister kan het bedrag, genoemd in het eerste lid, worden gewijzigd, indien de loonontwikkeling hiertoe aanleiding geeft.

3. Voor de toepassing van deze wet wordt bezoldiging over een periode waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult, aangemerkt als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband en wordt de datum waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt aangemerkt als datum waarop het dienstverband beëindigt.

3.3.

Artikel 2.10 lid 3 WNT luidde ten tijde van de vaststellingsovereenkomst:

3. Partijen komen niet overeen het dienstverband op een later tijdstip te beëindigen dan het tijdstip waarop de functionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt.

3.4.

Besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2015, nr. 2015-0000734306, houdende vaststelling van beleidsregels inzake de toepassing van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector met ingang van 1 januari 2016 (Beleidsregels WNT 2016) paragraaf 4 luidt:

§ 4. Non-activiteit

Artikel 9. Non-activiteit vóór inwerkingtreding Reparatiewet WNT

Hoewel de Reparatiewet WNT geen terugwerkende kracht heeft, mag artikel 2.10, derde lid, WNT worden toegepast op een periode van non-activiteit vóór 28 november 2014 als ware de Reparatiewet WNT in die periode al in werking getreden. Voor zover in de periode vóór 28 november 2014 vooruitlopend op het einde van het dienstverband (deels) niet is gewerkt, is derhalve geen sprake van verboden non-activiteit. Wel telt de bezoldiging die betrekking heeft op een periode van non-activiteit vooruitlopend op het einde van het dienstverband, mee als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband.

3.5.

Wijziging van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector met het oog op een betere uitvoering van de wet (Reparatiewet WNT) 34 017 Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

6. Non-activiteit

Op grond van de WNT zijn de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband gemaximeerd. Om te voorkomen dat partijen dit maximum ontduiken door topfunctionarissen met behoud van salaris langer in dienst te houden, zonder dat daarvoor werkzaamheden verricht behoeven te worden, is in de huidige artikelen 2.10, derde lid, en 3.7, derde lid, WNT verboden dat partijen afspreken het dienstverband op een later tijdstip te eindigen dan het tijdstip waarop de topfunctionaris zijn arbeidsprestatie beëindigt. Op grond van het huidige artikel 1.6, derde lid, WNT is een beding dat in strijd is met dit verbod nietig. Bovendien is in dit artikellid bepaald dat de bezoldigingen die zijn betaald over een periode dat de topfunctionaris de hem opgedragen taken niet meer vervult, onverschuldigd zijn betaald, en derhalve terugbetaald dienen te worden aan de werkgever. In de praktijk is gebleken dat deze laatste bepaling te absoluut is voor de situatie dat in geval van non-activiteit weliswaar bezoldiging wordt betaald, maar dat deze tezamen met de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband het van toepassing zijnde maximumbedrag voor uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband (twaalf keer het laatste maandsalaris, met een maximum van € 75.000) niet te boven gaat. In dat geval is immers geen sprake van een ontduiking van het maximum voor de ontslaguitkering. Om tegemoet te komen aan de hiervoor weergegeven praktijk, doch tevens ontduiking van het maximum voor de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband te voorkomen, is er in dit wetsvoorstel voor gekozen de bezoldiging tijdens de bedoelde periode van non-activiteit voor de toepassing van deze wet aan te merken als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband. Hierdoor kan de tijdens een periode van non-activiteit betaalde «bezoldiging», tezamen met de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband, het maximum voor de ontslaguitkering niet te boven gaan.

4 Het geschil

4.1.

[eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 71.811,00, vermeerderd met kosten.

4.2.

[eiseres] voert daartoe aan dat sinds 1 januari 2013 de WNT van toepassing is. De WNT heeft als doel de beloningen van topfunctionarissen te matigen en ontduiking van het inkomensmaximum te voorkomen. Op grond van artikel 1.6 lid 1 WNT is een beloning die het maximaal toegestane bedrag te boven gaat onverschuldigd betaald. Artikel 2.10 lid 1 WNT bepaalt dat partijen geen uitkeringen overeenkomen wegens beëindiging van het dienstverband, die gezamenlijk meer bedragen dan de som van de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband, tot ten hoogste € 75.000,-. Door [gedaagde] zijn na 6 september 2013 geen werkzaamheden meer verricht voor [eiseres] , terwijl tot einde dienstverband wel loon en emolumenten is uitbetaald tot een bedrag van € 70.811,00. De beëindigingsregeling van [gedaagde] voldoet niet aan de vereisten uit hoofde van de WNT. De loonbetaling over de periode van non-activiteit, samen met de beëindigingsvergoeding gaat het maximale bedrag van € 75.000,- immers te boven. De WNT verplicht [eiseres] om hetgeen aan de topfunctionarissen in strijd met de WNT betaald is, terug te vorderen wegens onverschuldigde betaling. Immers iedere afspraak in strijd met de WNT is nietig.

4.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de vordering van [eiseres] dient te worden afgewezen. [gedaagde] beroept zich op de geldige totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst en het uitgangspunt dat tussen partijen heeft gegolden, zodat niet bewust in strijd met dwingend recht is gehandeld. De vaststellingsovereenkomst kan niet middels een wilsgebrek worden aangetast en beide partijen dienen de vaststellingsovereenkomst te respecteren onder verwijzing naar artikel 7:902 BW. Aldus komt [eiseres] geen beroep toe op een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling. Het loon over de periode dat [gedaagde] is geschorst valt niet onder het bereik van de WNT, althans leidt ertoe dat een bestuurder die onterecht en onvrijwillig van de ene op de andere dag zijn functie niet meer mag uitoefenen gestraft wordt omdat hij geen recht meer heeft op loon over de opzegtermijn. Dit is volledig in strijd met de bescherming voor werknemers voortvloeiende uit het ontslagsysteem. Als werkgevers c.q. toezichthouders hiermee wegkomen dan zijn bestuurders vogelvrij en loont het voor de toezichthouders om tot schorsing c.q. non-activiteitstelling over te gaan omdat de bestuurder op dat moment zijn eigen vergoeding dient op te eten. Dit is niet alleen in strijd met het ontslagrecht, maar ook in strijd met de antimisbruikbepaling in de WNT. Voor dit soort situaties dient artikel 2.10 lid 3 en 3.7 lid 3 WNT niet te gelden. De WNT biedt nu juist aan de rechter de mogelijkheid om van de WNT af te wijken. Voor zover wel een terugbetalingsverplichting rust op [gedaagde] dan geldt dat slechts voor het aan hem netto uitgekeerd bedrag. Tot slot maakt [gedaagde] aanspraak op betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

5.2.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] door de Raad van Toezicht per 6 september 2013 is geschorst, althans dat [gedaagde] is verzocht om de “komende periode vanaf uit huis te werken”. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is beëindigd per 1 februari 2014. Daartoe is door partijen op 12 november 2013 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij aan [gedaagde] een ontslagvergoeding is toegekend van € 75.000,00. Verder is daarin opgenomen dat [gedaagde] bij het einde van het dienstverband een eindafrekening van zijn salaris en emolumenten, waaronder vakantietoeslag en de vergoeding voor niet opgebouwde vakantiedagen ontvangt. Tot einde dienstverband is aan [gedaagde] een bedrag betaalt van € 55.638,00 aan loon, € 1.932,00 aan onkostenvergoeding en € 13.241,00 aan voorzieningen beloning op termijn, derhalve totaal € 70.811,00. In de vaststellingsovereenkomst is verder nog opgenomen dat [gedaagde] in de periode tot 1 februari 2014 zal zijn belast met het inwerken van de nieuwe (waarnemend) bestuurder. Daaraan is vanuit [eiseres] geen verdere invulling gegeven. [gedaagde] heeft tegen zijn schorsing geprotesteerd.

5.3.

Per 1 januari 2013 is de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) in werking getreden. De wet normeert de bezoldiging van de hoogste leidinggevenden ('topfunctionarissen') in de publieke en semipublieke sector. De wet stelt verschillende bezoldigings- en ontslagvergoedingsmaxima vast en verplicht tot openbaarmaking van afspraken en betalingen die boven de vastgestelde maxima uitgaan.

5.4.

De terugbetalingsvordering van [eiseres] is gebaseerd op de stelling dat de ontslagvergoeding die met [gedaagde] is overeengekomen, in strijd is met dwingend recht, de WNT. Niet in geschil is dat de WNT van toepassing is, dat [gedaagde] op grond van die wet moet worden aangemerkt als topfunctionaris, dat de maximale uitkering op grond van de WNT € 75.000 bedraagt en dat de WNT van dwingend recht is. In artikel 1.6 lid 1 van de WNT is bepaald dat, voor zover partijen een hogere bezoldiging overeenkomen dan krachtens die wet is toegestaan, de bezoldiging van rechtswege het bedrag bedraagt dat ten hoogste is toegestaan. Betalingen die dat bedrag overschrijden, zijn onverschuldigd betaald. Op grond van artikel 2.10 WNT mag een topfunctionaris geen hogere beëindigingsuitkering krijgen dan de som van de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging (relatieve maximum), waarbij bovendien geldt dat hij niet meer mag ontvangen dan € 75.000 (het absolute maximum).

5.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter telt het loon, in onderhavig specifiek geval, dat tijdens de onvrijwillige op non-actief stelling is doorbetaald niet mee voor het WNT-maximum. De kantonrechter neemt in aanmerking dat als uitgangspunt heeft te gelden dat op grond van artikel 7:628 BW en de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 21 maart 2003, JAR 2003/91) dat een op non-actiefstelling voor rekening van de werkgever komt en dat de werkgever gedurende deze periode loon verschuldigd blijft. Bovendien geldt voor een beëindiging van de arbeidsovereenkomst ook de dwingend wettelijke opzegtermijn met de verplichting tot doorbetaling van het loon tot einde dienstverband, ongeacht of er nu wel of niet wordt gewerkt. Partijen hebben bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst die wettelijke opzegtermijn in acht genomen. Gezien de hoogte van het salaris van [gedaagde] en zijn functie als bestuurder is van toepassing de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). Volgens de parlementaire geschiedenis is de strekking van het huidige artikel 2.10 lid WNT dat een werkgever en een werknemer mogen overeenkomen dat voorafgaande aan een uitdiensttreding het salaris wordt doorbetaald, terwijl daar geen werkzaamheden tegenover staan, maar dat het loon gedurende de non-activiteit tezamen met de eventuele uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband het bedrag van € 75.000 niet te boven mag gaan. (zie daarvoor het Besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 december 2015 en de Kamerstukken II 2013/14, 34017, 3, p. 5 (Memorie van Toelichting)). In het onderhavig geval zijn partijen evenwel niet overeengekomen dat het salaris wordt doorbetaald terwijl daar geen werkzaamheden tegenover staan. In de brief van 6 september 2013 is aan [gedaagde] weliswaar bepaalde bevoegdheden ontnomen, maar is hem tevens aangezegd dat hij zijn (overige) werkzaamheden thuis dient uit te voeren. [gedaagde] heeft tegen deze gang van zaken geprotesteerd en zich beschikbaar gehouden voor al zijn werkzaamheden. In de vaststellingsovereenkomst is bovendien expliciet als voorwaarde opgenomen dat [gedaagde] tot einde dienstverband de (waarnemend) bestuurder zal inwerken. Dat daaraan kennelijk geen gevolg is gegeven komt voor rekening en risico van [eiseres] .

5.6.

Artikel 2.10 lid 3 WNT is een anti-misbruik bepaling. De ratio van deze bepaling is dat voorkomen wordt dat partijen middels een overeenkomst in het kader van beëindiging van het dienstverband het WNT-maximum van € 75.000,00 proberen te omzeilen. Weliswaar is in het onderhavig geval sprake van een overeenkomst ter beëindiging van de arbeidsrelatie en zou strikte toepassing van artikel 2.10 WNT met zich brengen dat [eiseres] een vorderingsrecht heeft op [gedaagde] wegens onverschuldigde betaling, maar dat doet geen recht aan de bedoeling van de wetgever, te weten het tegengaan van misbruik. Uit de memorie van toelichting valt af te leiden dat de minister kennelijk het oog had op tussen partijen afgesproken non-activiteit. In het licht van het feit dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over de non-activiteit maar dat [gedaagde] door zijn werkgever (kennelijk) op non-actief is gesteld, daartegen heeft geprotesteerd en zich ook bereid heeft verklaard om zijn werkzaamheden, althans de nader overeengekomen werkzaamheden, te hervatten, is het evident dat hier geen sprake is van een poging van partijen om het maximum te omzeilen. Daarbij speelt een rol dat de gestelde overschrijding van het wettelijk maximum zich beperkt tot beloning voor de duur van de wettelijke opzegtermijn. Een andere conclusie zou naar het oordeel in de gegeven omstandigheden bovendien leiden tot een onaanvaardbaar onbillijk resultaat. Daar doet niet aan af het standpunt van de Autoriteit Woningcorporaties, waarnaar [eiseres] verwijst. Dit betekent dat de vordering van [eiseres] dient te worden afgewezen.

5.7.

Gelet op het bovenstaande behoeven de overige stellingen van partijen geen verdere bespreking.

5.8.

[gedaagde] vordert betaling van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten. Hoewel het hier gaat om een vordering in reconventie, die in onderhavige procedure niet als zodanig is onderkend, heeft [eiseres] daarop genoegzaam kunnen reageren zodat de kantonrechter in staat is daarover een beslissing te nemen. De kantonrechter is van oordeel dat de kosten die worden gevorderd betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding in zich sluit. De vordering van [gedaagde] wordt afgewezen.

5.9.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit geding worden veroordeeld.

6 De beslissing

De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.200,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2016.